- Arrest van 11 december 2012

11/12/2012 - P.12.1816.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 2, § 4, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel vereist niet dat het Europees aanhoudingsbevel opgave doet van de verjaringstermijn van de in de uitvaardigende Staat uitgesproken straf; deze bepaling verhindert het onderzoeksgerecht niet de verjaringstermijn te beoordelen op grond van bijkomende informatie die nadien door de autoriteiten van die Staat wordt meegedeeld en aan de tegenspraak van de partijen is onderworpen (1). (1) Zie Cass. 8 dec. 2004, AR P.04.1540.F, AC 2004, nr. 601; Cass. 21 sept. 2005, AR P.05.1270.F, AC 2005, nr. 450; Cass. 1 maart 2006, AR P.06.0280.F, AC 2006, nr. 116; Cass. 13 dec. 2006, AR P.06.1557.F, AC 2006, nr. 648; Cass. 16 nov. 2010, AR P.10.1730.N, AC 2010, nr. 678.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1816.N

O. Y.,

persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd,

eiser,

met als raadsman mr. Raf Jespers, advocaat bij de balie te Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Broederminstraat 38, waar de eiser woonstkeuze doet.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 31 oktober 2012, gewezen op verwijzing in-volge het arrest van het Hof van 7 februari 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zeven middelen aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

I. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 16, § 1, en 2, § 4, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, alsmede miskenning van de motiveringsverplichting: door op grond van navolgende stukken te oordelen dat de verjaringstermijn van de in Bulgarije uitgesproken straf verstrijkt op 20 december 2015 en niet op 20 december 2010, zoals aangegeven in het Europees Aanhoudingsbevel, maakt de kamer van inbeschuldigingstelling een eigen beoordeling van die verjaringstermijn en stelt zij zich in de plaats van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit; het arrest beantwoordt bovendien niet op het door de eiser in zijn beroepsconclusie vermelde verweer.

2. Met de in het middel weergegeven redenen, beantwoordt het arrest het be-doelde verweer.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

3. Artikel 2, § 4, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel vereist niet dat het Eu-ropees aanhoudingsbevel opgave doet van de verjaringstermijn van de in de uit-vaardigende Staat uitgesproken straf. Deze bepaling verhindert het onderzoeksge-recht niet de verjaringstermijn te beoordelen op grond van bijkomende informatie die nadien door de autoriteiten van die Staat wordt meegedeeld en aan de tegen-spraak van de partijen is onderworpen.

In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

Tweede middel

4. Het middel voert schending aan van artikel 24 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het territorialiteitsbeginsel: de kamer van inbeschuldi-gingstelling verklaart zich ten onrechte territoriaal bevoegd; voor wat de uitleve-ring betreft, is enkel de raadkamer van de officiële woonplaats van degene wiens uitlevering wordt gevraagd, bevoegd.

5. Artikel 24 Wetboek van Strafvordering is enkel van toepassing in de geval-len waarin de Belgische strafgerechten bevoegd zijn om kennis te nemen van mis-drijven die buiten het Belgische grondgebied zijn gepleegd.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

6. Op grond van de artikelen 23, 47, 62bis en 69 Wetboek van Strafvordering zijn gelijkelijk bevoegd, het openbaar ministerie, de onderzoeksrechter en de on-derzoeksgerechten van de plaats van het misdrijf, die van de verblijfplaats van de verdachte en die van de plaats waar de verdachte kan worden gevonden. Deze gronden van territoriale bevoegdheid, waartussen geen hiërarchie bestaat, zijn ook van toepassing in geval van de uitlevering van een persoon met een officiële woonplaats in België.

7. In zoverre faalt het middel eveneens naar recht.

Derde middel

8. Het middel voert schending aan van artikel 8 Wet Europees Aanhoudings-bevel, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging.

9. Het middel voert in geen van zijn onderdelen aan hoe en waardoor het arrest het recht van verdediging miskent.

In zoverre is het middel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

10. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte de toepassing van artikel 8 Wet Europees Aanhoudingsbevel afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de in de uitvaardigende Staat uit te spreken straf in België nog uitvoerbaar moet zijn; artikel 8 bepaalt echter niet dat de straf overeenkomstig de Belgische wetgeving wordt uitgevoerd, maar wel dat de uitgeleverde persoon naar België wordt terug-gezonden om de in de uitvaardigende Staat uitgesproken straf te ondergaan.

11. Artikel 8 Wet Europees Aanhoudingsbevel heeft niet alleen betrekking op een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op de instelling van vervolgingen, maar ook op zulk bevel dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf die bij verstek is uitgesproken ten aanzien van een persoon die niet in kennis is gesteld van de datum en plaats van de rechtszitting die aan de veroordeling is voorafgegaan en waartegen die persoon nog over een rechtsmiddel beschikt.

12. Artikel 39, § 2, van de wet van 15 mei 2012 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatre-gelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie bepaalt dat, indien België de overlevering onderwerpt aan de voorwaarde dat de persoon, na in een andere lidstaat te zijn berecht, wordt teruggezonden naar het Belgische grondgebied ten-einde daar de sanctie te ondergaan die te zijnen laste werd uitgesproken, de terri-toriaal bevoegde procureur des Konings overgaat tot het onderzoek van de weige-ringsgronden en indien nodig tot de aanpassing van de straf, en dat de sanctie ver-volgens wordt ten uitvoer gelegd overeenkomstig de bepalingen van deze wet.

Artikel 18 van die wet bepaalt de regels van de omzetting van de straf naar Bel-gisch recht.

Krachtens artikel 12 van die wet wordt de tenuitvoerlegging geweigerd wanneer de tenuitvoerlegging van de beslissing volgens het Belgische recht is verjaard.

13. Uit die bepalingen volgt dat de in een andere lidstaat van de Europese Unie uitgesproken straf in België slechts kan worden ondergaan in zoverre die straf naar Belgisch recht niet is verjaard.

14. Artikel 4, 4° Wet Europees Aanhoudingsbevel laat het onderzoeksgerecht enkel toe de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wegens de verjaring van de straf naar Belgisch recht te weigeren in zoverre de Belgische ge-rechten bevoegd zijn om kennis te nemen van de feiten.

15. Deze bepaling en het beginsel van de wederzijdse erkenning van buiten-landse strafrechtelijk beslissingen laten het onderzoeksgerecht dat op het ogenblik van zijn beslissing vaststelt dat de in de uitvaardigende Staat uitgesproken straf naar Belgisch recht reeds verjaard is, niet toe de overlevering van een Belg of een in België verblijvende persoon die in de uitvaardigende Staat bij verstek werd veroordeeld tot een straf volgens de hierboven vermelde omstandigheden, afhan-kelijk te stellen van de voorwaarde vermeld in artikel 8 Wet Europees Aanhou-dingsbevel. Het onderzoeksgerecht mag immers de in de uitvaardigende Staat eventueel nog uit te spreken straf niet doelloos maken.

Het onderdeel dat geheel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Eerste onderdeel

16. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte artikel 8 Wet Europees Aanhoudingsbevel niet toepast omdat het bevel niet is uitgevaardigd met het oog op de instelling van de vervolging maar wel met het oog op de uitvoering van de straf; zodoende miskent de kamer van inbeschuldigingstelling het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 28/2011 van 24 februari 2011.

17. Het arrest oordeelt (ro 56): "Bovendien is het zo dat de bepalingen van arti-kel 8 van de wet betreffende het EAB impliceren dat de straf in België nog uit-voerbaar zal zijn: de betrokkene moet zijn straf immers ondergaan. Het Hof ver-wijst alhier naar hetgeen hoger in dit arrest (randnummer 46) reeds werd uiteen-gezet". Deze zelfstandige redenen schragen de beslissing om artikel 8 Wet Euro-pees Aanhoudingsbevel niet toe te passen.

18. Bijgevolg kan het onderdeel, zelfs al was het gegrond, niet tot cassatie lei-den en is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Vierde middel in zijn geheel

19. Het middel voert schending aan van de artikelen 13, 24, 35 en 40 Taalwet Gerechtszaken en de artikelen 2, § 6, en 4.5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel: het arrest steunt met betrekking tot de ernstige redenen dat de tenuitvoerlegging afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de eiser, ten onrechte op de in het Engels gestelde en niet-vertaalde brief van het parket te Stara Zagora met bij-gevoegde stukken van 11 maart 2011, die het beschouwt als aanvullende stukken uitgaande van de Bulgaarse autoriteiten, ter ondersteuning van wat in het Euro-pees aanhoudingsbevel reeds werd uiteengezet; in zoverre die stukken het Euro-pees aanhoudingsbevel aanvullen, schendt het arrest de artikelen 2, § 6, en 4.5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel omdat die stukken niet in het Nederlands, het Frans of het Duits werden vertaald (eerste onderdeel); in zoverre zij te aanzien zijn als stukken uitgaande van het openbaar ministerie, schendt het arrest de artikelen 35 en 40 Taalwet Gerechtszaken (tweede onderdeel); door zich te steunen op die stukken om de wettigheid van de uitlevering te onderzoeken, schendt het arrest de artikelen 13, 24 en 40 Taalwet Gerechtszaken (derde onderdeel).

20. Geen enkele wetsbepaling verbiedt de rechter kennis te nemen van stukken die in een andere taal dan deze van de rechtspleging zijn opgesteld en geen stuk-ken van de rechtspleging zijn.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

21. Voor het overige blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet dat de eiser voor de kamer van inbeschuldigingstelling heeft aangevoerd dat de bedoelde stukken, die geen stukken van de rechtspleging zijn, niet in het Ne-derlands zijn opgesteld. De eiser vermag deze grief niet voor het eerst voor het Hof aan te voeren.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Vijfde middel

22. Het middel voert schending aan van de artikelen 5, § 1, 7 en 16, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel, alsmede miskenning van het vereiste van dubbele incriminatie.

Eerste onderdeel

23. Het onderdeel voert aan dat het arrest niet antwoordt op eisers verweer dat Bulgarije geen actueel belang bij de uitlevering van de eiser heeft omdat niet is aangetoond dat strafvervolging daar nog mogelijk is; het onderzoek naar de even-tuele verjaring van de strafvordering dient te geschieden om de garanties te geven, vermeld in artikel 7 Wet Europees Aanhoudingsbevel.

24. In de rechtsoverwegingen 47 tot 53 oordeelt het arrest, op grond van de vermeldingen in het Europees aanhoudingsbevel, dat de Bulgaarse autoriteiten waarborgen verlenen dat de eiser over een rechtsmiddel beschikt om de tegen hem bij verstek behandelde strafzaak over te doen. Dit oordeel sluit in dat de eiser in Bulgarije steeds over een effectief rechtsmiddel tegen de bij verstek uitgesproken veroordeling beschikt. Aldus beantwoordt het arrest het verweer van de eiser.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

25. Het onderdeel voert aan dat het arrest de verjaring van de straf ten onrechte niet aanziet als een weigeringsgrond op basis van artikel 5, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel, met name het vereiste van dubbele strafbaarstelling.

26. Uit het antwoord op het eerste middel blijkt dat naar het oordeel van de ka-mer van inbeschuldigingstelling, de verjaringstermijn van de in Bulgarije uitge-sproken straf verstrijkt op 20 december 2015 en niet op 20 december 2010, zodat de straf niet verjaard is.

Het onderdeel gaat uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg fei-telijke grondslag.

Zesde middel

27. Het middel voert miskenning aan van de artikelen 3, 6 en 8 EVRM en arti-kel 4.5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, alsmede miskenning van het principe van de wapengelijkheid en het recht van verdediging.

Eerste onderdeel

28. Het onderdeel voert aan dat het arrest bij zijn beoordeling van de weige-ringsgrond van artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel, fundamenteel de ge-lijke behandeling van de partijen miskent door eenzijdig gebruik te maken van de stukken van het openbaar ministerie, zonder melding te maken van bepaalde stuk-ken van de eiser of te motiveren waarom deze stukken niet in overweging worden genomen; het arrest beoordeelt niet concreet het door de eiser met stukken en in argumentatie ontwikkelde verweer, wat nochtans vereist is voor de beoordeling van artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel.

29. De onderzoeksgerechten beoordelen in feite, mitsdien onaantastbaar, of er een kennelijk gevaar voor de fundamentele rechten van de persoon waarvan de uitlevering wordt gevraagd, bestaat en of de voorhanden zijnde gegevens het ver-moeden van eerbieding van die rechten, dat de uitvaardigende lidstaat geniet, weerleggen.

Daarbij beoordelen de onderzoeksgerechten onaantastbaar de bewijswaarde van de hen regelmatig overgelegde feitelijke gegevens waarover de partijen tegen-spraak hebben kunnen voeren. Het staat hen onder meer vrij geen geloof te hech-ten aan bepaalde stukken en hun overtuiging te gronden op andere stukken die af-doende bewijs schijnen op te leveren van het al dan niet bestaan van de in artikel 4.5° vermelde ernstige redenen.

De eiser mag geen miskenning van de wapengelijkheid afleiden uit de omstandig-heid dat de kamer van inbeschuldigingstelling zijn verweer verwerpt en haar over-tuiging grondt op stukken, meegedeeld door het openbaar ministerie.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

30. Het arrest (ro 32 tot 42) beantwoordt het verweer van de eiser en verant-woordt naar recht dat er geen ernstige redenen bestaan om te denken dat de ten-uitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afbreuk zou doen aan eisers fundamentele rechten. Het hoeft bovendien niet bijzonder te motiveren waarom de beweringen van de eiser en de door hem neergelegde stukken niet volstaan om de rechters te overtuigen van het tegendeel.

In zoverre kan het onderdeel evenmin worden aangenomen.

Tweede onderdeel

31. Het onderdeel voert aan dat het arrest in het kader van artikel 4.5° Wet Eu-ropees Aanhoudingsbevel en artikel 8 EVRM ten onrechte geen proportionali-teitsafweging en subsidiariteitstoets doet, noch enige concrete afweging maakt tussen de belangen van de Bulgaarse Staat op bestraffing of strafuitvoering ten aanzien van de eiser en zijn fundamenteel recht op gezinsleven; het arrest beant-woordt de concrete argumenten van de eiser niet.

32. De rechter is niet verplicht te antwoorden op alle argumenten die een partij in conclusie ter ondersteuning van zijn verweer aanwendt, maar geen zelfstandig verweer uitmaken.

33. In zijn beroepsconclusie heeft de eiser zich in essentie beroepen op de zwaarte van de opgelegde straf, die hij disproportioneel achtte met de ernst van het feit waarvoor hij werd veroordeeld, het tijdsbestek sinds dat feit en de omstandigheid dat hij intussen in België een familiaal leven heeft uitgebouwd.

34. Het arrest oordeelt (ro 37): "Het ondergaan van een zelfs hoge gevangenis-straf schendt artikel 8 van het EVRM niet. Het is niet omdat de Bulgaarse straffen hoger zijn dan de Belgische straffen dat zij daarom disproportioneel zouden zijn. Ook op dit punt dient herhaald dat het onderzoeksgerecht zich trouwens geenszins in te laten heeft met de gegrondheid en de zwaarte van de uitgesproken veroorde-ling."

35. Met dat oordeel beantwoordt het arrest het vermelde verweer van de eiser en verantwoordt het naar recht zijn beslissing dat de uitlevering niet onevenredig is met eisers recht op gezinsleven.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

36. Het onderdeel voert aan dat het arrest niet antwoordt op eisers verweer dat de algemene mensenrechtenexceptie, afgeleid uit artikel 6, tweede lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, tevens een humanitaire clausule bevat en het niet humaan is hem uit te leveren, rekening houdend met de concrete elemen-ten van het tijdsverloop, familiale situatie, gezondheidstoestand en tewerkstelling.

37. Het onderdeel dat in werkelijkheid de proportionaliteit tussen eisers per-soonlijke situatie en de uitlevering betwist, is in zijn geheel afgeleid uit de in het tweede onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Zevende middel

38. Het middel voert schending aan van artikel 6.4°, Wet Europees Aanhou-dingsbevel, en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van ver-dediging.

Eerste onderdeel

39. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte nagaat of, in het kader van de weigeringsgrond van artikel 6.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel, de straf naar Belgisch recht nog kan ten uitvoer gelegd worden en tot de slotsom komt dat dit niet het geval is, zodat het beslist dat er geen aanleiding is om toepas-sing te maken van die weigeringsgrond; de voorwaarde dat de straf naar Belgisch recht nog kan ten uitvoer gelegd worden, is geen vereiste vermeld in artikel 6.4°.

40. Een straf die naar Belgisch recht verjaard is, kan in België niet worden uit-gevoerd en kan evenmin worden aangepast naar een straf naar Belgisch recht.

41. Artikel 4.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel laat het onderzoeksgerecht enkel toe de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wegens de verjaring van de straf naar Belgisch recht te weigeren in zoverre de Belgische ge-rechten bevoegd zijn om kennis te nemen van de feiten.

42. Deze bepaling en het beginsel van de wederzijdse erkenning van buiten-landse strafrechtelijk beslissingen laten het onderzoeksgerecht dat op het ogenblik van zijn beslissing vaststelt dat de in de uitvaardigende Staat uitgesproken straf naar Belgisch recht reeds verjaard is, niet toe de overlevering van een Belg of een in België verblijvende persoon te weigeren op grond van artikel 6.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel. Het onderzoeksgerecht mag immers de in de uitvaardigende Staat uitgesproken straf niet doelloos maken.

Het onderdeel dat geheel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

43. Het onderdeel voert aan dat het afhankelijk stellen van de weigering tot uit-levering op grond van artikel 6.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel van de voor-waarde dat de straf in België niet verjaard is, kan leiden tot een discriminatie tus-sen zij wiens straf niet verjaard is en die kunnen genieten van de weigering tot uit-levering op grond van die bepaling en zij wiens straf verjaard is en die niet kunnen genieten van die bepaling; door anders te redeneren schendt het arrest artikel 6.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel.

44. Het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoer-de onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de overige beslissingen

45. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 117,21 euro.

K. Vanden Bossche

E. Francis P. Hoet

G. Jocqué L. Van hoogenbemt P. Maffei

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Geert Jocqué, Peter Hoet en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 11 december 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingel-gem, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Vereiste vermeldingen

  • Verjaringstermijn van de in de uitvaardigende Staat uitgesproken straf

  • Beoordeling door het onderzoeksgerecht