- Arrest van 17 december 2012

17/12/2012 - C.10.0546.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Zelfs als de maatschappelijke dienstverlening ten aanzien van een illegaal in het Rijk verblijvende vreemdeling beperkt wordt tot de dringende medische hulp in de zin van artikel 57, §2, eerste lid, 1°, van de wet van 8 juli 1976, kan zij bestaan uit het ten laste nemen van de kosten van vervoer, opneming, verblijf en behandeling in een psychiatrische dienst van een ter observatie opgenomen zieke overeenkomstig artikel 9 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, namelijk de kosten die ten laste van de zieke komen krachtens artikel 34, tweede lid, van dezelfde wet (1). (1) Zie de concl. van het O.M. in Pas. nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0546.F

CLINIQUE FOND'ROY vzw,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN TE UKKEL,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJKE WELZIJN TE ANDERLECHT,

ten aanzien van

E. I. B.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 25 juni 2009.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 27 november 2012 verwe-zen naar de derde kamer.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 22 november 2012 een schrifte-lijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert een middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 23 en 149 van de Grondwet;

- artikel 1 van de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zoals van kracht vóór de wijziging ervan bij de wet van 7 januari 2002;

- artikel 57 van de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zoals van kracht na de wijziging of vervanging ervan bij de wet van 15 juli 1996 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en na de gedeeltelijke vernietiging ervan bij het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 43/98 van 22 april 1998, en vóór de wijziging ervan bij de wetten van 7 januari 2002 en 2 augustus 2002;

- artikel 61 van de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 24 december 1999;

- de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het incidenteel beroep van de eiseres tegen de tweede verweerder ongegrond, doet het beroepen vonnis teniet behalve in zoverre het de vordering ontvankelijk verklaart en gegrond ten aanzien van mevrouw B., en de kosten vereffent, en verklaart de oorspronkelijke vordering van de eiseres ongegrond ten aanzien van de verweerders en veroordeelt de eiseres in de kosten van het hoger beroep van de verweerders, op grond van al zijn redenen en in het bijzonder op grond van de volgende:

"Er werd aangenomen dat de dringende medische hulp de kosten dekte die verstrekt werden na de opneming in het ziekenhuis wanneer die tot doel hadden de vitale functies veilig te stellen of de verslechtering van de toestand van de persoon in gevaar te voorkomen. Het was immers zaak de hoofddoelstelling van het beginsel van de menselijke waardigheid geregeld bij artikel 23 van de Grondwet en artikel 1 van de wet van 8 juli 1976 te verzekeren. De facturen van de instelling en de geneesheren voor die dringende zorgen moeten echter niet door de openbare centra voor maatschappelijke welzijn betaald worden. Behoudens het feit dat de tenlasteneming enkel door de gehospitaliseerde betrokkene kan worden gevraagd, waren ze aan laatstgenoemde slechts verschuldigd als de informatie waarover het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beschikt zijn staat van behoeftigheid had kunnen aantonen.

Daaruit volgt dat [de eiseres] uit [artikel 57, § 1, van de wet van 8 juli 1976] niet kan afleiden, aangezien er geen samenwerkingsovereenkomst bestond tussen haarzelf en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (zie artikel 61 hierna), dat laatstgenoemde haar de litigieuze facturen moet betalen, waarbij het die later eventueel kan verhalen op mevrouw B., of dat het de betaling ervan sowieso moest garanderen, ongeacht de financiële toestand van die persoon.

Artikel 61 van de organieke wet staat het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn toe een beroep te doen op de medewerking van 'personen, van inrichtingen of openbare of privé-diensten, die in staat zijn de middelen aan te wenden tot verwezenlijking van de verschillende oplossingen die 'zich opdringen', 'met eerbiediging van de vrije keuze van de betrokkene'. Dat voorschrift bepaalt echter niet dat, wanneer een patiënt in spoed in een ziekenhuisinrichting wordt opgenomen waarmee het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geen overeenkomst heeft gesloten, dat laatste kan weigeren de kosten van de dringende medische hulp te dragen. De staat van behoeftigheid van de patiënt is een essentieel criterium voor zijn verplichting, des te meer in een spoedeisend geval.

Het zou evenmin verantwoord zijn te oordelen dat die staat van behoeftigheid niet of niet meer bestaat wanneer het ziekenhuis de patiënt niet kan dwingen de facturen te betalen omwille van zijn materiële toestand. De wetgever heeft immers enkel de openbare centra voor maatschappelijk welzijn opgedragen de rechten op de menselijke waardigheid, maatschappelijke dienstverlening en dringende medische hulp verzekeren.

Voor de illegaal verblijvende vreemdelingen diende men zich op het ogenblik van de litigieuze feiten te beroepen op artikel 57, § 2, van de organieke wet die de rechten van die personen beperkt tot dringende medische hulp en het koninklijk uitvoeringsbesluit van 12 december 1996 (...).

De [eiseres] steunt haar vordering op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek: de [verweerders] zijn hun wettelijke verplichtingen inzake dringende medische hulp niet nagekomen omdat zij weigeren de litigieuze hospitalisatiekosten te dragen, hoewel zij op dat vlak een gebonden bevoegdheid hebben, des te meer omdat zij die kosten van de Belgische Staat konden terugvorderen.

De eerder onderzochte wettelijke bepalingen kennen het recht op dringende medische hulp enkel toe aan de betrokken persoon, met uitsluiting van derden, inrichtingen of privé-diensten die een behoeftige hebben geholpen, onder meer onder de vorm van eventueel dringende zorgen. [De eiseres] kan de gedwongen uitvoering daarvan in haar voordeel niet eisen (Cass., 29 september 208, C.07.0101.F), hetgeen zij toegeeft. (...)

Het staat bijgevolg aan [de eiseres] de fout, de aangevoerde schade en het oorzakelijk verband tussen beiden aan te tonen, waarbij vaststaat dat de schending van een wettelijke of reglementaire norm die een welbepaalde verplichting oplegt een fout is in de zin van voornoemd artikel 1382, wanneer zij de wettige belangen van een derde schaadt, ten minste indien het niet een onverschoonbare (lees: verschoonbare) dwaling betreft. In casu is het zaak na te gaan of de [verweerders] gefaald hebben in de uitvoering van een dergelijke verplichting, zoals de [eiseres] betoogt.

De enige aanvraag die werd gedaan toen mevrouw B. in de psychiatrische dienst werd opgenomen en die zij klaarblijkelijk zelf niet in staat was in te dienen, strekte tot de tussenkomst van het Speciaal Onderstandsfonds dat afhangt van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-hoofdstad. Er werd geen enkele aanvraag tot tussenkomst ingediend in naam en voor rekening van mevrouw B. ten aanzien van [de verweerders] vóór haar repatriëring op 14 november 1998.

Artikel 60 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (lees: de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn) bepaalt in de tweede paragraaf: "Het centrum verstrekt alle nuttige raadgevingen en inlichtingen en doet de stappen om aan de betrokkenen alle rechten en voordelen te verlenen waarop zij krachtens de Belgische of de buitenlandse wetten aanspraak kunnen maken." Bovendien neemt het centrum volgens artikel 60bis van de wet van 8 juli 1976 alle nodige initiatieven met het oog op de bekendmaking van de verschillende door het centrum verstrekte vormen van dienstverlening.

Als het centrum een vraag tot betalingsverbintenis had gekregen tijdens de hospitalisatie, hadden [de verweerders] de [eiseres] moeten melden dat de dienstverlening die [zij] krachtens artikel 57, § 1, van dezelfde wet konden verstrekken enkel van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard is en niet van financiële aard, en dat zij bijgevolg enkel een betalingsverbintenis konden geven voor de verzorging van mevrouw B. in de diensten die ze hebben opgericht of waarmee ze een overeenkomst hebben gesloten.

Maar aangezien zij die informatie slechts hadden kunnen geven in antwoord op het faxbericht van 14 december 1998 of van 21 april 1999 [tweede verweerder], te weten na het einde van de ter observatieopneming (de vorige briefwisseling betrof enkel een aanvraag bij het Speciaal Onderstandsfonds), heeft de [eiseres] haar recht om een betalingsverbintenis te vragen voor de plaatsing van mevrouw B. in de diensten die door de [verweerders] zijn ingericht of waarmee zij een overeenkomst hebben gesloten, niet verloren door het verzuim van die informatieverplichting maar door haar eigen gebrek aan zorgzaamheid. Die aanvraag moest immers gebeuren zolang er nog een spoedeisend karakter was.

De [verweerders] zijn dus niet burgerrechtelijk aansprakelijk jegens de [eiseres] en de oorspronkelijke rechtsvordering is niet gegrond".

Grieven

(...)

Tweede onderdeel (in ondergeschikte orde)

Krachtens artikel 23 van de Grondwet, heeft ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden.

Krachtens artikel 1 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de maatschappelijke centra voor maatschappelijk welzijn heeft elke persoon recht op maatschappelijke dienstverlening die tot doel heeft eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid en hebben de openbare centra voor maatschappelijk welzijn tot opdracht deze dienstverlening te verzekeren.

Artikel 61, eerste en tweede lid, van dezelfde wet, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 24 december 1999, bepaalde dat "het centrum een beroep kan doen op de medewerking van personen, van inrichtingen of diensten, die, opgericht hetzij door openbare besturen, hetzij op privé-initiatief, in staat zijn de middelen aan te wenden tot verwezenlijking van de verschillende oplossingen die zich opdringen, met eerbiediging van de vrije keuze van de betrokkene.

Het centrum kan de eventuele kosten van deze samenwerking dragen wanneer deze niet in uitvoering van een andere wet, een reglement, een overeenkomst of een rechterlijke beslissing worden gedekt".

Artikel 57, § 1 en § 2, eerste lid, van de wet van 8 juli 1976, zoals van toepassing na de wijziging of vervanging bij de wet van 15 juli 1996 en gedeeltelijke opschorting door het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 43/98 van 22 april 1998, en vóór de wijziging bij de wetten van 7 januari 2002 en 2 augustus 2002, bepaalde:

"§ 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 57ter, heeft het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn tot taak aan personen en gezinnen de dienstverlening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is.

Het verzekert niet alleen lenigende of curatieve doch ook preventieve hulp.

Deze dienstverlening kan van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn.

§ 2. In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft."

De eiseres verweet de verweerders een fout te hebben begaan door hun wettelijke verplichtingen te verzuimen inzake dringende medische hulp, voortvloeiend uit voornoemde wettelijke bepalingen, door te weigeren de kosten van dringende medische hulp te dragen die zij aan mevrouw B. verplicht had moeten verstrekken.

Het arrest verklaart dat "De facturen van de instelling en de geneesheren voor die dringende zorgen echter niet door de openbare centra voor maatschappelijke welzijn moeten betaald worden. Behoudens het feit dat de tenlasteneming enkel door de gehospitaliseerde betrokkene kan worden aangevraagd, waren ze aan laatstgenoemde slechts verschuldigd als de informatie waarover het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beschikt zijn staat van behoeftigheid had kunnen aantonen" en dat "de enige aanvraag die werd gedaan toen mevrouw B. in de psychiatrische dienst werd opgenomen en die zij klaarblijkelijk zelf niet in staat in te dienen, strekte tot de tussenkomst van het Speciaal Onderstandsfonds dat afhangt van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-hoofdstad. Er werd geen enkele aanvraag tot tussenkomst ingediend in naam en voor rekening van mevrouw B. te aanzien van [de verweerders] vóór haar repatriëring op 14 november 1998".

Zo het arrest, aldus moet worden uitgelegd dat het met die redenen zijn beslissing verantwoordt dat de verweerders geen fout hebben begaan door de hospitalisatiekosten van mevrouw B. niet te dragen, dan is die verantwoording voor kritiek vatbaar.

Het arrest gaat immers ervan uit dat de verweerders enkel in de medische kosten van mevrouw B. moesten tussenkomen indien laatstgenoemde hen dat aangevraagd had en indien haar staat van behoeftigheid was aangetoond. Het arrest stelt niets vast over de staat van behoeftigheid van mevrouw B. maar stelt vast dat geen enkele aanvraag tot tussenkomst werd ingediend in naam en voor rekening van laatstgenoemde ten aanzien van de verweerders vóór de repatriëring van de patiënte naar Rusland. Het feit dat geen enkele aanvraag tot tussenkomst werd gedaan door mevrouw B., of in haar naam en voor haar rekening vóór haar repatriëring verantwoordt volgens het arrest dat de verweerders geen fout hebben begaan door haar hospitalisatiekosten niet ten laste te nemen.

De financiële telastneming door de verweerders van de dringende medische hulp verstrekt door een ziekenhuisdienst is echter niet afhankelijk van een aanvraag tot tussenkomst vanwege de begunstigde van de steun of zijn mandataris.

Het arrest dat oordeelt dat de verweerders geen fout hebben begaan door de kosten niet te dragen van de dringende medische hulp die de eiseres aan mevrouw B. heeft verstrekt, op grond dat de patiënt zelf de tenlasteneming van die kosten had moeten vragen en dat geen enkele aanvraag tot tussenkomst in haar naam en voor haar rekening aan de verweerders werd gericht vóór haar repatriëring, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht (schending van alle in het middel aangevoerde wettelijke bepalingen, met uitzondering van artikel 149 van de Grondwet.).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede onderdeel

Krachtens de artikelen 1 en 57, § 1, OCMW-wet, in de versie die van toepassing is op de feiten, heeft het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn onder de door de wet bepaalde voorwaarden tot taak aan personen en gezinnen de dienst-verlening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is.

Die dienstverlening heeft tot doel eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Zoals artikel 57, § 1, derde lid, bepaalt kan de dienstverlening van materiële of geneeskundige aard zijn.

In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, beperkt artikel 57, § 2, eerste lid 1°, in de regel de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn tot het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemde-ling die illegaal in het Rijk verblijft.

De maatschappelijke dienstverlening, ook al is zij beperkt tot de dringende medi-sche hulp in de zin van dit artikel 57, § 2, eerste lid, 1°, kan bestaan uit het ten las-te nemen van de kosten van vervoer, opneming, verblijf en behandeling in een psychiatrische dienst van een zieke die ter observatie is opgenomen overeenkom-stig artikel 9 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de per-soon van de geesteszieke, namelijk de kosten die ten laste van de zieke komen krachtens artikel 34, tweede lid, van dezelfde wet.

Voornoemd artikel 9 vermeldt in zijn eerste lid dat in spoedeisende gevallen en, overeenkomstig artikel 2 van de wet, indien de toestand van de zieke zulks ver-eist, hetzij omdat hij zijn gezondheid en zijn veiligheid ernstig in gevaar brengt, hetzij omdat hij een ernstige bedreiging vormt voor andermans leven of integriteit, de procureur des Konings kan beslissen dat de zieke ter observatie zal worden op-genomen in de psychiatrische dienst die hij aanwijst. Overeenkomstig de artikelen 9, vierde lid, van de wet en 6, eerste lid, van het koninklijk besluit van 18 juli 1991 ter uitvoering van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, is de directeur van de instelling verplicht de zieke in bewaring te nemen, zijn vervoer te laten uitvoeren en tot zijn opname over te gaan.

De verplichting van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn om aan de zieke maatschappelijke dienstverlening te verstrekken krachtens de artikelen 1 en 57, § 1 en 2, of 2, eerste lid, 1°, OCMW-wet, onder de door die wet bepaalde voorwaarden, onder de vorm van het ten laste nemen van vervoer en opneming in een psychiatrische dienst van een overeenkomstig artikel 9 van de wet van 26 juni 1990 ter observatie opgenomen zieke, is, wegens het spoedeisend karakter dat die ter observatie opneming veronderstelt, niet afhankelijk van een vraag om tussen-komst van de zieke of zijn mandataris. Als dat spoedeisend karakter aanhoudt, geldt hetzelfde voor de kosten van verblijf en behandeling.

Het arrest stelt vast dat de eiseres op vordering van de procureur des Konings in uitvoering van artikel 9 van de wet van 26 juni 1990 verplicht werd E.I.B., die van vreemde nationaliteit is en illegaal in het Rijk verbleef, in haar psychiatrische dienst op te vangen.

Het arrest dat beslist dat de verweerders niet verplicht waren de kosten van die hospitalisatie ten laste te nemen op grond dat "geen enkele aanvraag tot tussen-komst bij hem werd [...] ingediend in naam en voor rekening van E.I.B.", schendt bijgevolg de voornoemde bepalingen.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de vordering van de eiseres ten aan-zien van de verweerders verwerpt en uitspraak doet over de kosten.

Verklaart dit arrest bindend voor E.I.B.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigd arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 17 december 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Illegaal verblijf

  • Maatschappelijke dienstverlening

  • Dringende medische hulp

  • Geesteszieken

  • Bescherming

  • Psychiatrische dienst

  • Opneming

  • Openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn

  • Verplichting