- Arrest van 22 november 2012

22/11/2012 - C.11.0688.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van procureur-generaal Leclercq.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0688.F

REPUBLIEK ARGENTINIË,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

NMC CAPITAL LTD, vennootschap naar het recht van de Caymaneilanden,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 21 juni 2011.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft op 31 oktober 2012 ter griffie een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 22, 3, en 25 van het Verdrag van Wenen van 18 april 1961 inzake diplomatiek verkeer, goedgekeurd bij de wet van 30 maart 1968 houdende goedkeuring van volgende internationale akten : 1. Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer; 2. Facultatief Protocol betreffende de verplichte regeling van geschillen; 3. Facultatief Protocol betreffende de verkrijging van nationaliteit; opgemaakt op 18 april 1961 te Wenen, en, voor zoveel als nodig, van die goedkeuringswet;

- artikel 31, 1, van het Verdrag van Wenen van 23 mei 1969 inzake het verdragen-recht, goedgekeurd bij de wet van 10 juni 1992 houdende goedkeuring van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht, en van de Bijlage, opgemaakt te Wenen op 23 mei 1969, en, voor zoveel als nodig, van die goedkeuringswet;

- artikel 38, § 1, b), van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof gevoegd bij het Handvest van de Verenigde Naties van 26 juni 1945, goedgekeurd bij de wet van 14 december 1945 tot goedkeuring van het Handvest van Verenigde Volken en het Statuut van het Internationale Gerechtshof, getekend te San Francisco, op 26 juni 1945 en, voor zoveel als nodig, van die goedkeuringswet;

- artikel 32 van de Europese Overeenkomst inzake de immuniteit van Staten, ge-daan te Basel op 16 mei 1972 en goedgekeurd bij de wet van 19 juli 1975;

- regel van internationaal gewoonterecht ne impediatur legatio;

- regel van internationaal gewoonterecht die op zijn minst de republiek

Argentinië en het koninkrijk België bindt en krachtens welke op specifieke wijze afstand moet zijn genomen van de uitvoeringsimmuniteit die de diplomatieke zendingen van een vreemde Staat genieten.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk en gegrond, hervormt het beroepen vonnis en verklaart bij een nieuwe uitspraak het door de eiseres bij dagvaarding van 14 augustus 2009 ingestelde verzet tegen het op 7 augustus 2009 gelegde bewarend derdenbeslag niet-gegrond, wijst al haar vorderingen af en veroordeelt haar in de kosten van de beide aanleggen, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding van 1.320 euro per aanleg.

Die beslissing steunt op alle redenen van het arrest die geacht worden hier integraal te zijn weergegeven, en inzonderheid op de onderstaande redenen:

"4. De [eiseres] betwist de gegrondheid van het hoger beroep en voert daartoe, net als voor de eerste rechter, de uitvoeringsimmuniteit van de in beslag genomen bezittingen aan.

Vreemde Staten genieten in België uitvoeringsimmuniteit.

Toch wordt aangenomen dat die immuniteit niet absoluut is in zoverre zij slechts van toepassing is op de goederen die bestemd zijn voor de uitoefening van de soe-vereiniteit van de Staat en dat op goederen waaraan een private of commerciële bestemming gegeven is, gedwongen uitvoering mogelijk blijft (E. Dirix en K. Broeckx, Beslag, 2010, nr. 197, p. 150 - 151).

Ook goederen van diplomatieke en consulaire zendingen genieten immuniteit, wat echter niet belet dat goederen die geen verband houden met die zendingen wel in beslag mogen worden genomen.

Er kan worden afstand gedaan van die immuniteit, die de diplomaat en zijn ambt beschermt zonder de Staat van herkomst te dwingen die bescherming te handhaven.

Het gaat om een immuniteit die in het kader past van het beginsel van de uitvoeringsimmuniteit van de Staten waarvan de ambassade een orgaan is. Die bescherming vereist dus een vaststaand verband tussen de in beslag genomen goederen en het feit dat die goederen noodzakelijk zijn voor de diplomatieke verte-genwoordiging.

Die diplomatieke immuniteit vindt haar grondslag in het Verdrag van Wenen van 18 april 1961 dat de krijtlijnen ervan trekt in het kader van het diplomatieke ambt van de Staat.

De tekst zelf van het Verdrag maakt geen gewag van bankrekeningen, effectenre-keningen, of banktegoeden van de diplomatieke zending, wat niet belet dat ze beschermd worden voor zover die bezittingen specifiek voor de behoeften van de zending worden aangewend.

Aldus werd geoordeeld: ‘Il n'est pas contesté que les avoirs des États étrangers, et notamment les avoirs bancaires affectés aux besoins de leurs ambassades, bénéficient de l'immunité d'exécution' (Brussel, 21 juni 2002, J. T., 2002, 714; zie ook Brussel, 4 oktober 2002, J. T., 2003, 318).

De Belgische en internationale rechtspraak en rechtsleer is verdeeld over de vraag of de immuniteit betreffende bankrekeningen van een diplomatieke zending al dan niet autonoom is, hoewel noch de tekst van het Verdrag van Wenen van 1961, noch het internationaal gewoonterecht, noch de internationale verdragen de stelling rechtvaardigen van een volledig autonoom regime van uitvoeringsimmuniteit, dat afwijkt van de uitvoeringsimmuniteit van de Staten betreffende de rekeningen van de diplomatieke zending.

De artikelen 22 tot 25 van het Verdrag doelen op sommige specifieke goederen: de gebouwen van de zending (artikel 22, 1), het meubilair en andere daar aanwezige voorwerpen, alsmede de vervoermiddelen van de zending (artikel 22, 3).

Het doel van die bescherming is strikt gelinkt aan het diplomatieke ambt. Anders gezegd: die goederen genieten geen fundamenteel verschillende immuniteit dan die van het algemene regime. Het gaat veeleer om een concrete toepassing, om een verduidelijking van het algemene regime.

Het doel van het Verdrag is immers, volgens de aanhef ervan ‘niet (...) personen te bevoorrechten, doch te verzekeren dat diplomatieke zendingen als vertegen-woordigers der staten doelmatig functioneren'; dit betekent duidelijk dat de bescherming van de in het Verdrag bepaalde goederen louter functioneel is.

Er dient hier op gewezen dat, zoals de [eiseres] terecht beweert, de geest van het Verdrag van Wenen weliswaar erin bestaat de betrekkingen tussen de landen te begunstigen en te verzekeren dat diplomatieke zendingen als vertegenwoordigers der staten doelmatig functioneren, maar dat dit niet impliceert dat aan de artikelen 22 tot 25 een draagwijdte mag worden toegekend die geen steun vindt in de tekst zelf.

De [eiseres] betoogt voorts dat het comité van ministers van Raad van Europa, in zijn Aanbeveling nr. R (97) 10 van 1997 verklaard heeft dat de bankrekeningen met gelden voor de werking van de ambassade niet voor beslag vatbaar zijn.

Dienaangaande wijst het hof [van beroep] erop dat het hier, zoals het opschrift van de tekst, de inleiding en de eerste paragraaf van punt 3 vermelden, gaat om een zienswijze in de specifieke context van een ‘Aanbeveling' over de problematiek van de schulden van diplomatieke zendingen, van permanente zendingen en van diplomatieke zendingen die ‘tweevoudig geaccrediteerd zijn' en van hun leden, en niet in de context van een tenuitvoerlegging ten laste van de Staat zelf. Die zienswijze die uitgaat van een juridisch standpunt dat uitsluitend betrekking heeft op de kwestie van de schulden die door diplomatieke vertegenwoordigingen of door een lid ervan worden aangegaan, hoort dus geen algemene draagwijdte te krijgen op grond van het Verdrag, te meer daar het hof [van beroep] reeds erop wees dat het functionele criterium dient te worden gehanteerd.

Het Verdrag van Wenen bepaalt niets bijzonders betreffende gelden op bankreke-ningen. Dat belet niet dat verscheidene auteurs een uitbreidende uitlegging voor-staan waarin de bankrekeningen van de diplomatieke zendingen gelijkgeschakeld worden met de in de voornoemde artikelen bedoelde goederen. De gelijkschakeling van de bedragen die gedeponeerd zijn op de bankrekeningen van een ambassade of een andere diplomatieke zending met de in het Verdrag van Wenen bedoelde goederen, impliceert dat de door dat verdrag verleende immuniteit geldt voor die banktegoeden. Aangezien de uitvoeringsimmuniteit die aan de Staten is verleend en toegepast wordt op het vervullen van het diplomatieke ambt, moeten die tegoeden, om die immuniteit te genieten, verband houden met de behoeften van de zending en moeten ze dienen voor de uitoefening van de soevereiniteit van de zendstaat.

Uit die zienswijze kan echter niet worden afgeleid dat er specifiek afstand moet zijn gedaan van de immuniteit van banktegoeden van de diplomatieke zendingen. Het hof [van beroep] zal hierop later terugkomen.

In tegenstelling tot hetgeen de [eiseres] beweert, kan uit de omstandigheid dat het op 2 december 2004 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aangenomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen - dat thans nog niet in werking is getreden wegens onvoldoende ratificeringen - in artikel 19 een lijst opstelt van specifieke categorieën van goederen die geacht worden voor een publieke activiteit te dienen, en dus vermoed worden niet voor beslag vatbaar te zijn, waarin ‘les biens, les comptes bancaires, utilisés ou destinés à être utilisés aux fins de la mission diplomatique' zijn opgenomen, niet worden opgemaakt dat er dienaangaande een regel van internationaal gebruik bestaat, aangezien die bepaling, volgens de bespreking van artikel 19 in het verslag van de Commissie Internationaal Recht over de werkzaamheden van de drieënveertigste zitting, precies ingegeven is door de bekommernis om een betwiste materie klaar en duidelijk te regelen, wat het bestaan van een gevestigd gebruik uitsluit.

Met andere woorden, de artikelen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteiten van de Staten kunnen niet worden aangemerkt als het resultaat van een codificatie van gevestigde gebruiken, maar wel als bepalingen die in het leven zijn geroepen om een aangelegenheid te regelen die in volle evolutie is, en waarvoor een ‘noodzakelijk en opportuun' optreden nodig is dat als leidraad dient voor de manier waarop in die aangelegenheid moet worden gehandeld.

Ook de tekst van de Aanbeveling nr. (97)10 van de raad van ministers van de Raad van Europa toont duidelijk aan dat er geen sprake is van een gewoonteregel. Hij maakt immers gewag van verschillende praktijken in de Staten, wat uitsluit dat er een vaste gewoonteregel bestaat.

Een uitbreidende lezing van het Verdrag van Wenen zou bovendien nauwelijks gevolgen hebben, aangezien de door het Verdrag van Wenen verleende immuniteit - die alleen maar de concrete toepassing vormt van de algemene uitvoeringsim-muniteit van de Staten in functie van de behoeften van de diplomatieke zending - steeds vereist, of het nu gaat om tegoeden op bankrekeningen of andere, dat ze betrekking hebben op de uitoefening van een soevereine functie (P. d'Argent, ‘Le juge des saisies, le conseil de sécurité et l'immunité d'exécution restreinte des États étrangers', noot onder burg. Brussel (beslag), 27 februari 1995 en 9 maart 2005, J.T., 1995, 568; P. d'Argent, ‘Jurisprudence belge relative au droit international privé', B.T.I.R., 2003, 610: ‘D'autres considèrent que la protection des comptes d'ambassades est double puisqu'ils jouiraient, outre l'immunité d'exécution, d'une immunité diplomatique. Cette immunité, qui n'est pas explicitement prévue par la convention de Vienne sur les relations diplomatiques, se dégagerait d'une interpré-tation de l'article 25 de la Convention, lequel dispose de l'obligation générale ne impediatur legatio. Cette immunité supplémentaire ne serait cependant pas absolue (...). Cette approche pragmatique permet de douter du bien-fondé de la construction qui attribue une double immunité aux comptes d'ambassades. Non seulement celle-ci est fondée sur une lecture de l'article 25 de la Convention de Vienne de 1961 qui, bien que non déraisonnable, va au-delà de ses termes mêmes, mais elle semble dresser deux obstacles à la saisie de ces comptes alors que le critère devant être appliqué pour les lever est le même puisque les besoins de la légation ne constituent qu'une affectation possible à des fins souveraines ; ceci ne manque pas de révéler le caractère artificiel de la construction'; J. Wouters en M. Vidal, ‘De rechter als hoeder van het internationaal recht: recente toepassingen van internationaal recht voor Belgische hoven en rechtbanken', Working Paper, nr. 92 (maart 2006).

Daaruit volgt dat het voor de Staten geldende regime van de uitvoeringsimmuniteit van toepassing is, wat betekent dat de bedragen die op een bankrekening van een ambassade zijn gedeponeerd, slechts beschermd worden wanneer die tegoeden betrekking hebben op een soevereine functie van de Staat, als ze nuttig zijn voor de functies van de zending en niet voor een economische, commerciële of burgerrechtelijke verrichting die onder het privaatrecht valt.

Voor zover als nodig zal dat punt later worden onderzocht.

5. Het Belgisch recht aanvaardt doorgaans dat een Staat, vóór het ontstaan van een geschil, bij geschrift afstand doet van zijn uitvoeringsimmuniteit (J. Verhoeven, Droit international public, Larcier, 2000, 744; J. Verhoeven, ‘La jurisprudence belge et le droit international de l'immunité d'exécution', in Mélanges offerts à Jacques Van Compernolle, Bruylant, 2004, 872).

Het wordt helemaal niet betwist dat de [eiseres] afstand heeft gedaan van haar uitvoeringsimmuniteit in de Fiscal Agency Agreement en in de op 3 februari en 21 juli 2000 [uitgegeven] obligatieleningen.

Met betrekking tot de afstand van de uitvoeringsimmuniteit voert de [eiseres] aan dat de omstandigheid dat zij afstand heeft gedaan van de uitvoeringsimmuniteit in de Fiscal Agency Agreement (FAA) en in de uitgiftevoorwaarden van de op 3 februari en 21 juli 2000 uitgegeven obligaties de bescherming niet aantast van de in beslag genomen goederen, aangezien die afstand geenszins slaat op de goederen van de diplomatieke zending, inzonderheid haar bankrekeningen bij de vennootschap Fortis Bank, terwijl een Staat pas rechtsgeldig afstand kan doen van de uitvoeringsimmuniteit van zijn bankrekeningen wanneer die afstand uitdrukkelijk is en onderscheiden is van de afstand van de Staat van zijn algemene uitvoeringsimmuniteit. Afstand van de algemene uitvoeringsimmuniteit heeft niet tot gevolg dat wordt afstand gedaan van de immuniteit die de bankrekeningen van de diplomatieke zending genieten.

In tegenstelling tot de stelling van een bepaalde rechtspraak en rechtsleer, die niet normatief is dus niet dwingend is voor het hof [van beroep], kan dat standpunt niet gevolgd worden: noch het Verdrag van Wenen, noch enig ander in werking zijnd verdrag, noch het internationale gebruik voorzien in een specifieke afstand voor de banktegoeden van de diplomatieke zendingen. Een uitdrukkelijke afstand van de uitvoeringsimmuniteit is voldoende. Het is helemaal niet noodzakelijk dat die afstand uitdrukkelijk doelt op de bankrekeningen die door diplomatieke zendingen worden gebruikt (in die zin: Brussel, 21 juni 2002, J.T., 2002, 714: 'Il n'est pas contesté que les avoirs des États étrangers et notamment des avoirs bancaires affectés aux besoins de leurs ambassades, bénéficient de l'immunité d'exécution. Cette immunité se limite toutefois aux avoirs bancaires spécifiquement affectés au paiement des dépenses et frais de l'ambassade. (...) Il faut admettre que les avoirs bancaires saisis (...) bénéficient de l'immunité d'exécution. Un État peut valablement renoncer à son immunité d'exécution mais, aux termes de l'article 32, § 2, du Traité de Vienne sur les relations diplomatiques, une telle renonciation doit toujours être expresse. La volonté expresse, qui, dans les modes de manifestation de la volonté, s'oppose à la volonté tacite, est celle qui s'exprime d'une manière directe, claire, positive. (...) La Conférence de Vienne a explicitement repoussé la renonciation implicite (...). En l'espèce, le protocole du 25 novembre 2000 ne contient pas de renonciation expresse à de l'immunité d'exécution (...). Une telle renonciation ne pourrait se déduire qu'implicitement de certaines dispositions du protocole, aux termes d'un raisonnement. En effet, à aucun endroit, ce protocole d'accord ne contient les mots 'renonciation à l'immunité d'exécution. La république du Burundi se borne à prendre acte de l'engagement des consorts Landau de lever toutes les saisies à condition qu'une garantie bancaire irrévocable soit souscrite à leur profit. Il n'est donc pas satisfait aux conditions d'application de l'article 32, § 2, de la Convention de Vienne').

Het vereiste van een uitdrukkelijke afstand staat niet gelijk met het - onbestaande - vereiste van een afstand die uitdrukkelijk slaat op de banktegoeden van de diplomatieke zending.

De omstandigheid dat de opstellers van de Commissie Internationaal Recht van de Verenigde Naties bij het opstellen van het ontwerp van verdrag van de Verenigde Naties, een specifieke afstand voor goederen met diplomatieke immuniteit hebben vooropgesteld leidt niet tot een ander resultaat, aangezien, ten eerste, de commentaar van de opstellers van het niet-definitieve ontwerp in de Annuaire de la Commission du droit international 1991, volume II, deel twee, onder het opschrift 'Rapport de la Commission à l'Assemblée générale sur les travaux de sa quarante-troisième session', geen enkel normatief karakter heeft, dat die denkpiste niet werd gevolgd in de definitieve tekst van het Verdrag noch in enig ander thans geldend verdrag of wettelijke tekst, vervolgens - zoals eerder is gezegd - omdat dat verdrag nog steeds niet in werking is getreden en omdat het, de dag waarop het van toepassing zal zijn, niet met terugwerkende kracht moet worden toegepast op een vroeger overeengekomen afstandsbeding.

Zoals eerder gezegd, wordt niet betwist dat de [eiseres] het recht had om afstand te doen van de bescherming van de uitvoeringsimmuniteit, noch dat zij overigens daadwerkelijk en uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van haar uitvoeringsimmuniteit.

Een dergelijke afstand kan betrekking hebben op de uitvoeringsimmuniteit zonder een onderscheid te maken tussen de bedoelde goederen, aangezien die afstand al-gemeen kan zijn en betrekking hebben op alle goederen van de Staat die afstand doet van zijn uitvoeringsimmuniteit.

In deze zaak is de afstand die de [eiseres] in het kader van het 'FAA'-contract vrijelijk heeft gedaan en waaraan [de verweerster] haar rechten ontleent, uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en duidelijk. Bovendien is die afstand ruim in zoverre hij zowel betrekking heeft op de immuniteit van rechtsmacht als op de uitvoerings-immuniteit, met uitzondering van sommige op beperkende wijze opgesomde goederen die niet behoren tot die waarop het omstreden beslag is gelegd.

Er dient hier op gewezen dat het afstandsbeding uitdrukkelijk vermeldt wat er dient te gebeuren met de banktegoeden die buiten het toepassings[gebied] van de afstand vallen voor zover de rechtbanken van de [eiseres] met betrekking tot die tegoeden een beschikking hebben gewezen - wat hier niet het geval is -, zodanig dat de [eiseres] bezwaarlijk die akte van afstand van de in beslag genomen bezittingen als bedoeld in de akte van beslag van 7 augustus 2009, kan betwisten.

De bewoordingen en de samenhang van de drie opeenvolgende afstandsbedingen tonen aan dat de [eiseres] bewust afstand heeft gedaan van haar uitvoeringsim-muniteit, dat die afstand met duidelijke bewoordingen doelt op de financiële inkomsten van de Staat, dat het helemaal niet gaat om een modelakte van afstand, maar integendeel om een heel specifieke tekst waarin de [eiseres] duidelijk heeft vermeld binnen welke, voor haar noodzakelijke en voor [de verweerster] aanvaardbare perken, die afstand kon plaatsvinden in het raam van hun contractuele betrekkingen.

Daaruit volgt dat de goederen, die door de akte van afstand niet worden uitgeslo-ten, voor beslag vatbaar zijn.

Gelet op het voorgaande hoeven de overige argumenten niet te worden onderzocht.

Het hof [van beroep] onderzoekt het argument betreffende de bestemming van de in beslag genomen goederen dus niet, aangezien dat onderzoek tot geen andere slotsom kan leiden. Er dient geen prejudiciële vraag te worden gesteld.

In het licht van wat voorafgaat, is er geen sprake van tergend en roekeloos hoger beroep.

[De verweerster] vordert dat de [eiseres] wordt veroordeeld in de kosten, met inbegrip van een rechtslegingsvergoeding, geraamd op het basisbedrag voor een niet in geld waardeerbare zaak.

Die vordering is gegrond. De rechtsplegingsvergoeding wordt, rekening houdend met de indexering, vastgesteld op 1.320 euro".

Grieven

Eerste onderdeel

Volgens artikel 22, 3, van het Verdrag van Wenen van 18 april 1961 inzake diplomatiek verkeer zijn de gebouwen van de zending, het meubilair en andere daar aanwezige voorwerpen, alsmede de vervoermiddelen van de zending, gevrijwaard tegen onderzoek, vordering, beslaglegging of executoriale maatregelen.

Volgens artikel 25 van dat verdrag verleent de ontvangende Staat de zending alle faciliteiten ten behoeve van de uitoefening van haar werkzaamheden.

Volgens artikel 31, 1, van het Verdrag van Wenen van 23 mei 1969 inzake het verdragenrecht moet een verdrag te goeder trouw worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het Verdrag in hun context en in het licht van het voorwerp en doel van het Verdrag.

In dat verband moeten de artikelen 22, 3, en 25 van het Verdrag van Wenen van 18 april 1961 uitgelegd worden in het licht van de doelstelling van die akte, die, volgens de aanhef ervan, erin bestaat "te verzekeren dat diplomatieke zendingen als vertegenwoordigers der staten doelmatig functioneren".

Bijgevolg moeten die bepalingen in die zin worden uitgelegd dat ze elk beslag of uitvoeringsmaatregel op bankrekeningen van de diplomatieke zending verbieden, ongeacht de algemene uitvoeringsimmuniteit die de vreemde Staten genieten.

De uitvoeringsimmuniteit die bankrekeningen van de diplomatieke zending genieten, volgt op zijn minst uit de regel van internationaal gewoonterecht ne impediatur legatio die ertoe strekt te verzekeren dat diplomatieke zendingen doelmatig functioneren, ongeacht de algemene uitvoeringsimmuniteit die de vreemde Staten genieten.

De verbindende kracht van die internationale gewoonte als bron van het internationaal recht is vastgelegd in artikel 38, § 1, b), van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof, gevoegd bij het Handvest van de Verenigde Naties van 26 juni 1945.

Uit het voorgaande volgt dat bankrekeningen van een diplomatieke zending een uitvoeringsimmuniteit genieten die onderscheiden is van de uitvoeringsimmuniteit van de vreemde Staten in de zin van de regel van internationaal gewoonterecht . Artikel 32 van de Europese Overeenkomst inzake de immuniteit van Staten bevestigt het aparte karakter van de diplomatieke immuniteit; dat artikel luidt namelijk als volgt: "De bepalingen van deze Overeenkomst laten onverlet de voorrechten en immuniteiten met betrekking tot de uitoefening van de functies van diplomatieke missies en consulaire posten en van de daaraan verbonden personen".

Wanneer een vreemde Staat niet specifiek afstand doet van de uitvoeringsimmuniteit op de bankrekeningen van de diplomatieke zendingen, impliceert de loutere afstand van de Staat van zijn uitvoeringsimmuniteit, niet dat dat die Staat afstand doet van zijn uitvoeringsimmuniteit op de bankrekeningen van zijn diplomatieke zendingen.

Om de redenen die in de aanhef van het middel worden weergegeven, beslist het arrest dat de uitvoeringsimmuniteit die bankrekeningen van diplomatieke zendingen genieten helemaal niet autonoom is, en slechts een concrete toepassing is van het algemeen regime van de uitvoeringsimmuniteit. Het leidt daaruit af dat de algemene afstand van de eiseres van haar uitvoeringsimmuniteit jegens de verweerster noodzakelijkerwijs impliceert dat zij afstand heeft gedaan van haar uitvoeringsimmuniteit betreffende de bankrekeningen van haar diplomatieke zending in België, hoewel zij niet op specifieke wijze afstand heeft gedaan van laatstgenoemde uitvoeringsimmuniteit.

Zodoende miskent het arrest het autonome karakter van de uitvoeringsimmuniteit voor bankrekeningen van diplomatieke zendingen, waarvan slechts op specifieke wijze afstand kan worden gedaan (schending van de artikelen 22, 3, 25 van het Verdrag van Wenen van 18 april 1961, 31, 1, van het Verdrag van Wenen van 23 mei 1969, miskenning van de regel van internationaal gewoonterecht ne impediatur legatio, schending van artikel 38, § 1, b), van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof gevoegd bij het Handvest van de Verenigde Naties van 26 juni 1945, en, voor zoveel als nodig, van de wetten tot bekrachtiging van de drie voornoemde verdragen en van artikel 32 van de Europese Overeenkomst inzake de immuniteit van Staten).

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Artikel 22, 3, van het Verdrag van Wenen van 18 april 1961 inzake diplomatiek verkeer bepaalt dat de gebouwen van de zending, het meubilair en andere daar aanwezige voorwerpen, alsmede de vervoermiddelen van de zending, gevrijwaard zijn tegen onderzoek, vordering, beslaglegging of executoriale maatregelen.

Luidens artikel 25 van dat Verdrag verleent de ontvangende Staat alle faciliteiten ten behoeve van de uitoefening van haar werkzaamheden.

Krachtens de regel van internationaal gewoonterecht ne impediatur legatio, vol-gens welke de werking van de diplomatieke zending niet belemmerd mag worden, genieten alle goederen van die zending die dienen voor haar werking een autono-me uitvoeringsimmuniteit die boven die van de ontvangende Staat staat.

Daaruit volgt dat geen enkel beslag of dwangmaatregel kan worden toegepast op de goederen die aangewend worden voor de werking van een diplomatieke zen-ding, tenzij de ontvangende Staat uitdrukkelijk toestaat dat er voor die categorie goederen of een gedeelte van de categorie dwangmaatregelen worden genomen.

Het arrest stelt vast dat de verweerster op 7 augustus 2009, ingevolge een vonnis van 18 december 2006 van de New York Southern Federal District Court, bewa-rend derdenbeslag heeft gelegd op de bankrekeningen van de bij het koninkrijk België geaccrediteerde diplomatieke zending van de eiseres, dat de schuldvorde-ring van de verweerster steunt op een overeenkomst van financiële dienstverlening (" Fiscal Agency Agreement", afgekort "FAA") die het algemeen kader vastlegt voor de uitgifte door de eiseres van verschillende obligaties en dat de eiseres, zowel in de bijlage A van de FAA-overeenkomst als in de overeenkomsten betref-fende obligatie-uitgiften die tot het vonnis van 18 december 2006 hebben geleid, op algemene wijze afstand heeft gedaan van haar immuniteit van rechtsmacht en uitvoering, behalve voor bepaalde in die documenten nader omschreven goederen en bezittingen.

Het arrest overweegt dat "het voor de Staten geldende stelsel van de uitvoerings-immuniteit hier van toepassing is, wat betekent dat de bedragen op een bankreke-ning slechts beschermd zijn indien die gelden betrekking hebben op een soevereine activiteit van de Staat, indien ze dienen voor de opdrachten van de zending en niet voor een economische, commerciële of burgerlijke verrichting die onder het privaatrecht valt".

Het arrest dat, zonder vast te stellen dat de in beslag genomen bedragen werden aangewend voor andere doeleinden dan de werking van de diplomatieke zending van de eiseres, beslist dat de algemene afstand in de voormelde akten, ook geldt voor de goederen van die diplomatieke zending, met inbegrip van de bankreke-ningen, zonder dat de eiseres op uitdrukkelijke en bijzonder wijze afstand moet doen van de immuniteit betreffende die goederen, schendt de artikelen 22, 3, en 25 van het Verdrag van Wenen van 18 april 1961 en miskent de regel van interna-tionaal gewoonterecht ne impediatur legatio.

In zoverre is het onderdeel gegrond.

Het tweede onderdeel hoeft niet nader onderzocht te worden. Het kan immers niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Mireille Delange et Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 22 november 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Diplomatieke immuniteit

  • Uitvoeringsimmuniteit

  • Diplomatieke missies

  • Bankrekeningen

  • Internationaal gebruik

  • Ne impediatur legatio