- Arrest van 17 december 2012

17/12/2012 - C.10.0591.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 58 van de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zoals van toepassing op de feiten, verplicht het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, onder de voorwaarden die het bepaalt, niet alleen hulp te verlenen aan de personen die het beoogt en te zorgen voor hun vervoer en opneming in een zorginstelling, maar tevens de kosten te dragen van de hulpverlening, vervoer en opneming wanneer die personen die maatschappelijk welzijn is niet bevoegd om de doeltreffendheid en de omvang van de tussenkomst te beoordelen die, gelet op het spoedeisend karakter ervan, niet ondergeschikt is aan een aanvraag; het kan de terugbetaling verkrijgen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (1) (2). (1) Artikel 58 van de wet van 8 juli 1976 in de versie vóór de wijziging ervan bij de wet van 22 feb. 1988. (2) Zie de concl. van het O.M. in Pas. Nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0591.F

CLINIQUES UNIVERSITAIRES SAINT-LUC vzw,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN TE SCHAARBEEK,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 22 juni 2005.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 27 november 2012 verwe-zen naar de derde kamer.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 22 november 2012 een schrifte-lijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert een middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet;

- artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 1, 57, inzonderheid § 1, 58, 60 en 61 van de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, in de versie vóór de wijziging ervan bij de wet van 22 februari 1988;

- artikel 1 van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening;

- artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 mei 1965 houdende vaststelling van de regels voor de tussenkomst van het Fonds voor dringende geneeskundige hulpverlening;

- artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof.

Aangevochten beslissingen:

Het arrest verklaart het hoger beroep van de verweerder gegrond, doet het beroepen vonnis teniet in zoverre het uitspraak heeft gedaan over de oor-spronkelijke vordering van de eiseres tegen de verweerder, verklaart die vordering ongegrond, wijst de eiseres af en veroordeelt haar in de kosten van beide aanleggen, op grond dat:

"In casu voert (de eiseres) niet aan dat de (verweerder) een fout heeft begaan door destijds, namelijk op 10 januari 1988, geen hulp te hebben geboden aan de echtgenote en dochter van M. terwijl zij het slachtoffer waren van een brand in hun woning.

De fout die zij aanvoert bestaat in werkelijkheid uit een latere weigering van de (verweerder) om in de plaats van M. en diens echtgenote de facturen te betalen van de hospitalisatiekosten van beide patiënten tussen 10 en 25 januari 1988, zijnde de dag waarop zij naar een inrichting werden overgebracht die afhing van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.

In dit specifiek geval levert (de eiseres) niet het bewijs dat (de verweerder) een fout zou hebben begaan ten aanzien van zijn wettelijke verplichting hulp te bieden aan een persoon die onmiddellijke zorgen nodig heeft.

Die wettelijke verplichting die voortvloeit uit artikel 58 van de wet van 8 juli 1976 heeft tot doel de fysieke integriteit te waarborgen van elke persoon wanneer die integriteit bedreigd wordt. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn moet in dit geval de onmiddellijke zorgen verstrekken aan iedere persoon die zich bevindt op het grondgebied van de gemeente dat het bedient, ongeacht zijn woonplaats en zonder vooraf zijn inkomsten te hebben nagetrokken (...).

In casu werden de onmiddellijke zorgen verstrekt aan de twee slachtoffers van de brand door de vroegere spoeddienst '900' die hen vervoerd heeft [naar de verplegingsinrichting van de verweerster].

De dringende medische hulp waarvoor het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dient in te staan in toepassing van artikel 58 van de wet van 8 juli 1976, heeft niet tot doel het centrum te verplichten in de plaats te treden van de personen aan wie de dringende medische zorgen werden toegediend voor de vereffening van hun ziekenhuisfacturen.

(De verweerder) heeft dus geen fout begaan door te weigeren de ziekenhuisfacturen van de echtgenote en dochter van de heer M. te betalen."

Grieven

Artikel 1 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de maatschappelijke centra voor maatschappelijk welzijn bepaalt dat " elke persoon recht heeft op maatschappelijke dienstverlening. Deze heeft tot doel eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.

Er worden openbare centra voor maatschappelijk welzijn opgericht die, onder de door deze wet bepaalde voorwaarden, tot opdracht hebben deze dienstverlening te verzekeren; "krachtens artikel 57, § 1, van die wet hebben de openbare centra voor maatschappelijk welzijn tot taak aan de personen onder meer geneeskundige, curatieve hulp te bieden. In de versie die hier van toepassing is, bepaalde artikel 58 van die wet dat "het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn hulp verleent aan ieder persoon die zich op het grondgebied bevindt van de door hem bediende gemeente of gemeenten, buiten de openbare weg of een openbare plaats, en die, ingevolge ongeval of ziekte, onmiddellijke geneeskundige verzorging nodig heeft; indien nodig, zorgt het ervoor dat die persoon, naar de geschikte verplegingsinrichting wordt overgebracht en erin wordt opgenomen".

Uit de samenhang van die bepalingen volgt dat iedere persoon, ongeacht zijn inkomsten, nationaliteit, leeftijd, wiens toestand onmiddellijke gezondheidszorgen vereist, recht heeft op dringende medische hulp, die niet alleen de kosten dekt van vervoer in een ziekenwagen en opname in een verplegingsinrichting, maar ook van verblijf en behandeling die zijn gezondheidstoestand vereist. Het gaat om een welbepaalde resultaatsverbintenis die de wet aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn oplegt dat desbetreffend geen enkele beoordelingsbevoegdheid heeft.

Zodra een persoon, ongeacht zijn financiële toestand, dringende zorgen nodig heeft, hetgeen te dezen niet wordt betwist, moet het bevoegde openbaar centrum, namelijk datgene van het grondgebied waarop die persoon is gedomicilieerd, hem de dringende medische hulp verlenen die zijn gezondheidstoestand vereist, en die hem onder geen beding mag worden geweigerd.

De artikelen 60, § 6, eerste lid, en 61 van de wet van 8 juli 1976 bepalen weliswaar de uitvoeringsmodaliteiten van de aan het centrum opgelegde verplichting van maatschappelijke dienstverlening inzake medische hulp zodra die een spoedeisend karakter heeft zoals in dit geval, maar de verplichte tussenkomst van het centrum beperkt zich niet tot het vervoer van de patiënt in een ziekenwagen en zijn opname in een ziekenhuisinstelling, maar omvat ook de tenlasteneming van de zorgen welke die toestand vereist en van de kosten die zij met zich meebrengt, waarbij het centrum niet kan ontkomen aan zijn verplichting onder het voorwendsel dat het de getroffene niet onmiddellijk en persoonlijk ten laste heeft genomen en zijn verplichting heeft overgedragen aan een private verplegingsinrichting.

Artikel 23, eerste en derde lid, 2°, van de Grondwet bepaalt overigens: "Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden (...). (Dat recht omvat) inzonderheid (...) het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand". Dienaangaande blijkt uit de artikelen 1 van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening en 3 van het koninklijk besluit van 22 mei 1965 houdende vaststelling van de regels voor de tussenkomst van het Fonds voor dringende geneeskundige hulpverlening, dat de kosten moet dragen van de opneming en de behandeling van iedere persoon wiens gezondheid dringende medische hulp vereist wanneer die zich op de openbare weg of in een openbare plaats bevindt, dat die verplichting het noodzakelijk corrolarium is van die medische hulp, aangezien er geen enkel objectief criterium is om tussen de personen die dringende medische hulp nodig hebben een onderscheid te maken al naargelang zij zich op een openbare plaats zouden bevinden of daarbuiten, en in functie daarvan andere stelsels toe te passen.

Maar de materiële schending van een wettelijke of reglementaire bepaling is op zich een fout die de burgerlijke aansprakelijkheid van de dader in het gedrang brengt op voorwaarde dat die schending vrij en bewust begaan werd. Een dergelijke schending heeft de aansprakelijkheid van de dader tot gevolg zodat de loutere miskenning van een vooraf vastgestelde norm die een welbepaalde verplichting oplegt op zich een fout is.

Die fout noopt de dader tot het herstellen van de schade die een derde heeft geleden ten gevolge van de miskenning van de aan die dader opgelegde verplichting, voor zover hij rechtmatig kan beweren schade te hebben geleden die verband houdt met die bewuste fout, behalve als het slachtoffer hoe dan ook verplicht was de aangevoerde schade te dragen, op grond van een eigen juridische oorzaak die op zich rechtvaardigt dat hij de schade draagt.

Dat geldt niet voor de privé-ziekenhuisdienst waaraan de opname van de persoon die dringende medische hulp vereist wordt opgedrongen, aangezien die instelling daarbij geen enkele contractuele of wettelijke verplichting op zich neemt, terwijl het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van zijn kant onvoorwaardelijk die hulp moet bieden volgens een hoofdverbintenis die een resultaatsverbintenis is en die hoe dan ook moet worden uitgevoerd, zij het bij equivalent, zelfs als de kosten voor bijstand door een privé-verplegingsinrichting zijn gemaakt.

Daaruit volgt dat het arrest dat beslist dat waar het gaat om een geval van dringende medische hulp, de verplichtingen van de verweerder op wiens grondgebied de slachtoffers van de brand op 10 januari 1988 werden aangetroffen, beperkt zijn tot de tenlasteneming, het onmiddellijk vervoer en de opname in een ziekenhuisdienst die door de eiseres werd beheerd, zijnde een privé- verplegingsinrichting die desbetreffend geen enkele wettelijke of contractuele verplichting heeft, en zich niet uitstrekken tot het toedienen van zorgen wegens hun gezondheidstoestand die dringende medische hulp vereist noch, tot de tenlasteneming van die zorgen en van het verblijf in een ziekenhuisdienst, terwijl die zorgen verstrekt werden door een dergelijke privé-instelling waarmee geen overeenkomst gesloten was en waar de getroffenen ambtshalve naartoe waren gebracht, zodat de verweerder die weigert om de financiële last van die dringende hulp te dragen en die aan de eiseres overlaat, geen enkele fout heeft begaan, de artikelen 1, 57, § 1, en 58 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, in de hier van toepassing zijnde versie, schendt door aan artikel 58 een onwettelijke restrictieve uitleg te geven, inzonderheid wegens de artikelen 23 van de Grondwet, 1 van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening, 3 van het koninklijk besluit van 22 mei 1965 houdende vaststelling van de regels voor de tussenkomst van het Fonds voor dringende geneeskundige hulpverlening Tevens miskent het daardoor de wettelijke begrippen fout en oorzakelijk verband in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Luidens artikel 58 OCMW-wet, zoals het van toepassing is op de feiten, verleent het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn hulp aan ieder persoon die zich op het grondgebied bevindt van de door hem bediende gemeente of gemeenten, buiten de openbare weg of een openbare plaats, en die, ingevolge ongeval of ziekte, onmiddellijk geneeskundige verzorging nodig heeft. Het zorgt ervoor dat die persoon, indien nodig, naar de geschikte verplegingsinrichting wordt overge-bracht en erin wordt opgenomen.

Die bepaling verplicht het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, onder de door haar bepaalde voorwaarden, niet alleen om hulp te verlenen aan de perso-nen die ze beoogt en om te zorgen voor hun vervoer en hun opname in een ver-plegingsinrichting, maar ook om de kosten van hulp, vervoer en opname te dragen wanneer die personen niet in staat zijn die financiële last zelf te dragen. Het open-baar centrum voor maatschappelijk welzijn is niet bevoegd om de doeltreffend-heid en de omvang van die tussenkomst te beoordelen die, gelet op het spoedei-send karakter ervan, niet ondergeschikt is aan een aanvraag. Het centrum kan de terugbetaling ervan verkrijgen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

Het arrest stelt vast dat twee personen die in hun woning verwond waren, gehol-pen zijn door tussenkomst van de dringende medische hulpverlening van het een-vormig oproepstelsel en vervoerd werden naar de verzorgingsinrichting van de ei-seres, waar zij zijn opgenomen en verzorgd, dat de eiseres het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, de verweerder, ervan op de hoogte heeft gebracht dat die twee personen niet in staat waren de medische kosten te dragen en, ten slotte, dat zij om zijn tussenkomst heeft gevraagd krachtens de OCMW-wet.

Het arrest dat oordeelt dat "de wettelijke verplichting die [voor het openbaar cen-trum voor maatschappelijk welzijn] voortvloeit uit artikel 58 OCMW-wet" enkel tot doel heeft "de fysieke integriteit te waarborgen van elke persoon die bedreigd is", dat "het niet tot doel heeft [het centrum te verplichten] zich in de plaats te stellen van de personen aan wie de dringende medische zorgen werden toegediend voor de vereffening van hun ziekenhuisfacturen" en dat, aangezien "de onmiddellijke zorgen [waren] toegediend" aan de gewonde personen, die bepaling geen enkele verplichting meer aan de (verweerder) oplegde, schendt bijgevolg voornoemd artikel 58.

Het middel is in zoverre gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de vordering van de eiseres tegen de verweerder verwerpt en uitspraak doet over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigd arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Mireille De-lange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 17 december 2012 uit-gesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Onmiddellijke geneeskundige verzorging

  • Spoedeisend karakter

  • Opneming in een zorginstelling

  • Openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn

  • Verplichte hulpverlening

  • Tenlasteneming

  • Omvang