- Arrest van 21 januari 2013

21/01/2013 - C.10.0551.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Na de verdeling bepaald bij artikel 883 van het Burgerlijk Wetboek, mag de pachter, overeenkomstig artikel 34 van de wet van 4 november 1969 betreffende de pacht, de pacht van de gronden die door de verdeling aan één van de deelgenoten zijn toegewezen, zonder toestemming overdragen aan een persoon bedoeld in die bepaling, aangezien die overdracht ten aanzien van die laatste betrekking heeft op het geheel van de pacht.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0551.N

1. M. C.,

2. J. E.,

3. A.D.,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

M. M.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis op 20 mei 2009 in hoger beroep gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Verviers.

De zaak is bij beschikking van 3 januari 2013 door de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren twee middelen aan waarvan het eerste luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 544 en 883 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 30, 34 en 35 van de wet van 4 november 1969 betreffende de pacht, ter vervanging van hoofdstuk II van titel VIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis heeft vastgesteld dat:

a) luidens een authentieke akte van 28 maart 1991, N.M., M.V.D.B.-S en C.M. aan de eerste eiser verschillende gronden in pacht hebben gegeven met een oppervlakte van acht hectare zesendertig are en vijftien centiare voor een periode van achttien jaar met ingang van 15 september 1991,

b) die gronden gedeeltelijk naakte eigendom van N.M. en voor het andere deel naakte eigendom van C.M. waren (en uit de context van het vonnis, - inzonderheid uit de akte van verdeling waarvan hierna sprake - kan worden afgeleid dat N.M. en C.M. de onverdeelde naakte eigenaars waren van alle gronden), en M.V.D.B.-S. er het vruchtgebruik van had,

c) ingevolge een akte van 8 mei 1992, de naakte eigendom van die gronden ver-deeld werd, waarbij een kavel aan N.M. werd toegewezen en een andere kavel aan C.M. (aangezien M.C.D.B.-S. toen nog steeds het vruchtgebruik van die gronden had dat met haar overlijden op 12 augustus 1997 geëindigd is),

d) "mevrouw N.M. volgens een overeenkomst van 25 november 2002 de grond waarvan zij eigenaar was [aan de tweede eiser] in pacht heeft gegeven",

e) de eerste eiser en de eiseres de verweerder (die in de rechten en plichten is ge-treden van C.M. van wie het vonnis vaststelt dat zij overleden is op 1 oktober 1999 en de verweerder haar enige erfgenaam is) per aangetekende brief van 15 april 2003 hebben meegedeeld dat "zij, overeenkomstig artikel 35 van de Pachtwet, de erfpacht in zijn geheel hadden overgedragen (aan de tweede eiser), echtgenoot van hun dochter",

f) de verweerder "de overdracht van de pacht geweigerd heeft omdat de pacht niet geheel werd overgedragen en de overdracht niet tegelijkertijd ter kennis was gebracht aan zijn (...) medeverpachtster, mevrouw N.M.",

g) de verweerder betoogde "dat de pacht verbroken werd op grond dat de pacht-overdracht onbestaand werd geacht omdat die niet rechtsgeldig op het geheel was gebeurd, en aldus zijn wil te kennen gaf om zelf te exploiteren; dat hij de overnemer ook verweet een pachtovereenkomst met mevrouw N.M. te hebben gesloten".

Het bestreden vonnis dat, op het hoger beroep van de eisers tegen de beslissing van de vrederechter die het bevestigt, uitspraak moest doen over het verzet van de verweerder tegen de pachtoverdracht door de eerste eiser en tegen diens vorderingen tot ontbinding van de pachtovereenkomst (nieuwe voor de appelinstantie aangevoerde vordering) en tot schadevergoeding, verklaart vervolgens het verzet van de verweerder gegrond, spreekt de ontbinding van de pachtovereenkomst uit op 1 april 2003 in het nadeel van de eerste eiser en de eiseres, veroordeelt de eisers tot het verlaten van het pachtgoed en stelt dat ter be-schikking van de eigenaar en veroordeelt hen ook tot het betalen van een gebruiksvergoeding, om de volgende redenen:

"3.2.1. De akte van verdeling heeft de pacht van 28 maart 1991 niet in twee delen gesplitst; de goederen werden door de verdeling daadwerkelijk onder de gewezen mede-eigenaars verdeeld maar niet de pacht;

De splitsing en de verdeling van een onroerend goed in meerdere kavels stelt geen einde aan de bestaande pacht op dat goed;

Op pagina 5 van hun appelconclusie geven [de eisers] trouwens toe dat de verdeling het unieke karakter van de pacht niet verbroken heeft;

3.2.2. De verdeling is een overeenkomst tussen partijen die, krachtens artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek, aan derden geen nadeel mag toebrengen noch tot voordeel mag strekken, ze alleen gevolgen heeft voor de deelhebbende erfgenamen en niet voor de pacht; de pacht door het aanwijzend karakter van de verdeling bijgevolg niet in twee kan worden gesplitst.

Artikel 55 van de Pachtwet dat de [eisers] onterecht aanvoeren onderbouwt hun stelling niet en veronderstelt geenszins een verdeling maar beoogt daarentegen het voortbestaan van de pacht, zelfs in geval van vervreemding;

Er is ook geen nieuwe verpachter aangezien het de verpachters zijn die oorspronkelijk bij akte van 28 maart 1991 met de pacht hebben ingestemd en er geen persoonswijziging is geweest;

3.2.3. De bewoording (in de akte van verdeling) dat 'elke deelhebbende erfgenaam de kavel aanvaardt die deel uitmaakt van wat hem is toegewezen en dat elke afstand wederzijds toegestaan is', mag niet begrepen worden alsof de verdeling van de goederen ook een verdeling van de pacht zou teweegbrengen; de [eisers] kunnen niet gevolgd worden in hun redenering dat het gevolg van die ‘afstand' zou zijn dat de partijen uitdrukkelijk verzaakt hebben aan alle rechten en verplichtingen die uit pacht voortvloeien en zulks op het gedeelte dat aan de andere partij is toegewezen als gevolg van de verdeling;

3.2.4. Artikel 34 van de Pachtwet maakt het mogelijk om de pacht geheel, zonder de instemming van de verpachters, aan familieleden over te laten; om regelmatig te zijn moet die overdracht betrekking hebben op de gehele pacht; de uitzondering in artikel 34 van de Pachtwet moet strikt worden geïnterpreteerd;

De overdracht is nietig als de pacht niet geheel wordt overgedragen;

Als er trouwens meerdere verpachters zijn, moet ieder van hen in kennis worden gesteld van de overdracht; door de verdeling van 8 mei 1992 heeft mevrouw N.M. haar hoedanigheid van verpachter niet verloren op de pachtovereenkomst van 28 maart 1991, zodat de overdracht haar ook moest worden tegengeworpen;

De verpachter kan zelf de onregelmatigheid van de overdracht of van de kennisgeving bepaald bij artikel 35 van de Pachtwet [...] aanvoeren,

De [eerste twee eisers] beweren aan de pacht te hebben verzaakt ten voordele van de [derde];

[De verweerder] heeft terecht aangevoerd dat het tegenstrijdig is enerzijds een afzonderlijke regeling met mevrouw N.M. te treffen om een nieuwe gedeeltelijke pachtovereenkomst te sluiten en anderzijds, tegelijkertijd een gehele overdracht van de pacht van 1991 ter kennis te brengen (van de verweerder);

De overdracht die tot stand kwam bij de brief van 15 april 2003 is niet geldig, vooreerst niet omdat zij niet de gehele pacht bestrijkt, en vervolgens omdat zij niet ter kennis van mevrouw N.M. werd gebracht;

3.2.5. Ontbinding van de pachtovereenkomst

[De verweerder] voert op grond van artikel 29 van de Pachtwet aan dat de sanctie bestaat uit de ontbinding van de pachtovereenkomst met een schadevergoeding ten laste van de pachter; hij stelt dat een pachtovereenkomst verbroken wordt wanneer men een nieuwe pachtovereenkomst sluit die hetzelfde goed betreft, dat het feit om de bestaande pacht te splitsen door een afzonderlijke regeling met mevrouw N.M., een schending is van de pachtovereenkomst van 1991;

Krachtens het arrest van het Hof van Cassatie van 15 april 1993 [...], heeft de wetgever gewild dat de bodemrechter oordeelt of de niet-uitvoering van de pachtovereenkomst ernstig genoeg is om ontbinding uit te spreken en dat het ernstige karakter van de niet-uitvoering dient te worden beoordeeld op grond van het al dan niet bestaan van schade aan de zijde van de verpachter;

De pachter die zijn pachtovereenkomst met schending van de artikelen 30 en 34 van de Pachtwet overdraagt, miskent hierdoor een beding van de pachtovereenkomst aangezien de bewoording ervan zowel uitdrukkelijk door de partijen kan zijn bepaald als dwingende wettelijke bepalingen kan betreffen; het staat aan de rechter na te gaan ‘of het geschil zo radicaal met de ontbinding van de pachtovereenkomst moet bestraft worden' [...],

Door af te zien van de pacht 28 maart 1991 ten voordele van de [tweede eiser] die een pachtovereenkomst is aangegaan met de verpachtster N.M., hebben [de eerste eiser en de eiseres] een fout begaan die voldoende ernstig is om de ontbinding van de pachtovereenkomst in hun nadeel te rechtvaardigen".

Grieven

Luidens artikel 30 van de Pachtwet, mag de verpachter zijn pacht niet overdragen zonder toestemming van de verpachter.

Artikel 34 van dezelfde wet maakt een uitzondering op die regel wanneer a) de over-dracht onder meer wordt gedaan aan een afstammeling of aan de echtgenoot van een afstammeling van de pachter en b) "de pacht geheel overgedragen wordt".

Luidens artikel 35 van dezelfde wet, ontstaat door de kennisgeving aan de verpachter door de pachter, van de pachtoverdracht aan een overnemer beoogd in artikel 34, binnen drie maanden na de ingenottreding van de overnemer, bij gebreke van geldig verklaard verzet van de verpachter, van rechtswege pachtvernieuwing van de overnemer.

Met toepassing van artikel 883 van het Burgerlijk Wetboek wijst de verdeling, wanneer verschillende in onverdeeldheid zijnde eigenaars een pachtovereenkomst zijn aangegaan, aan iedere deelhebbende erfgenaam de eigendom toe van de gronden van de hem toegewezen kavel met als gevolg dat hij de enige verpachter is van die gronden. Dat geldt ook wanneer de pachtovereenkomst door meerdere naakte eigenaars en door een vruchtgebruiker is aangegaan: de verdeling van de naakte eigendom draagt aan elke deelhebbende erfgenaam de naakte eigendom over van de gronden van de hem toegewezen kavel, met als gevolg dat hij, zodra het vruchtgebruik vervalt, de enige verpachter van die gronden is.

Eerste onderdeel

Bij een verdeling van gronden waarbij meerdere in onverdeeldheid zijnde eigenaars een pachtovereenkomst zijn aangegaan, mag de pachter zijn pacht zonder toestemming overdragen aan een overnemer bedoeld in artikel 34 van de Pachtwet, in zoverre die overdracht betrekking heeft op de gronden die door de verdeling aan één van de in onverdeeldheid zijnde eigenaars is toegewezen, aangezien die overdracht ten aanzien van die eigenaar beschouwd moet worden als de overdracht van de "gehele pacht".

Dat geldt evenzeer wanneer meerdere in onverdeeldheid zijnde naakte eigenaars en de vruchtgebruiker een pachtovereenkomst zijn aangegaan bij verdeling van de naakte eigendom en verval van het vruchtgebruik.

Hieruit volgt dat het vonnis dat om de aangevochten redenen beslist dat de overdracht die op 15 april 2003 door de eerste eiser en eiseres ter kennis werd gebracht van de tweede eiser, van wie het vonnis vaststelt dat hij de echtgenoot van hun dochter is, van de pachtovereenkomst die oorspronkelijk gesloten werd door de eerste eiser, pachter, en rechtsvoorganger van de verweerder, C.M., van wie het vonnis vaststelt dat hij de enige erfgenaam is, N.M., naakte eigenaars, en M.V.D.B.-S., vruchtgebruikster (aangezien het vruchtgebruik vervallen is bij het overlijden van de vruchtgebruikster op 12 augustus 1997), verpachters, aangezien zij be-trekking heeft op de gronden die zijn toegewezen aan de rechtsvoorganger van de verweerder door de akte van verdeling tussen de rechtsvoorganger van de verweerder en N.M. op 8 maart 1992, nietig was omdat zij geen betrekking had op "de gehele pachtovereenkomst", zijn beslissing niet naar recht verantwoordt (schending van de artikelen 883 van het Burgerlijk Wetboek, 30 en 34 van de wet van 4 november 1969).

Tweede onderdeel

Het bestreden vonnis beslist dat de eerste eiser en de eiseres luidens de overeenkomst van 25 november 2002 waarbij zij afstand doen van de pachtovereenkomst van 28 maart 1991, gesloten tussen de rechtsvoorganger van de verweerder, C.M., N.M., naakte eigenaars, en M.V.D.B.-S, vruchtgebruikster (aangezien het vruchtgebruik vervallen is bij het overlijden van de vruchtgebruikster), verpachters, en de eerste eiser, pachter, ten voordele van de tweede eiser, van wie het vonnis vaststelt dat hij de echtgenoot is van de dochter van de eerste eiser en de eiseres, en hij "een pachtovereenkomst had gesloten met N.M.", aangezien die afstand en die nieuwe pachtovereenkomst betrekking hebben op de gronden die bij de akte van 8 mei 1992 aan N.M. waren toegewezen, "een fout hebben begaan die voldoende ernstig is om de ontbinding van de pacht in hun nadeel te rechtvaardigen", en zodoende verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht.

N.M. is immers als gevolg van de akte van verdeling van 8 mei 1992 en na het verval van het vruchtgebruik van M. V.D.B.-S. de enige verpachter geworden van de gronden die de kavel vormden die haar door de akte van verdeling was toegewezen.

Daaruit volgt dat de eerste eiser en de eiseres door hun afstand van de pachtovereenkomst als pachters en het afsluiten door N.M. van een nieuwe pachtovereenkomst met de tweede eiser, aangezien die afstand en het afsluiten van een nieuwe pachtovereenkomst de facto gelijk is aan een overdracht door de eerste eiser en de eiseres aan de tweede eiser van hun pachtovereenkomst, maar aangezien die pachtovereenkomst betrekking had op de gronden die bij de akte van verdeling van 8 mei 1992 aan N.M. waren toegewezen, ervan uitgaand dat die overdracht gebeurde met de toestemming van N.M., gehandeld hebben overeenkomstig artikel 30 van de wet en bijgevolg het recht hadden hun pacht-overeenkomst over te dragen aan N.M. [lees: aan de tweede eiser] aangezien die betrekking had op die gronden.

Zelfs zonder de toestemming van N.M. hadden de eisers hoe dan ook het recht hun pacht over te dragen aangezien die betrekking had op de gronden waarvan zij de enige eigenaar en dus enige verpachtster was geworden (na het verval van het vruchtgebruik van M.V.D.B.-S.) als gevolg van de verdeling, met toepassing van artikel 34 van de wet, aangezien die overdracht ten aanzien van N.M. beschouwd moet worden als de overdracht van de "gehele pacht".

De toestemming van de verweerder was niet vereist.

Het bestreden vonnis laakt die afstand en het afsluiten door de eisers van een nieuwe pachtovereenkomst met N.M. en bijgevolg is het niet naar recht verantwoordt (schending van de artikelen 883 van het Burgerlijk Wetboek, 30 en 34 van de wet van 4 november 1969).

Het vonnis dat die afstand en het afsluiten van een nieuwe pachtovereenkomst laakt, miskent bovendien hiermee het recht waarbij N.M. door de akte van verdeling van 8 mei 1992 de volle eigendom als enige verpachtster verwerft (na het verval van het vruchtgebruik van M.V.D.B.-S.) van de gronden die haar door die akte zijn toegewezen, namelijk haar recht om zich niet te verzetten tegen de afstand door de eerste eiser van zijn pachtovereenkomst en volledige vrijheid van handelen te hebben om een nieuwe pachtovereenkomst te sluiten met de tweede eiser (schending van de artikelen 544 en 883 van het Burgerlijk Wetboek).

(...)

Vierde onderdeel

Aangezien de overdracht van de pachtovereenkomst door de pachter, overeenkomstig artikel 34 van de Pachtwet, namelijk de overdracht die gedaan werd aan één van in deze tekst bedoelde begunstigden (en onder meer aan een afstammeling of echtgenoot van een afstammeling van de pachter) en die "de gehele pacht" betreft, rechtsgeldig is zonder dat de toestemming van de verpachter vereist is, maakt het niet uit of de kennisgeving van een overdracht bedoeld in artikel 35 van dezelfde wet al dan niet onregelmatig is.

Die kennisgeving heeft geen weerslag op de regelmatigheid van de overdracht.

Het feit dat zij gebeurde binnen drie maanden na de overdracht heeft tot gevolg dat de oorspronkelijke door de overdrager aangegane pachtovereenkomst van rechtswege in het voordeel van de overdrager vernieuwd wordt tenzij het verzet van de verpachter gegrond wordt geacht.

Het ontbreken of de onregelmatigheid van een dergelijke kennisgeving heeft tot gevolg dat de oorspronkelijke pachtovereenkomst niet wordt vernieuwd maar dat ze verder loopt.

Het ontbreken of de onregelmatigheid van die kennisgeving heeft in geen geval een weerslag op de overdracht van de pachtovereenkomst die, aangezien zij conform de vereisten van de artikelen 30 en 34 van de wet is, uitwerking krijgt.

Hieruit volgt dat het vonnis dat, om de aangevochten redenen, enerzijds beslist dat "de verpachter de onregelmatigheid van de overdracht of van de in artikel 35 van de Pachtwet bepaalde kennisgeving kan aanvoeren", met als gevolg dat zowel de overdracht van de pachtovereenkomst, in zoverre die betrekking had op de gronden die bij de akte van verdeling van 8 mei 1992 waren toegewezen aan N.M., als de latere overdracht van de pachtovereenkomst, in zoverre die betrekking had op de gronden die bij dezelfde akte waren toegewezen aan de rechtsvoorganger van de verweerder, C.M. geen uitwerking konden hebben aangezien de kennisgeving van die overdrachten onregelmatig was vermits ze allebei zowel aan N.M. als aan de verweerder moesten zijn gedaan, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt: het koppelt aan de kennisgeving bedoeld in artikel 35 van de Pachtwet een gevolg dat het niet heeft doordat het de wettelijkheid van de ter kennis gestelde overdracht ondergeschikt stelt aan de regelmatigheid van de kennisgeving.

De onregelmatigheid van de kennisgeving heeft tot gevolg dat de overdrager houder blijft van de oorspronkelijke pachtovereenkomst en niet van een nieuwe pachtovereenkomst. Maar dat heeft geen betrekking op de regelmatigheid van de overdracht als dusdanig.

Daardoor schendt het vonnis dus artikel 35 van de wet van 4 november 1969.

Uit de overwegingen van het eerste en derde onderdeel die verondersteld worden hier volledig te zijn overgenomen kan in ieder geval worden afgeleid dat de verweerder, door de akte van verdeling van 8 mei 1992 en na verval van het vruchtgebruik van M.V.D.B.-S., de enige verpachter geworden is van de gronden die hem door de verdeling zijn toegewezen en die het voorwerp zijn van de overdracht die per aangetekende brief van 15 april 2003 ter kennis is gebracht, aangezien die overdracht ten aanzien van de verweerder beschouwd moet worden als de overdracht van de "gehele pacht".

Daaruit volgt dat die overdracht alleen ter kennis van de verweerder moest worden gebracht om de pachtovereenkomst van de begunstigde van de overdracht overeenkomstig artikel 35 van de wet van 4 november 1969 te vernieuwen. Het vonnis dat daarentegen beslist dat die overdracht "niet geldig is" inzonderheid op grond "dat ze niet aan N.M. ter kennis is gebracht, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht (schending van de artikelen 883 van het Burgerlijk Wetboek, 30, 34 en 35 van de wet van 4 november 1969).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Hoewel de pachter van landeigendommen, krachtens artikel 30 van de wet van 4 november 1969 betreffende de pacht, in de regel toestemming van de verpachter moet krijgen om zijn pacht over te dragen, kan hij zijn pacht, luidens artikel 34, zonder die toestemming onder meer geheel overdragen aan één van zijn afstam-melingen of aan de echtgenoot van één van zijn afstammelingen.

Artikel 883 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat, wanneer verschillende in onver-deeldheid zijnde eigenaars een pachtovereenkomst zijn aangegaan en het verhuur-de goed vervolgens onder hen wordt verdeeld, ieder van hen vanaf de aanvang van de onverdeeldheid geacht wordt alleen de eigendom te hebben gehad van het deel van het goed dat in zijn kavel is begrepen zodat hij alle rechten van enige verpachter op dat deel van het goed bezit.

Daaruit volgt dat de pachter, overeenkomstig voornoemd artikel 34, na de verde-ling de pacht van de gronden die door de verdeling aan één van de deelgenoten zijn toegewezen, zonder toestemming mag overdragen aan een persoon bedoeld in die bepaling, waarbij die overdracht ten aanzien van laatstgenoemde betrekking heeft op de gehele pacht.

Het bestreden vonnis stelt vast dat:

- C. M., rechtsvoorganger van de verweerder, en N. M. op 28 maart 1991 een pachtovereenkomst met de eerste eiser zijn aangegaan over gronden waarvan zij de onverdeelde eigenaars zijn;

- die gronden op 8 mei 1992 verdeeld zijn in twee kavels die aan de deelheb-bende erfgenamen zijn toegewezen;

- N. M. op 25 november 2002 een pachtovereenkomst met de tweede eiser is aangegaan over de gronden uit haar kavel;

- de eerste eiser en de eiseres bij aangetekende brief van 15 april 2003 de ver-weerder hebben gemeld dat zij, "overeenkomstig artikel 35 van de Pachtwet, de pacht geheel hadden overgedragen [aan de tweede eiser], echtgenoot van hun dochter".

Het bestreden vonnis oordeelt dat "de akte van de verdeling de pacht van 28 maart 1991 niet in twee delen heeft gesplitst", dat "de splitsing en de verdeling van een onroerend goed in verschillende kavels de bestaande pachtovereenkomst over dat goed niet beëindigt", dat "de verdeling een overeenkomst is tussen partijen die krachtens artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek aan derden geen nadeel mag toebrengen noch tot voordeel mag strekken, [dat] de verdeling alleen gevolgen heeft voor de deelhebbende erfgenamen en niet voor de pacht [en dat] door het aanwijzend karakter van de verdeling de pacht door die verdeling niet in twee kan worden gesplitst".

Het vonnis dat om die reden oordeelt dat de eerste eiser en de eiseres aan de tweede eiser niet de gehele pacht hebben overgedragen, verantwoordt zijn beslissing om die overdracht nietig te verklaren niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Vierde onderdeel

Overeenkomstig artikel 35, eerste lid, Pachtwet, ontstaat door de kennisgeving aan de verpachter door de pachter, van de pachtoverdracht aan een overnemer be-doeld in artikel 34, binnen drie maanden na de ingenottreding van de overnemer, bij gebreke van geldig verklaard verzet van de verpachter, van rechtswege pacht-vernieuwing ten voordele van de overnemer.

Uit artikel 883 Burgerlijk Wetboek volgt dat, wanneer verschillende in onver-deeldheid zijnde eigenaars een pachtovereenkomst zijn aangegaan, het verhuurde goed vervolgens onder die laatsten wordt verdeeld, de kennisgeving van de over-dracht aan die onverdeelde eigenaar alleen overeenkomstig dat artikel 35 volstaat om de pacht van rechtswege te vernieuwen ten voordele van de overnemer.

Het bestreden vonnis overweegt "in geval er verschillende verpachters zijn, de overdracht aan ieder van hen ter kennis moet worden gebracht [overeenkomstig artikel 35 Pachtwet]" en dat "mevrouw N.M. door de verdeling op 8 mei 1992 haar hoedanigheid als verpachtster van de pacht van 28 maart 1991 niet verloren is, zodat de overdracht ook aan haar moet worden tegengesteld", verantwoordt zijn beslissing om de litigieuze overdracht nietig te verklaren niet naar recht.

In zoverre is het onderdeel gegrond.

Tweede onderdeel

Uit artikel 883 Burgerlijk Wetboek volgt dat, wanneer verschillende in onver-deeldheid zijnde eigenaars een pachtovereenkomst zijn aangegaan en het verhuur-de goed vervolgens onder hen verdeeld wordt, de pachter na die verdeling afstand kan doen van de pacht van de gronden die aan één van de deelgenoten is toegewezen, louter met de instemming van die laatste.

Het vonnis oordeelt dat "door af te zien van de pacht van 28 maart 1991 ten voor-dele van de [tweede eiser] die een pachtovereenkomst is aangegaan met de ver-pachtster N. M., hebben [de eerste eiser en de eiseres] een fout begaan die vol-doende ernstig is om de ontbinding van de pacht in hun nadeel te rechtvaardigen" en verantwoordt aldus zijn beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Omvang van cassatie

De vernietiging van de beslissing om de ontbinding van de pacht uit te spreken strekt zich uit tot de beslissing waarbij de eisers worden veroordeeld tot het beta-len van een gebruiksvergoeding die daarvan het gevolg is.

Overige grieven

Het derde onderdeel van het eerste middel en het tweede middel kunnen tot geen ruimere cassatie leiden en hoeven dus niet te worden onderzocht.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis behalve in zoverre het de vordering tot schadever-goeding van de verweerder niet gegrond verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Hoei, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Mireille De-lange et Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 21 januari 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Overdracht van de huur

  • Afstammelingen en consoorten

  • Verpachters die in onverdeeldheid zijn

  • Verdeling