- Arrest van 3 december 2012

03/12/2012 - S110114F-S110115F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Voor de toepassing van de wet van 19 maart 1991, wordt de sluiting van een afdeling van de onderneming gedefinieerd als de definitieve stopzetting van de hoofdactiviteit van die afdeling.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.11.0114.F

1. S. M.,

2. J. C.,

3. D. P.,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

LE NOUVEAU PALACE nv,

Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie.

Nr. S.11.0115.F

1. K. B.,

2. A. D.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

LE NOUVEAU PALACE nv,

Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 23 mei 2011.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

In het cassatieberoep dat op de algemene rol is ingeschreven onder het nummer S.11.0114.F, voeren de eisers twee middelen aan die luiden als volgt:

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 2, § 1, eerste lid, en 3, § 1, inzonderheid derde lid, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden;

- voor zoveel nodig, de artikelen 1, § 2, 5°, 16 en 17 van de wet van 19 maart 1991.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk en gegrond. Het wijzigt het beroepen vonnis, verklaart de vordering van de eisers ongegrond en wijst deze af, en veroordeelt hen in de kosten van de beide aanleggen. Het arrest stoelt zijn beslissing op de hierna vermelde redenen:

"III. In rechte

Inleiding

Er dient te worden aan herinnerd dat artikel 3 van de wet van 19 maart 1991 bepaalt dat: (...)

Er moet dus worden nagegaan of de 'dienst' waarin de [eisers] waren tewerkgesteld een afdeling van de onderneming was in de zin van artikel 3 van de wet van 19 maart 1991 (...).

Onderzoek van de eerste voorwaarde: was de technische of onderhoudsdienst waarvan de [eisers] deel uitmaakten een 'afdeling' in de zin van artikel 3 van de wet van 19 maart 1991?

Zoals de partijen, zowel (de verweerster) als (de eisers), doen opmerken, definieert de wet het begrip 'afdeling' niet.

Het Hof van Cassatie heeft, in het raam van de toepassing van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen, dat begrip in zijn arrest van 4 februari 2002 gedefinieerd: 'een afdeling van een onderneming (...) is een onderdeel van een onderneming dat een zekere samenhang vertoont en zich onderscheidt van de rest van de onderneming door een eigen technische onafhankelijkheid en door een onderscheiden duurzame activiteit of bedrijvigheid en personeelsgroep'( Cass., 4 feb. 2002, J.T.T., 2002, p. 473 en volg.)

De commentaar bij dat arrest luidt: ‘Het begrip "afdeling van een onderneming" komt voor in andere reglementeringen dan die inzake de sluiting van ondernemingen. Zoals artikel 3, § 1, van de wet van 19 maart 1991 (...). De definitie die het Hof van Cassatie hier geeft van de afdeling van een onderneming is dienend voor de toepassing van die wettelijke bepalingen (noot onder Cass., 4 feb. 2002, J.T.T., 2002, p. 475).

De eerste rechter heeft gewezen op de definitie waaraan de partijen hadden gerefereerd maar weliswaar anders hadden toegepast op het voorliggende geval, en heeft vervolgens geoordeeld dat de technische dienst van het hotel van [de verweerster] niet kon worden beschouwd als een 'afdeling' omdat 'de onderhoudsdienst integraal deel uitmaakt van de exploitatie zelf van de onder-neming, hier een hotel, en dus van de hoofdactiviteit ervan'.

Om zijn beslissing te staven heeft de eerste rechter verwezen naar een arrest van het arbeidshof te Bergen dat door de (eisers) was aangevoerd en een schoonmaakdienst betrof, en gesteld dat 'een schoonmaakdienst wel degelijk kan worden vergeleken met de onderhoudsdienst waarvan de verweerders deel uitmaakten'. Hij heeft vervolgens eraan toegevoegd; 'Daaruit volgt dat de onderhoudsdienst van de eigendom van het hotel geen afdeling van een onderneming is'.

Aangezien de eerste rechter oordeelde dat de technische dienst van het hotel geen 'afdeling' was heeft hij op volledig coherente wijze de andere voorwaarden en beoordelingscriteria die hem waren voorgelegd achterwege gelaten.

Het arbeidshof heeft gemeend de eerste rechter hierin niet te kunnen volgen.

Vooreerst heeft het erop gewezen dat het Hof van Cassatie, in tegenstelling tot de redenering van de eerste rechter, in het hierboven vermeld arrest precies geoordeeld heeft dat een schoonmaak- en onderhoudsdienst, onder bepaalde voorwaarden die verder worden gepreciseerd, kan beschouwd worden als een afdeling van een onderneming.

Het geval waarover het Hof van Cassatie uitspraak moest doen handelde over het ontslag van 163 werkneemsters die verbonden waren aan de onderhoudsdienst van een grote Belgische bank, op verschillende plaatsen daarenboven aangezien die bank naast de burelen van haar administratieve zetel talrijke agentschappen in haar bezit had.

Hoewel die werkneemsters van meerdere entiteiten afhingen en onder de verantwoordelijkheid hetzij van de dienst beheer van gebouwen, hetzij van het kantoor stonden, heeft het arbeidshof te Brussel beslist dat zij deel uitmaken van een 'afdeling' van de onderneming, en die beslissing is op dat punt niet vernietigd.

Het Hof van Cassatie heeft de 'afdeling' gedefinieerd, zoals vermeld, en zijn beslissing als volgt gemotiveerd:

'Dat het arrest oordeelt dat de activiteit van de interne schoonmaakdienst, het schoonmaakwerk, een duurzame activiteit betrof, onderscheiden van de hoofdactiviteit van de eiseres en uitgeoefend door een onderscheiden personeelsgroep die om hun prestaties te kunnen uitvoeren over onderscheiden productiemiddelen beschikte; dat het arrest aldus aangeeft dat de interne schoonmaakdienst een eigen technische onafhankelijkheid had;

Dat het arrest op grond hiervan vermocht te oordelen dat de herstructurering van de afdeling beheer van gebouwen van de eiseres met de verdwijning van de volledige schoonmaakploeg van ongeveer 163 werkneemsters, de stopzetting was van de hoofdactiviteit van een afdeling van de eiseres'.

In de zaak waarover het arbeidshof uitspraak moet doen wordt niet betwist dat de werknemers die (de verweerster) besloot te ontslaan tot dezelfde beroepscategorie behoorden, en blijkt dat zij een specifiek onderhoudswerk uitvoerden in een ploeg die een onderscheiden entiteit vormt van de rest van de onderneming en een duidelijke technische onafhankelijkheid heeft.

De technische dienst waartoe zij behoorden stelde immers zijn eigen werknemers tewerk, had een eigen directeur en organisatie. Die werknemers beschikten over aparte lokalen en ook over specifiek en onderscheiden materieel en werktuigen, die verband hielden met de aard van hun opdracht, namelijk het onderhoud en kleine herstellingen.

Het maakt niet uit dat de activiteiten van de technische dienst verbonden waren met de activiteiten van de onderneming.

Die omstandigheid verhindert niet dat die 'dienst' of 'afdeling' beschouwd kan worden als een 'afdeling' van de onderneming.

Het arbeidshof heeft inderdaad erop gewezen dat het Hof van Cassatie bij zijn uitspraak over de voornoemde zaak geoordeeld heeft dat het arbeidshof te Brussel, rekening houdend met de hiervoor ook reeds vermelde criteria, met name terecht kon beslissen dat de onderhoudsploeg van de bank een 'afdeling' ervan was.

Men kan echter niet ontkennen dat deze onderhoudsploeg ook op soortgelijke wijze verbonden was met de activiteiten van de onderneming waarin ze werkten als de schoonmaakploeg in het hotel aangezien het onderhoud en het schoonmaken van de bureaulokalen van de bank en haar agentschappen een activiteit is die onontbeerlijk is voor de bank en trouwens voor elke onderneming.

Het arbeidshof heeft dus, rekening houdend met het voorgaande geoordeeld dat de dienst waarin de geïntimeerden werkten wel degelijk een 'afdeling' was voor de toepassing van artikel 3 van de wet van 19 maart 1991. (...)

5. Besluit

Uit het voorgaande volgt dat de (eisers) wel degelijk werden ontslagen in het raam van de sluiting van de dienst van het hotel die een afdeling was van de onderneming.

Het ontslag van de (eisers) is regelmatig.

Hun vordering tot betaling van beschermingsvergoedingen met toepassing van de wet van 19 maart 1991 is bijgevolg niet gegrond.

Grieven

Artikel 2, § 1, eerste lid, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden bepaalt dat de personeels-afgevaardigden en de kandidaat-personeelsafgevaardigden slechts kunnen worden ontslagen (...) om economische of technische redenen die vooraf door het bevoegd paritair orgaan werden erkend.

Overeenkomstig artikel 3, § 1, van voornoemde wet moet de werkgever die een personeelsafgevaardigde of een kandidaat-personeelsafgevaardigde wil ontslaan om economische of technische redenen in principe vooraf de zaak aanhangig maken bij het bevoegd paritair comité om het bestaan van economische of technische redenen te laten erkennen (eerste lid). Dat bevoegd paritair comité moet zich uitspreken over het al dan niet bestaan van economische of technische redenen binnen de door de wet gestelde termijn (tweede lid).

In dit geval wordt niet betwist dat de eisers de hoedanigheid hadden van beschermde werknemers in de zin van de wet van 19 maart 1991, dat de werkgever de erkenning had gevraagd van economische of technische redenen en dat het bevoegd paritair comité zich niet had kunnen uitspreken binnen de hem opgelegde termijn.

Het derde lid van voornoemd artikel 3, § 1, van de wet van 19 maart 1991 bepaalt dat bij ontstentenis van beslissing van het paritair orgaan binnen de termijn vastgesteld in het tweede lid, de werkgever de beschermde werknemer enkel mag ontslaan in geval van sluiting van de onderneming of van een afdeling van de onderneming of in geval van het ontslag van een welbepaalde personeelsgroep.

Aldus worden de hypotheses waarin het ontslag mogelijk blijft niettegenstaande er geen beslissing is van het paritair comité restrictief bepaald en vormen zij uitzonderingen die restrictief moeten worden uitgelegd ,aangezien de wet van 19 maart 1991 de personeelsverantwoordelijken tegen elke vorm van discriminatie wil beschermen zodat zij zich vrij kandidaat kunnen stellen voor de sociale verkiezingen en desgevallend hun mandaat uitoefenen. Die wettelijke bescherming is van openbare orde.

Overeenkomstig artikel 1, § 2, 5°, van de wet van 19 maart 1991 is een onderneming, in de zin van die wet, de technische bedrijfseenheid in de zin van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en van de wet van 10 juni 1952 betreffende de gezondheid en de veiligheid van de werknemers alsmede de salubriteit van de werkplaatsen (thans de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk).

Een afdeling van de onderneming in de zin van artikel 3 van de wet van 19 maart 1991 is een onderdeel van een onderneming dat een zekere samenhang vertoont en zich onderscheidt van de rest van de onderneming door een technische onafhankelijkheid en door een onderscheiden en duurzame activiteit en een onderscheiden personeel.

De afdeling van de onderneming in de zin van die wet moet bijgevolg een activiteit ontwikkelen die zich niet alleen onderscheidt van de rest van de onderneming door een technische onafhankelijkheid en een onderscheiden personeel, maar ook door een onderscheiden en duurzame activiteit.

Zoals de eisers in hun aanvullende syntheseconclusie aanvoerden, veronderstelt het begrip afdeling van een onderneming het bestaan van een duurzame, specifieke, identificeerbare activiteit onderscheiden van de hoofdactiviteit van de onderneming.

Er werd niet betwist dat de eisers deel uitmaakten van de technische dienst die kleine herstellingen en dagelijks onderhoud moest uitvoeren. De eisers hebben in hun conclusie erop gewezen dat de hoofdactiviteit van de onderneming de ex-ploitatie was van het Crown Plaza Hotel City Center en dat de activiteit van de eisers en ook van de andere werknemers van de technische dienst geen verschillend doel had onderscheiden van dat van de onderneming zelf. De eisers voerden aan dat de activiteit van de eisers, namelijk onderhoud en herstelling van courante gebruiksvoorwerpen en installaties, voortsproot uit de hoofdactiviteit, rechtstreeks bijdroeg tot de exploitatie van het hotel en kaderde in die exploitatie. Zoals de eisers voorhielden, is de onderhoudsdienst van het hotel slechts één van de diensten die onontbeerlijk zijn voor de werking ervan, zoals ook de dienst voor de kamers, housekeeping, keuken, ...die allen deel uitmaken van het geheel van menselijke en technische middelen die nodig zijn voor de verwezenlijking van het maatschappelijk en voornaamste doel van de onderneming. Aldus kunnen de werknemers van die onderhoudsdienst hoogstens worden gezien als een bepaalde personeelsgroep maar niet als een afdeling, aangezien het arbeidshof niet heeft vastgesteld dat de onderhoudsdienst onderscheiden kon zijn van de exploitatie van het hotel zelf en dat die dienst een duurzame en zelfstandige activiteit zou ontwikkelen die kan worden afgescheiden van de exploitatie van het hotel.

Het arrest heeft dus niet naar recht kunnen oordelen dat het niet uitmaakt dat de activiteiten van de technische dienst verbonden waren met de activiteiten van de onderneming en dat die omstandigheid niet van aard is te verhinderen dat die 'dienst' beschouwd kan worden als een "afdeling van de onderneming".

Hoewel het arrest vaststelt dat de eisers "tot dezelfde beroepscategorie behoorden, een specifiek onderhoudswerk uitvoerden binnen een ploeg die een onderscheiden entiteit vormde van de rest van de onderneming en een duidelijke technische onafhankelijkheid had" en dat de werknemers van de technische dienst een eigen directeur en organisatie hadden en over aparte lokalen en ook over specifiek onderscheiden materieel en werktuigen beschikten, die verband hielden met de aard van hun opdracht, namelijk onderhoud en kleine herstellingen, stelt het echter niet als dusdanig vast dat het een duurzame, specifieke, identificeerbare activiteit betrof die onderscheiden was van de hoofdactiviteit van de onderneming.

Aldus kon het arrest op grond van de feitelijke, onaantastbaar vastgestelde elementen niet wettig besluiten dat de technische dienst waarvan de eisers deel uitmaakten, een afdeling van een onderneming was in de zin van artikel 3, § 1, derde lid, van de wet van 19 maart 1991, waardoor de verweerster bij ontstentenis van een beslissing van het bevoegd paritair comité over het bestaan van economische en technische redenen, de eisers mocht ontslaan (schending van voornoemd artikel 3, § 1, inzonderheid derde lid, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de on-dernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden).

Daaruit volgt dat het arrest de vordering van de eisers tot betaling van de bij de artikelen 16 en 17 van diezelfde wet bepaalde vergoedingen niet wettig afwijst (schending van de artikelen 2, § 1, eerste lid, 16 en 17 van die wet).

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1, § 2, 6°, 2, § 1, eerste lid, en 3, § 1, inzonderheid derde lid, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden;

- voor zoveel nodig, de artikelen 16 en 17 van de wet van 19 maart 1991.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk en gegrond. Het wijzigt het beroepen vonnis, verklaart de vordering van de eisers ongegrond en wijst deze af, en veroordeelt hen in de kosten van de beide aanleggen. Het arrest stoelt zijn beslissing op de hierna vermelde redenen:

"III. In rechte

1. Inleiding

Er dient te worden aan herinnerd dat artikel 3 van de wet van 19 maart 1991 bepaalt dat: (...)

Er moet dus worden nagegaan: (...) indien vaststaat dat de voornoemde 'dienst' een 'afdeling' is, of het hier een 'sluiting' betreft in de zin van artikel 1, § 2, 6°, van de wet van 19 maart 1991 (...).

3. Onderzoek van de tweede voorwaarde: betrof het hier een 'sluiting' van de 'afdeling van een onderneming' in de zin van artikel 1, § 2, 6°, van de wet van 19 maart 1991?

Er moet aan herinnerd worden dat artikel 1, § 2, 6°, van de wet van 19 maart 1991 preciseert dat men onder sluiting 'elke definitieve stopzetting van de hoofdactiviteit van de onderneming of van een afdeling ervan' moet verstaan.

(De verweerster) betoogt dat: 'de technische dienst in de zin van die definitie werd gesloten: de dienst bestaat niet meer, de arbeidsovereenkomsten van alle in die dienst tewerkgestelde werknemers werden beëindigd. Als gevolg van die sluiting stelt de (verweerster) geen enkele werknemer meer tewerk die soortgelijke opdrachten als die van de vroegere technische dienst uitvoert. Aangezien die dienst niet meer bestaat, zijn de activiteiten ervan dus definitief stopgezet'.

De (eisers) betogen van hun kant dat (de verweerster) 'niet bewijst dat zij geen enkele persoon (...) meer inschakelt voor de dagelijks onderhoudsactiviteiten' en dat 'als de activiteit aan een derde is uitbesteed er trouwens geen sprake kan zijn van het verdwijnen van de activiteit', ervan uitgaand dat 'de wet de sluiting niet definieert ten aanzien van de organisatie van de activiteit maar van de activiteit zelf'.

Het arbeidshof heeft geoordeeld dat de stelling van (de verweerster) helemaal pertinent is en niet wordt ontkracht door de voortzetting van de onderhoudsprestaties.

Artikel 1 van de wet van 19 maart 1991 dat hiervoor gedeeltelijk werd aangehaald, beoogt immers duidelijk de stopzetting van de activiteit van de onderneming of van een afdeling.

De overweging dat de definitie van sluiting als bepaald in artikel 1 van de wet van 19 maart 1991 'impliceert dat er een sluiting van een afdeling is wanneer de activiteiten van die afdeling niet meer worden uitgevoerd door die afdeling die ophoudt te bestaan binnen de onderneming' blijkt volledig conform de bewoordingen van die bepaling te zijn.

De (eisers) die betogen dat de wet de sluiting bepaalt ten aanzien van de activiteit zelf, interpreteren zodoende zelf de toepasselijke bepaling daarbij vergetend dat die expliciet stelt dat de stopzetting in kwestie de stopzetting is van de activiteit die door die afdeling wordt uitgeoefend.

Aangezien de afdeling niet meer bestaat en alle werknemers ontslagen werden, kan zij echter geen enkele activiteit meer uitoefenen.

Het arbeidshof wil overigens erop wijzen dat het Hof van Cassatie in zijn arrest van 4 februari 2002, bij het onderzoeken van de voorgelegde elementen, weliswaar in het raam van de toepassing van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen, heeft geoordeeld dat de herstructurering van de dienst beheer van gebouwen waarbij de hele onderhoudsploeg werd opgedoekt en vervangen door onderaannemers, de stopzetting van de hoofdactiviteit van de onderneming betekende.

Het ging beslist om het vaststellen van een stopzetting van de activiteit.

Artikel 1, § 2, 6°, van de wet van 19 maart 1991, van toepassing op de zaak die het arbeidshof moet onderzoeken, beoogt echter precies de definitieve stopzetting van de activiteit van de onderneming of van de afdeling.

Daaruit volgt dat de stelling van de (eisers) niet kan worden gevolgd.

Het arbeidshof wil benadrukken, voor zoveel nodig, dat de onderhoudsprestaties, die nog steeds nodig zijn, nog wel degelijk moesten worden geleverd na de sluiting van de technische afdeling van (de verweerster).

Laatstgenoemde beweert trouwens niet het tegendeel.

Uit de overgelegde stukken en elementen blijkt dat die prestaties, sinds het ontslag van (de eisers), niet door één onderaannemer werden geleverd maar door een reeks gespecialiseerde aannemers.

(De verweerster) wijst erop dat zij niet 'op één enkele leverancier een beroep heeft gedaan maar op een dertigtal gespecialiseerde leveranciers, waaronder ondernemingen voor engineering, algemene herstellingen, verwarming, afkoeling/airconditioning, loodgieterij en sanitair, schrijnwerkerij, dakbedekking, informatica, elektriciteit, schilderwerken, keukenuitrusting'.

Met die opsomming en de overgelegde stukken staaft zij die bewering.

Daaruit volgt dat, zelfs in de veronderstelling dat de stelling van de (eisers) klopt, namelijk dat de sluiting van de afdeling ten aanzien van de activiteit zelf bepaald is, quod non gelet op het voorgaande, deze niet kan worden toegepast aangezien de onderhoudsactiviteit die werd uitgeoefend door de afdeling waartoe zij behoorden niet meer bestaat en de daarmee gepaard gaande prestaties respectievelijk werden toevertrouwd aan verschillende ondernemers of leveranciers in functie van hun aard en specificiteit.

Er is dus geen onderhoudsactiviteit meer maar er worden verschillende prestaties aangevraagd met een frequentie die varieert in functie van de behoeften en noden van het moment aan ondernemingen die zo uiteenlopend en verschillend zijn als er toestellen, machines, meubels of voorwerpen zijn die moeten hersteld, vervangen of onderhouden worden in het hotel.

Het arbeidshof wil benadrukken, nog steeds voor zoveel nodig, dat de beweringen van de (eisers) om de argumenten van (de verweerster) te ontkrachten door te stellen dat laatstgenoemde reeds vóór hun ontslag een beroep deed op de firma's en ondernemingen, relevant, noch pertinent zijn.

(De eiseres) betwist immers geenszins dat zij vroeger een beroep heeft gedaan op externe firma's, wanneer haar technische dienst die prestaties of diensten niet kon verrichten omdat zij te complex, te technisch of te specifiek waren of omdat zij in sommige gevallen, zoals het onderhoud van de liften, gespecialiseerde en bovendien erkende firma's diende te gebruiken.

De overgelegde stukken tonen echter duidelijk een toenemende samenwerking aan tussen (de verweerster) en die firma's en ondernemingen die permanent beschikbaar blijken te zijn.

Uit het voorgaande volgt dat de tweede voorwaarde, namelijk de reële 'sluiting' van de afdeling van een onderneming, eveneens is vervuld.

5. Besluit

Uit het voorgaande volgt dat de (eisers) wel degelijk ontslagen zijn in het kader van de sluiting van de dienst van het hotel die een afdeling van de onderneming was.

Het ontslag van de (eisers) is regelmatig.

Hun vordering tot betaling van beschermingsvergoedingen met toepassing van de wet van 19 maart 1991 is bijgevolg ongegrond."

Grieven

Artikel 2, § 1, eerste lid, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen, alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden bepaalt dat de personeels-afgevaardigden en de kandidaat-personeelsafgevaardigden slechts kunnen worden ontslagen (...) om economische of technische redenen die vooraf door het bevoegd paritair orgaan werden erkend.

Overeenkomstig artikel 3, § 1, van voornoemde wet moet de werkgever die een personeelsafgevaardigde of een kandidaat-personeelsafgevaardigde om economische of technische redenen wil ontslaan in principe vooraf de zaak aanhangig maken bij het bevoegd paritair comité om het bestaan van economische of technische redenen te laten erkennen (eerste lid). Dat bevoegd paritair comité moet zich uitspreken binnen de door de wet gestelde termijn (tweede lid).

In dit geval wordt niet betwist dat de eisers de hoedanigheid hadden van beschermde werknemers in de zin van de wet van 19 maart 1991, dat de werkgever de erkenning had gevraagd van economische of technische redenen en dat het bevoegd paritair comité zich niet had kunnen uitspreken binnen de hem opgelegde termijn.

Het derde lid van voornoemd artikel 3, § 1, van de wet van 19 maart 1991 bepaalt dat bij ontstentenis van beslissing van het paritair orgaan binnen de termijn, vastgesteld in het tweede lid, de werkgever de beschermde werknemer enkel mag ontslaan in geval van sluiting van de onderneming of van een afdeling van de onderneming of in geval van het ontslag van een welbepaalde personeelsgroep.

Aldus worden de hypotheses waarin het ontslag mogelijk blijft, bij ontstentenis van een beslissing van het paritair comité, restrictief bepaald en vormen zij uitzonderingen die restrictief moeten worden geïnterpreteerd, aangezien de wet van 19 maart 1991 erop gericht is de personeelsverantwoordelijken tegen elke vorm van discriminatie te beschermen zodat zij zich vrij kandidaat kunnen stellen voor de sociale verkiezingen en desgevallend hun mandaat uitoefenen. Die wettelijke bescherming is van openbare orde.

Artikel 1, § 2, 6°, van de wet van 19 maart 1991 bepaalt dat men onder sluiting 'elke definitieve stopzetting van de hoofdactiviteit van de onderneming of van een afdeling ervan' moet verstaan. De sluiting, zoals bepaald bij de wet van 19 maart 1991, impliceert het onherroepelijk stopzetten, schorsen van de activiteit in kwestie. Het gaat dus om de definitieve stopzetting van de activiteit van de onderneming of van een afdeling ervan en niet om de stopzetting van die activiteit door de onderneming of afdeling ervan.

De wet van 19 maart 1991 bepaalt de sluiting (van een afdeling) niet ten aanzien van de organisatie van de activiteit maar ten aanzien van de volledige en definitieve verdwijning van de activiteit zelf, aangezien discriminatie van beschermde werkgevers minder te vrezen valt wanneer hun ontslag verband houdt met het volledig en definitief verdwijnen van de activiteit.

Het opgeven van de exploitatie van die activiteit door de afdeling van de onderneming staat niet gelijk met de definitieve stopzetting van die activiteit vermits die ook kan worden uitgeoefend door andere personeelsleden van andere af-delingen of door derden zoals onderaannemers of gespecialiseerde aannemers.

Er werd niet betwist dat de eisers deel uitmaakten van de technische dienst die instond voor het dagelijks onderhoud en kleine herstellingen bij de exploitatie van het hotel.

Het arrest heeft niet naar recht kunnen oordelen dat de "sluiting van een afdeling van een onderneming", in de zin van de wet van 19 maart 1991, niet ten aanzien van de activiteit zelf was bepaald.

Het arrest stelt vast dat de onderhoudsprestaties, die nog steeds nodig waren, nog moesten geleverd worden na de zogenaamde "sluiting" van de technische dienst van de onderneming, dat de verweerster het tegendeel niet beweerde en dat die prestaties, sinds het ontslag van de eisers niet door één onderaannemer worden uitgevoerd maar door een reeks gespecialiseerde aannemers. Het kon zodoende niet naar recht besluiten dat er te dezen sprake was van "een sluiting van een afdeling van de onderneming" waardoor de verweerster, bij ontstentenis van een beslissing van het bevoegd paritair comité over het bestaan van economische en technische redenen, de eisers mocht ontslaan (schending van de artikelen 1, § 2, 6°, en 3, § 1, inzonderheid derde lid, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de on-dernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden).

Daaruit volgt dat het arrest de vordering van de eisers tot betaling van de vergoedingen beoogd in de artikelen 16 en 17 van voornoemde wet niet wettig kon afwijzen (schending van de artikelen 2, § 1, eerste lid, 16 en 17 van voornoemde wet).

In het cassatieberoep dat op de algemene rol is ingeschreven onder het nummer S.11.0115.F, voeren de eisers twee middelen aan.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

De cassatieberoepen moeten worden samengevoegd aangezien zij tegen hetzelfde arrest gericht zijn.

Cassatieberoep ingeschreven op de algemene rol onder het nummer S.11.0114.F

Eerste middel

Krachtens artikel 3, § 1, derde en vierde lid, Wet Ontslagregeling Personeelsafge-vaardigden mag de werkgever, bij ontstentenis van beslissing van het paritair or-gaan binnen de vastgestelde termijn over het bestaan van de economische of tech-nische redenen waarvoor hij tot ontslag wil overgaan en alvorens de arbeidsge-rechten het bestaan van de economische of technische redenen erkend hebben, een beschermde werknemer enkel ontslaan in geval van sluiting van de onderneming of van een afdeling van de onderneming.

Een afdeling van een onderneming in de zin van die bepalingen is een onderdeel van de onderneming dat een zekere samenhang vertoont en zich onderscheidt van de rest van de onderneming door een eigen technische autonomie, een onder-scheiden en duurzame activiteit en eigen personeel.

Het arrest stelt vast dat de eisers voor de verweerster werkten in de technische dienst die instond voor het onderhoud en de kleine herstellingen van het hotel dat laatstgenoemde uitbaatte; dat die dienst een eigen directeur, organisatie en perso-neel had en over aparte lokalen en ook over specifiek en onderscheiden materieel en werktuigen beschikte. Het arrest oordeelt, zonder daarin te worden bekritiseerd, dat "de werknemers die men besliste te ontslaan [...] tot dezelfde beroepscategorie behoorden, een specifiek werk uitvoerden [...] binnen een ploeg die een onderscheiden entiteit vormde van de rest van de onderneming en technisch onafhankelijk was." Het voegt eraan toe dat "het niet uitmaakt dat de activiteiten van de technische dienst verbonden waren met de activiteiten van de onderneming".

Op grond van die redenen, heeft het arrest kunnen beslissen dat de dienst waartoe de eisers behoorden, een afdeling van de onderneming uitmaakt in de zin van arti-kel 3, § 1, derde en vierde lid.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Voor het overige is het middel niet ontvankelijk, aangezien de vermeende schen-ding van de artikelen 2, § 1, 16 en 17 Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaar-digden volledig is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van de eerder genoemde wettelijk bepalingen.

Tweede middel

Overeenkomstig artikel 1, § 2, 6°, Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, wordt voor de toepassing van die wet de sluiting van een afdeling van de onder-neming gedefinieerd als de definitieve stopzetting van de hoofdactiviteit van die afdeling.

Het arrest stelt vast dat de technische dienst waartoe de eisers behoorden niet meer bestaat, dat de in die dienst tewerkgestelde werknemers ontslagen werden, dat de onderhouds- en herstellingsprestaties die nodig zijn voor de exploitatie van de onderneming van de verweerster niet aan één onderaannemer zijn toevertrouwd maar aan een reeks gespecialiseerde aannemers al naargelang hun aard en specifi-citeit, en besluit dat "de activiteit [...] uitgeoefend door de afdeling waartoe de ei-sers behoorden heeft opgehouden te bestaan".

Het arrest heeft kunnen beslissen dat die omstandigheden een sluiting van de afdeling van de onderneming vormden in de zin van de artikelen 1, § 2, 6°, en 3, § 1, derde en vierde lid.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Voor het overige is het middel niet ontvankelijk aangezien de vermeende schen-ding van de artikelen 2, § 1, 16 en 17 Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaar-digden volledig is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van de eerder genoemde wettelijk bepalingen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Voegt de cassatieberoepen ingeschreven op de algemene rol onder de nummers S.11.0114.F en S.11.0115.F.

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt iedere eiser in de kosten van zijn cassatieberoep en in die van de partij die zich tegen dit cassatieberoep verweert.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Alain Simon, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 3 december 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Afdeling van een onderneming

  • Sluiting