- Arrest van 26 november 2012

26/11/2012 - S.11.0007.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Bij de vaststelling van het toe te kennen bedrag van de inkomensgarantie worden de in rekening te brengen pensioenen, enerzijds, en de andere bestaansmiddelen, anderzijds, afzonderlijk onderzocht en in mindering gebracht op het artikel 6 bepaalde jaarbedrag.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.11.0007.N

RIJKSDIENST VOOR PENSIOENEN, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Zuider-toren, Baraplein 3,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 36, waar de eiseres woon-plaats kiest,

tegen

M.H.,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 21 oktober 2010.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Artikel 7, § 1, eerste lid, van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen, hierna: Wet Inkomensgarantie Ouderen, bepaalt dat de inkomensgarantie enkel kan worden toegekend na onderzoek van de be-staansmiddelen en van de pensioenen. Alle bestaansmiddelen en pensioenen, van welke aard of oorsprong ook, waarover de betrokkene en/of de personen waarmee hij dezelfde hoofdverblijfplaats deelt, beschikken, komen in aanmerking voor de berekening van de inkomensgarantie, behalve de door de Koning bepaalde uit-zonderingen.

Artikel 7, § 1, derde lid, Wet Inkomensgarantie Ouderen bepaalt dat wanneer de betrokkene aan de in artikel 6, § 2, bepaalde voorwaarden voldoet, voor de bere-kening van de inkomensgarantie enkel rekening gehouden wordt met de be-staansmiddelen en de pensioenen waarover hij persoonlijk beschikt.

Artikel 7, § 1, vierde lid, Wet Inkomensgarantie Ouderen bepaalt dat de Koning bepaalt met welke bestaansmiddelen bij het vaststellen van de inkomensgarantie geen rekening wordt gehouden.

2. Zoals ook blijkt uit de wetsgeschiedenis, volgt uit de voormelde bepalingen dat door deze wet een onderscheid wordt gemaakt tussen de pensioenen, ener-zijds, en de andere bestaansmiddelen, anderzijds.

3. Artikel 7, § 2, eerste lid, Wet Inkomensgarantie Ouderen bepaalt dat het to-taal van de in paragraaf 1 bedoelde bestaansmiddelen en de pensioenen, na aftrek van de in de artikelen 8 tot 10 en 12 bedoelde vrijstellingen, gedeeld wordt door het aantal personen die dezelfde hoofdverblijfplaats delen, de betrokkene inbegre-pen.

Krachtens artikel 7, § 2, tweede lid, Wet Inkomensgarantie Ouderen wordt het re-sultaat van deze berekening, na aftrek van de in artikel 11 bedoelde vrijstelling, in mindering gebracht op het in artikel 6, § 1 of § 2, bedoelde jaarbedrag.

4. Krachtens artikel 11 Wet Inkomensgarantie Ouderen wordt de inkomensga-rantie enkel met dat gedeelte van de bestaansmiddelen verminderd dat het door de Koning vastgesteld bedrag overschrijdt.

In uitvoering van deze bepaling bepaalt artikel 26 van het koninklijk besluit van 23 mei 2001 tot instelling van een algemeen reglement betreffende de inkomens-garantie voor ouderen, hierna: Algemeen Reglement Inkomensgarantie Ouderen, dat het bedrag van de inkomensgarantie, beoogd bij artikel 6 van de wet, wordt verminderd met het gedeelte van de bestaansmiddelen dat 625 euro of 1000 euro per jaar overschrijdt naargelang het geval.

5. Artikel 12, eerste lid, Wet Inkomensgarantie Ouderen bepaalt dat bij het in aanmerking nemen van de pensioenen wordt rekening gehouden met hun werke-lijk uitgekeerd bedrag en met alle andere voordelen die werden toegekend aan de betrokkene en/of aan de personen waarmee hij dezelfde hoofdverblijfplaats deelt.

Krachtens artikel 12, tweede lid, 2°, Wet Inkomensgarantie Ouderen kan de Ko-ning bepalen in hoeverre de in het eerste lid bedoelde pensioenen en andere voor-delen niet op de inkomensgarantie in mindering gebracht worden.

In uitvoering van deze laatste bepaling bepaalt artikel 22 Algemeen Reglement Inkomensgarantie Ouderen dat bij het in mindering brengen van de pensioenen op het bedrag van de inkomensgarantie rekening wordt gehouden met 90 % van de in artikel 12 van de wet bedoelde voordelen waarop de aanvrager en/of de perso-nen waarmee hij dezelfde hoofdverblijfplaats deelt, gerechtigd zijn.

6. Uit de samenhang van de voormelde bepalingen volgt dat bij de vaststelling van het toe te kennen bedrag van de inkomensgarantie, de in rekening te brengen pensioenen, enerzijds, en de andere bestaansmiddelen, anderzijds, afzonderlijk worden onderzocht en in mindering gebracht op het in artikel 6 bepaalde jaarbe-drag.

7. Het arrest dat de vrijstelling die krachtens artikel 11 van de wet en artikel 26 van het algemeen reglement moet worden toegepast op de bestaansmiddelen, toe-past op de pensioenen, schendt artikel 7 Wet Inkomensgarantie Ouderen.

Het middel is gegrond.

Kosten

8. Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, dient de ei-ser te worden veroordeeld in de kosten.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Antwerpen.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 140,31 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Mireille Delange en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 26 november 2012 uitgesproken door raadsheer Beatrijs

Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bij-stand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols A. Lievens M. Delange

K. Mestdagh A. Smetryns B. Deconinck

Vrije woorden

  • Inkomensgarantie

  • Berekening

  • Onderzoek

  • Bestaansmiddelen

  • Pensioenen

  • Onderscheid