- Arrest van 16 januari 2013

16/01/2013 - P.12.1655.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het arrest van het hof van assisen dat, om de eiser schuldig te verklaren aan hem door het openbaar ministerie ten laste gelegde misdaden, op eensluidende getuigenverklaringen steunt die hem hetzij als opdrachtgever hetzij als uitvoerder van die misdaden aanwijzen en ook de redenen vermeldt die rechtvaardigen waarom een mogelijke verdachte van één van die misdaden buiten het geding is gesteld en de redenen verduidelijkt waarom het het alibi van de beschuldigde voor die misdaad afwijst, is niet in strijd met artikel 6 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1655.F

G. R.,

Mrs. Michel Bouchat, advocaat bij de balie te Charleroi, Marc Preumont, advocaat bij de balie te Namen, en Alain Delfosse, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest nummer 4 van 28 september 2010 van het hof van assisen van het bestuurlijk arrondissement Brussel-Hoofdstad, en de arresten nummers 4 en 5, van 3 en 7 september 2012 van het hof van assisen van de provincie Waals-Brabant op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 30 maart 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Op de rechtszitting van 9 januari 2013 heeft raadsheer Pierre Cornelis verslag uit-gebracht en heeft advocaat-generaal Raymond Loop geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen het arrest van 28 september 2010

Eerste middel

Eerste onderdeel

De eiser voert aan dat het arrest, door de schuldigverklaring te gronden op indirec-te getuigenissen die niet door objectieve gegevens worden gestaafd, niet naar recht verantwoord is.

Om de eiser schuldig te verklaren aan drie van de vier hem door het openbaar mi-nisterie ten laste gelegde moorden, steunt het arrest op eensluidende getuigenver-klaringen die hem hetzij als opdrachtgever hetzij als uitvoerder van die misdaden aanwijzen.

Volgens de gezworenen wijzen die getuigen op een conversatie tussen de eiser en een medebeschuldigde over de taakverdeling bij de uitvoering van de eerste twee misdaden.

Twee andere getuigen hebben verklaard dat er een diepe haat tussen de eiser en een van de slachtoffers bestond.

Het arrest vermeldt ook de redenen waarom een mogelijke verdachte van de derde misdaad buiten het geding wordt gesteld en verduidelijkt de redenen waarom het het alibi van de eiser voor die misdaad afwijst.

Die motivering is niet in strijd met artikel 6 EVRM.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Het middel voert een tegenstrijdigheid aan tussen de redenen die tot de veroorde-ling van de eiser hebben geleid en die waarop de vrijspraak van een medebeschul-digde is gegrond.

Het feit dat de rechter de draagwijdte van een getuigenverklaring verschillend be-oordeelt naargelang van de daarin bedoelde persoon, is geen door artikel 149 Grondwet verboden tegenstrijdigheid in de motivering.

Voor het overige oefent de eiser kritiek uit op de feitelijke beoordeling van de ge-zworenen, onder het voorwendsel dat deze tegenstrijdig is.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

Het middel voert aan dat het arrest, wegens het indirecte karakter van de getuige-nissen waarop het steunt en de tegenstrijdigheid waardoor het is aangetast, niet naar recht het bewijs levert van de schuld van de eiser.

Het middel, dat volledig is afgeleid uit de in de eerste twee onderdelen tevergeefs aangevoerde grieven, kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen het arrest van 3 september 2012

Tweede middel

Eerste en vierde onderdeel

Het middel voert aan dat de vernietiging van het door het hof van assisen op 28 september 2010 met toepassing van artikel 336 Wetboek van Strafvordering ge-wezen arrest, het rechtscollege op verwijzing ertoe verplichtte het proces van voor af aan te herbeginnen.

De vernietiging plaatst de rechter op verwijzing in dezelfde toestand als die van de rechter wiens beslissing werd vernietigd, met name op het tijdstip waarop laatstgenoemde de vernietigde beslissing heeft genomen.

Ten gevolge van het arrest van het Hof van 30 maart 2011 werd het hof van assi-sen van Waals Brabant, net als dat van het bestuurlijk arrondissement Brussel-Hoofdstad, geconfronteerd met een schuldigverklaring die gestaafd is met redenen uit arrest nummer 4, dat op 28 september 2010 door het laatstgenoemde hof van assisen is gewezen.

Het hof van assisen op verwijzing diende dus op zijn beurt te onderzoeken of er grond was om die beslissing met toepassing van artikel 336 Wetboek van Straf-vordering nietig te verklaren.

Aangezien het naar recht had beslist dat de motivering van de beslissing op geen enkele kennelijke vergissing berustte, diende het alleen nog het debat te voeren over de straf.

Het hof van assisen op verwijzing heeft aldus, zonder artikel 336 of een andere wetsbepaling te schenden, uitspraak gedaan binnen de perken van de uitgesproken vernietiging.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

De eiser voert aan dat het hof van assisen door het motiverend arrest marginaal te toetsen, artikel 336 Wetboek van Strafvordering heeft geschonden.

De beoordelingsbevoegdheid die artikel 336 aan dat rechtscollege toekent, is in de regel niet beperkt tot een juridisch toezicht op de beslissing.

Bij vernietiging kan het toezicht van het hof van assisen op verwijzing op de kwa-liteit van de beslissing, noodzakelijkerwijs slechts een marginaal toezicht zijn, dat wordt uitgeoefend op grond van het arrest dat de redenen van de vernietiging vermeldt, aangezien dat hof alleen uitspraak doet binnen de perken van de vernie-tiging en de rechtspleging moet hervatten in de staat waarin zij zich bevond op het ogenblik waarop het vernietigde arrest werd gewezen.

Het middel faalt naar recht.

Derde onderdeel

Het middel voert aan dat het hof van assisen, bij ontstentenis van een wetsbepa-ling die een onderzoek van de motivering van de beslissing na vernietiging moge-lijk maakt, zich aan machtsoverschrijding schuldig heeft gemaakt door in een met redenen omkleed arrest vast te stellen dat de gezworenen zich kennelijk niet had-den vergist betreffende de voornaamste redenen van hun beslissing.

Ten gevolge van de vernietiging van het arrest van 28 september 2010 diende het hof van assisen op verwijzing de rechtspleging te hervatten in de staat waarin zij zich bevond op het ogenblik waarop het vernietigde arrest werd gewezen.

Het hof van assisen dat dienaangaande uitspraak doet na het opstellen van de mo-tivering over de schuldvraag, was krachtens het voormelde artikel 336, tweede lid, bevoegd om te onderzoeken of de gezworenen zich niet kennelijk hadden vergist betreffende de voornaamste redenen die tot een schuldigverklaring hebben geleid.

Het hof staat voor de keuze om het debat ab initio te hervatten ingeval een derge-lijke vergissing eenparig wordt vastgesteld of, in het tegengestelde geval, het de-bat over de straf voort te zetten en dient bijgevolg zijn beslissing te verantwoor-den.

Het hof van assisen heeft geoordeeld dat het in de fase van verwijzing de motive-ring slechts marginaal kon toetsen, aangezien de magistraten waaruit het is sa-mengesteld de voorafgaande debatten niet hadden bijgewoond en de uitleg van de jury niet hadden gekregen.

Het heeft geoordeeld dat die motivering niet steunde op de kennelijke fout die het vernietigde arrest van 28 september 2010 daaraan toeschreef en dat zij geen ande-re kennelijke fout bevatte die tot tot een nieuwe toepassing van artikel 336 Wet-boek van Strafvordering kon leiden.

Het bestreden arrest beveelt vervolgens dat het debat over de straf onverwijld zou worden gevoerd.

Het hof van assisen heeft zich aldus niet schuldig gemaakt aan machtsoverschrij-ding.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Subsidiair verzoekt de eiser het Hof om de volgende vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen

"Voert artikel 336 van het Wetboek van Strafvordering, in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, een onverantwoord verschil in behandeling in tussen de beschuldigden, naargelang het, bij het opstellen van de motivering, ambtshalve wordt toegepast door een hof van assisen waar de zaak volledig werd behandeld of, in geval van vernietiging, door een hof van assisen op verwijzing, indien het aldus wordt geïnterpreteerd dat, ofschoon de beoordelingsbevoegdheid die artikel 336 toekent aan het hof van assisen, in de regel niet beperkt is tot een juridisch toezicht op de beslissing, het toezicht van het hof van assisen op verwijzing op de kwaliteit van de beslissing, bij vernietiging, noodzakelijkerwijs slechts een marginaal toezicht kan zijn op grond van het arrest dat de redenen van de vernietiging vermeldt, aangezien dat hof alleen uitspraak doet binnen de perken van de vernietiging en de rechtspleging moet hervatten in de staat waarin zij zich bevond op het ogenblik waarop het vernietigde arrest werd gewezen ?"

Aldus geformuleerd heeft de vraag geen betrekking op de verschillende behande-ling door het voormelde artikel 336 van twee categorieën van personen, maar op de toestand van een zelfde persoon in twee verschillende stadia van de rechtsple-ging.

Aangezien die vraag buiten het toepassingsgebied van artikel 26, § 1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof valt, hoeft zij niet te worden gesteld.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

C. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen het arrest van 7 september 2012

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Martine Regout en Pierre Cornelis, en in openbare terechtzitting van 16 januari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Peter Hoet en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Schuldigverklaring

  • Motivering

  • Beslissing gegrond op getuigenverklaringen

  • Artikel 6.1 E.V.R.M.

  • Recht op een eerlijke behandeling van de zaak