- Arrest van 8 januari 2013

08/01/2013 - P.12.0154.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces zijn in de regel geschaad als zelfincriminerende verklaringen die werden afgelegd tijdens een politieverhoor zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat, worden gebruikt voor veroordeling; deze omstandigheid heeft nochtans niet automatisch voor gevolg dat het definitief onmogelijk is de zaak van een verdachte en vervolgens beklaagde op eerlijke wijze te behandelen; wanneer de rechter de verklaringen niet als doorslaggevend bewijs gebruikt, er kennelijk geen misbruik of dwang is gebruikt en de beklaagde zich op het ogenblik van het verhoor en tijdens het onderzoek niet in een kwetsbare positie bevond, of aan de kwetsbare positie van de beklaagde op een daadwerkelijke en passende wijze is geremedieerd, blijft het eerlijke karakter van het proces gevrijwaard (1). (1) Cass. 23 nov. 2010, AR P.10.1428.N, AC 2010, nr. 690, met concl. van advocaat-generaal Duinslaeger.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0154.N

EXEL (WOMMELGEM) nv, met zetel te 2800 Mechelen, Industriezone Me-chelen Noord II, Zandvoortstraat 3,

burgerlijke partij,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. W L J D,

beklaagde,

2. A M L M D,

beklaagde,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 21 december 2011.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Zij doet ook zonder berusting afstand van haar cassatieberoep in zoverre dit ge-richt is tegen:

- de beslissing op de strafvordering;

- de beslissing op de door haar ingestelde burgerlijke rechtsvordering tegen de eerste verweerder of zijn rechtsopvolgers.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest zegt "voor recht dat er geen rechtsgrond bestaat om de (eiseres) te veroordelen tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding aan (de tweede verweerster)".

De eiseres heeft geen belang om tegen deze beslissing op te komen.

Het cassatieberoep is in zoverre niet ontvankelijk.

Middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM, de artikelen 154, 189 en 211 Wetboek van Strafvordering en artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: de eiseres had ter staving van de aanvoering dat de tweede verweerster zich schuldig had gemaakt aan loondiefstal, verwezen naar de eigen bekentenis van de tweede verweerster tegenover de politie; de appelrechters oordelen dat met deze zelfincriminerende verklaring geen rekening kan worden gehouden omdat zij afgelegd werd zonder bijstand van een raadsman; uit de stuk-ken van het strafdossier blijkt evenwel dat de tweede verweerster op het ogenblik van die verklaring niet van haar vrijheid was beroofd en zich kon onttrekken aan de ondervraging; er werd niet vastgesteld dat er misbruik of dwang werd gebruikt, dat zij zich in een kwetsbare positie bevond, dat zij niet de mogelijkheid had een beroep te doen op een advocaat of dat op dergelijke vraag afwijzend zou zijn beslist; bijgevolg konden de appelrechters niet wettig weigeren rekening te houden met die verklaring van de tweede verweerster als bewijsmiddel en wijzen zij ten onrechte de burgerlijke rechtsvordering van de eiseres tegen de tweede verweerster af als ongegrond.

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, waaronder de appel-conclusie van de eiseres, blijkt niet dat de eiseres ter staving van de aanvoering dat de tweede verweerster zich schuldig had gemaakt aan loondiefstal, verwezen heeft naar de eigen bekentenis van de tweede verweerster tegenover de politie.

Evenmin blijkt uit die stukken dat de tweede verweerster op het ogenblik van het afleggen van die zelfincriminerende verklaring niet van haar vrijheid beroofd was.

In zoverre het middel het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

4. Het recht op bijstand van een advocaat, gewaarborgd bij artikel 6.3 EVRM zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, houdt in dat er gedurende het volledige vooronderzoek toegang moet zijn tot een advocaat, tenzij is aangetoond dat er wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak dwingende redenen zijn om dit recht te beperken. Zelfs in dat geval mag een der-gelijke beperking, wat ook de rechtvaardiging ervan is, niet onrechtmatig de rech-ten van de beklaagde zoals beschermd bij artikel 6.1 en 6.3 EVRM beperken.

5. Het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces zijn in de regel geschaad als zelfincriminerende verklaringen die werden afgelegd tijdens een po-litieverhoor zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat, worden gebruikt voor een veroordeling.

Deze omstandigheid heeft nochtans niet automatisch voor gevolg dat het definitief onmogelijk is de zaak van een verdachte en vervolgens beklaagde op eerlijke wijze te behandelen.

Wanneer de rechter de verklaringen niet als doorslaggevend bewijs gebruikt, er kennelijk geen misbruik of dwang is gebruikt en de beklaagde zich op het ogenblik van het verhoor en tijdens het onderzoek niet in een kwetsbare positie bevond, of aan de kwetsbare positie van de beklaagde op een daadwerkelijke en passende wijze is geremedieerd, blijft het eerlijke karakter van het proces gevrijwaard.

6. De appelrechters stellen onaantastbaar vast dat het "niet uitgesloten" is dat de in de telastlegging opgesomde goederen ooit opgeslagen waren in de magazij-nen van de eiseres of ooit deel uitgemaakt hebben van de binnen de eiseres be-staande "zwarte stock" of van een lading te vernietigen goederen die op 27 maart 2003 vanuit de magazijnen van de eiseres getransporteerd werden naar de firma Mirec in Sint-Niklaas.

Zij oordelen bovendien dat:

- de verklaringen die ter zake afgelegd werden door oud-collega's van de tweede verweerster, ingevolge onvoldoende zekerheid betreffende de objectiviteit ervan onvoldoende bewijskrachtig zijn om met zekerheid te besluiten tot haar schuld;

- met de zelfincriminerende verklaringen van de tweede verweerster geen reke-ning kan worden gehouden vermits deze verklaringen afgelegd werden zonder bijstand van een raadsman.

Uit het geheel van deze redenen blijkt dat de appelrechters die oordelen dat zij het niet bewezen achten dat de tweede verweerster zich schuldig heeft gemaakt aan de haar ten laste gelegde feiten van loondiefstal, enkel tot een ander besluit konden komen wanneer zij de zelfincriminerende verklaringen van de tweede verweerster als doorslaggevend bewijs zouden aanvaarden, wat in strijd zou zijn met het recht op een eerlijk proces.

Aldus verantwoorden zij hun beslissing naar recht.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verleent de eiseres akte van haar afstand.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 86,27 euro waarvan 56,27 euro verschuldigd is.

F. Adriaensen

E. Francis A. Bloch

F. Van Volsem G. Jocqué L. Van hoogenbemt

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit raadsheer Luc Van hoogenbemt, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Geert Jocqué, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 8 januari 2013 uitgesproken door raadsheer Luc Van hoogenbemt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Verdachte

  • Zelfincriminerende verklaringen zonder bijstand van een advocaat