- Arrest van 5 december 2012

05/12/2012 - P.12.1292.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
In strafzaken betekent het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde met name dat wat strafrechtelijk is beslist, voor waar moet worden gehouden, en bijgevolg, in de regel, ook geldt voor de burgerlijke rechter waarbij de zaak later aanhangig wordt gemaakt; gezag van gewijsde vereist bijgevolg minstens dat een strafrechter ten gronde uitspraak heeft gedaan over het voorwerp van de strafvordering en dat de feiten die de strafrechter of de burgerlijke rechter worden voorgelegd, dezelfde zijn (1). (1) Zie M. Franchimont, A. Jacobs & A. Masset, Manuel de procédure pénale, Larcier, 2de uitg., 2006, p. 969-971.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1292.F

I. PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BER-GEN,

II. ETHIAS nv,

beide cassatieberoepen tegen

G. M.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen, correctionele kamer, van 29 juni 2012.

De eerste eiser voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Jean ridder de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoep van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Ber-gen

Het bestreden arrest oordeelt dat de onderzoeksmagistraat herhaaldelijk en met aandrang een uitgesproken negatief oordeel over de inverdenkinggestelde heeft uitgedrukt. Volgens de appelrechters kan niet worden gewaarborgd dat het onder-zoek op loyale en objectieve wijze is gevoerd. Die omstandigheid belet dat het recht van verdediging voor het vonnisgerecht correct wordt uitgevoerd en brengt het recht op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang. Op grond daar-van beslist het arrest dat de strafvordering niet ontvankelijk is.

Het middel voert aan dat die beslissing het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde miskent. De eiser voert twee arresten aan van een burgerlijke kamer van zijn hof van beroep, die de rechtsplegingen tot wraking hebben afgewezen die de verweerder tegen de onderzoeksrechter had ingesteld op grond van, met name, artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek.

In strafzaken betekent het door het middel aangevoerde algemeen rechtsbeginsel met name dat wat strafrechtelijk is beslist, voor waar moet worden gehouden en, bijgevolg, in de regel ook geldt voor de burgerlijke rechter bij wie de zaak later aanhangig wordt gemaakt.

Voor het gezag van gewijsde is bijgevolg minstens vereist dat de strafrechter ten gronde uitspraak heeft gedaan over het voorwerp van de strafvordering en dat de feiten die de strafrechter of de burgerlijke rechter achteraf worden voorgelegd, dezelfde zijn.

Hoewel er gezag van gewijsde kan bestaan van de strafvordering op de strafvordering en van de strafvordering op de burgerlijke rechtsvordering, bestaat er daarentegen, in de regel, geen gezag van gewijsde van burgerlijke zaken op het later gevoerde strafproces.

De afwijzing, door een burgerlijke kamer van het hof van beroep, van een tegen de onderzoeksmagistraat ingestelde vordering tot wraking wegens gewettigde verdenking, verbiedt de strafrechter die vervolgens kennisneemt van de strafvor-dering niet om deze niet-ontvankelijk te verklaren wegens de aan die magistraat toegeschreven partijdigheid.

Het middel, dat het tegendeel aanvoert, faalt naar recht.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. Cassatieberoep van de naamloze vennootschap Ethias

De eiseres voert geen middel aan.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eiseres, de naamloze vennootschap Ethias, tot de kosten van haar cassatieberoep en laat de kosten van de eerste eiser ten laste van de Staat.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 5 december 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Algemeen rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde