- Arrest van 7 januari 2013

07/01/2013 - S.11.0111.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 12 januari 2007 blijkt dat het risico op verzadiging van de opvangcapaciteit van de asielaanvragers een bijzondere omstandigheid kan betekenen bedoeld in artikel 11, §1, en bijgevolg in artikel 13, eerste lid van die wet, waardoor de verplichte plaats van inschrijving kan worden opgeheven die werd toegewezen overeenkomstig de artikelen 9 tot 12 van de wet (1). (1) Zie de concl. van het O.M. in Pas. nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.11.0111.F

OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN TE BRUSSEL,

Mr Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE OPVANG VAN ASIELZOE-KERS,

Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. D. R. M. T.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 9 juni 2011.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 20 november 2012 een schrifte-lijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

(...)

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Overeenkomstig artikel 11, § 1, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen, in de versie die toepasselijk is op het geschil, wijst het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers, afgekort Fedasil, de eerste verweerder, aan de asiel-zoekers bedoeld in artikel 10, 1° en 2°, van de wet, een opvangstructuur toe als verplichte plaats van inschrijving.

Artikel 11, § 3, bepaalt dat Fedasil, wanneer er sprake is van bijzondere omstan-digheden, kan afwijken van de bepalingen van § 1 door geen verplichte plaats van inschrijving toe te wijzen.

Volgens artikel 13, eerste lid, kan Fedasil de verplichte plaats van inschrijving die overeenkomstig de artikelen 9 tot 12 is toegewezen, in bijzondere omstandigheden opheffen. Het tweede lid draagt de Koning op de procedure betreffende deze opheffing te bepalen.

Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 12 januari 2007 blijkt dat het risico op verzadiging van de opvangcapaciteit van de asielaanvragers een bijzon-dere omstandigheid kan uitmaken zoals bedoeld in artikel 11, § 1, en bijgevolg in artikel 13, eerste lid van die wet.

Het arrest stelt vast dat de tweede verweerster op 4 mei 2009, na haar aankomst in België, een asielaanvraag heeft ingediend; dat haar een opvangcentrum werd toe-gewezen als verplichte plaats van inschrijving; dat Fedasil bij een beslissing van 3 november 2009 de verplichte plaats van inschrijving op haar vraag heeft opgehe-ven, rekening houdend met het feit dat de asielaanvraag nog steeds in behandeling was, met het door de tweede verweerster aangereikte bewijs van een oplossing voor haar huisvesting en met "de verzadiging van de opvangcapaciteit" voor de asielzoekers.

Het arrest dat oordeelt dat "de maatregel van Fedasil (vrijwillige opheffing van een verplichte plaats van inschrijving wegens verzadiging van de opvangcentra) en de toepassing ervan op [de tweede verweerster] een wettelijke grond vinden in artikel 13 van de wet van 12 januari 2007, zoals de wetgever wou dat het toepas-sing vond bij de stemming van de wet" en dat "de opheffing van de verplichte plaats van inschrijving volledig wettelijk door Fedasil werd beslist", schendt de voornoemde wettelijke bepalingen niet.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

(...)

Derde onderdeel

Zoals gesteld in het antwoord op het tweede onderdeel, schendt het arrest dat oordeelt dat er geen enkel koninklijk besluit nodig is om de bijzondere omstandigheden te bepalen waarin Fedasil de verplichte plaats van inschrijving mag opheffen, als bedoeld in artikel 13 van de wet van 12 januari 2007, die wetsbepaling niet.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Voor het overige is de vermeende schending van artikel 159 van de Grondwet volledig afgeleid uit de tevergeefs aangevoerde schending van voornoemd artikel 13.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Alain Simon, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 7 januari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Federaal opvangcentrum

  • Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers

  • Fedasil

  • Verplichte plaats van inschrijving

  • Toewijzing

  • Opheffing

  • Voorwaarden

  • Bijzondere omstandigheden