- Arrest van 18 december 2012

18/12/2012 - P.12.1501.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Wanneer het openbaar ministerie bepaalde tot de bevoegdheden van de onderzoeksrechter behorende onderzoeksverrichtingen vordert, zonder ook een gerechtelijk onderzoek te vorderen, beslist de onderzoeksrechter onaantastbaar of hij het gehele onderzoek zelf zal voortzetten en dus over de te verrichten onderzoekshandelingen met inbegrip van de gevorderde onderzoekshandeling; de uitoefening van dit evocatierecht door de onderzoeksrechter vereist niet dat de gevorderde onderzoekshandeling reeds werd uitgevoerd (1). (1) Zie: Cass. 30 juni 2009, AR P.09.0986.N, AC 2009, nr. 432.


Arrest - Integrale tekst

P.12.1501.N

R M J C,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Pol Vandemeulebroucke, advocaat bij de balie te Antwer-pen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 11 juli 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 28septies Wetboek van Straf-vordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de onderzoeksrechter mocht beslis-sen het gehele onderzoek zelf voort te zetten vooraleer de door de procureur des Konings overeenkomstig die bepaling gevorderde onderzoekshandeling uit te voe-ren en verklaart dan ook ten onrechte de strafvordering ontvankelijk; de tekst van artikel 28septies (nieuw) Wetboek van Strafvordering is duidelijk: de onderzoeks-rechter kan slechts na de uitvoering van de gevorderde onderzoekshandeling be-slissen tot de voortzetting van het gehele onderzoek; tot op dat ogenblik behoudt de procureur des Konings de leidende positie in het onderzoek; de saisine van de onderzoeksrechter die vóór de uitvoering van de gevorderde onderzoekshandeling beslist het gehele onderzoek zelf voort te zetten, is niet regelmatig.

2. Artikel 28septies Wetboek van Strafvordering, vóór de wijziging door arti-kel 3 van de Wet van 27 december 2005 houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering en van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de onderzoeksmethoden in strijd tegen het terrorisme en de zware en georganiseerde criminaliteit, bepaalde:

"De procureur des Konings kan de onderzoeksrechter vorderen een onderzoeks-handeling te verrichten waarvoor alleen de onderzoeksrechter bevoegd is, met uitzondering van het bevel tot aanhouding bedoeld in artikel 16 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, de volledig anonieme getuigenis zoals bedoeld in artikel 86bis, de bewakingsmaatregel bedoeld in artikel 90ter en de huiszoeking, zonder dat een gerechtelijk onderzoek wordt ingesteld. Na de uit-voering van de door de onderzoeksrechter verrichte onderzoekshandeling zendt deze het dossier terug aan de procureur des Konings die instaat voor de voortzet-ting van het opsporingsonderzoek.

De met de zaak belaste onderzoeksrechter beslist of hij uitsluitend de gevorderde onderzoekshandeling verricht en het dossier terugzendt zoals in het vorige lid is bepaald, dan wel of hij gehele onderzoek zelf voortzet, in welk geval er verder wordt gehandeld overeenkomstig de bepalingen van het hoofdstuk VI van dit boek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open."

Na de wijziging door artikel 3 van de Wet van 27 december 2005 bepaalt artikel 28septies Wetboek van Strafvordering: "De procureur des Konings kan de onder-zoeksrechter vorderen een onderzoekshandeling te verrichten waarvoor alleen de onderzoeksrechter bevoegd is, met uitzondering van het bevel tot aanhouding be-doeld in artikel 16 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, de volledig anonieme getuigenis zoals bedoeld in artikel 86bis, de bewa-kingsmaatregel bedoeld in artikel 90ter, de onderzoekshandelingen als bedoeld in de artikelen 56bis, tweede lid, en 89ter en de huiszoeking, zonder dat een gerech-telijk onderzoek wordt ingesteld. Na de uitvoering van de door de onderzoeks-rechter verrichtte onderzoekshandeling beslist deze of hij het dossier terugzendt aan de procureur des Konings die instaat voor de voortzetting van het opspo-ringsonderzoek, dan wel of hij het gehele onderzoek zelf voortzet, in welk geval er verder wordt gehandeld overeenkomstig de bepalingen van het hoofdstuk VI van dit boek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open."

3. Met de door artikel 28septies Wetboek van Strafvordering ingevoerde figuur van de mini-instructie heeft de wetgever aan het openbaar ministerie de mogelijk-heid gegeven bepaalde tot de bevoegdheid van de onderzoeksrechter behorende onderzoeksverrichtingen te vorderen, zonder ook een gerechtelijk onderzoek te moeten vorderen. De autonomie en het zeggenschap van de onderzoeksrechter werden evenwel beklemtoond door hem in geval van een mini-instructie een fa-cultatief evocatierecht toe te kennen: hij beslist onaantastbaar of hij het gehele on-derzoek zelf zal voortzetten en dus over de te verrichten onderzoekshandelingen met inbegrip van de gevorderde onderzoekshandeling.

De uitoefening van dit evocatierecht door de onderzoeksrechter vereist niet dat de gevorderde onderzoekshandeling reeds werd uitgevoerd.

4. Met de wijziging van artikel 28septies Wetboek van Strafvordering door ar-tikel 3 van de Wet van 27 december 2005 heeft de wetgever de regeling van de mini-instructie aangepast aan de gedeeltelijke nietigverklaring van deze bepaling door het Arbitragehof met het arrest nr. 202/2004 van 21 december 2004, zonder dat het evenwel de bedoeling was afbreuk te doen aan het evocatierecht van de onderzoeksrechter en de modaliteiten van dit recht.

5. De uitoefening van het evocatierecht door de onderzoeksrechter vereist ook volgens artikel 28septies (nieuw) Wetboek van Strafvordering niet dat de gevor-derde onderzoekshandeling reeds werd uitgevoerd.

Het middel dat geheel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 100,70 euro.

F. Adriaensen

A. Lievens P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 18 december 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Opsporingsonderzoek

  • Procureur des Konings

  • Vordering tot het stellen van een onderzoekshandeling waarvoor alleen de onderzoeksrechter bevoegd is

  • Beslissing van de onderzoeksrechter het gehele onderzoek voort te zetten

  • Evocatierecht

  • Art. 28septies, Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van art. 2 van de Wet 31 mei 2005

  • Grens