- Arrest van 22 januari 2013

22/01/2013 - P.12.0543.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De appelrechters die, na het verval van de strafvordering te hebben vastgesteld, bij de beoordeling van de tegen de beklaagde gerichte burgerlijke rechtsvordering vaststellen dat hij de als misdrijf omschreven feiten heeft gepleegd, dienen dit niet te doen met eenstemmigheid omdat de beoordeling van de burgerrechtelijke rechtsvordering door de appelrechters immers geen repressieve draagwijdte heeft.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0543.N

P A N V,

beklaagde,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie en met als raadsman mr. Philip Traest, advocaat bij de balie te Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiser woonplaats kiest, en tevens met als raadsman mr. Marcel Storme, advocaat bij de balie te Gent,

tegen

W D,

burgerlijke partij,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 17 februari 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest stelt vast dat de strafvordering lastens de eiser is vervallen door verjaring en dat de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder tegen de eiser voor zover gesteund op de telastlegging B niet gegrond is.

In zoverre tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan be-lang niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, evenals miskenning van het wettelijk begrip oorzakelijk verband: op grond van de vaststellingen die het arrest bevat, konden de appelrechters niet wettig oordelen dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de lastens de eiser bewezen ver-klaarde feiten A.1, A.2, C en D en de door de verweerder gevorderde schade; uit de vaststellingen van het arrest volgt dat de aandelen van de verweerder, die een waardevermindering hebben ondergaan en waarvoor hij een schadevergoeding vordert, reeds in diens bezit waren vooraleer de aan de eiser bewezen verklaarde feiten werden gepleegd en het dus geen aandelen betreft waarop werd ingeschre-ven ter gelegenheid van de betwiste kapitaalsverhoging; het arrest stelt vast dat de bewezen verklaarde feiten tot doel hadden inschrijvingen op de kapitaalsverho-ging uit te lokken, de beurskoers van de FLV-Fund-aandelen op te krikken en de vennootschap zelfs deels financiële middelen te laten verstrekken voor de aankoop van eigen aandelen, of kortom de kapitaalsverhoging te doen lukken; het stelt bovendien vast dat zonder eisers medewerking aan deze feiten de kapitaals-verhoging zou zijn mislukt en er geen inschrijvingen zouden hebben plaatsgevon-den; die feitelijke gegevens volstaan niet om een oorzakelijk verband aan te nemen tussen de lastens de eiser bewezen verklaarde feiten en de gevorderde schade; de appelrechters stellen immers niet vast dat zonder de bewezen verklaarde feiten en zonder de kapitaalsverhoging de koers van de aandelen van de verweerder zou zijn gelijk gebleven of niet zou zijn gedaald.

3. In zijn conclusie heeft de verweerder aangevoerd dat het aan de eiser verwe-ten bedrog de schorsing van de notering van het aandeel tot gevolg had gedu-rende een lange periode en uiteindelijk heeft geleid tot de stopzetting van de acti-viteiten van het investeringsfonds van FLV-Fund en de ontbinding ervan, waardoor de waarde van de vennootschap en het aandeel FLV-Fund tot nul werd herleid (arrest, p. 12, ro 6.1).

De appelrechters oordelen dat de lastens de eiser bewezen fouten, die de in de te-lastleggingen A.1, A.2, C en D vervolgde misdrijven uitmaken, duidelijk mede oorzaak zijn van de vermindering van de waarde van de FLV-Fund-aandelen, ei-gendom van de verweerder, zoals door deze in conclusie uiteengezet en dat zonder deze fouten de schade van de verweerder zich niet zou hebben voorgedaan zoals zij zich in concreto heeft voorgedaan (arrest, p. 28, ro 6.3.3).

In zoverre berust het middel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

4. Op grond van de vaststellingen die het arrest bevat, konden de appelrechters oordelen dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de feiten der telastleggin-gen A.1, A.2, C en D en de door de verweerder gevorderde schade.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

5. Het middel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvorde-ring: de eerste rechter had de eiser vrijgesproken van de hem ten laste gelegde fei-ten; de appelrechters verklaren, na het verval van de strafvordering wegens verja-ring te hebben vastgesteld, op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder deze feiten bewezen en zij veroordelen de eiser tot het betalen van schadevergoe-ding; zij doen dit evenwel zonder de vaststelling dat die beslissing met eenparig-heid van stemmen werd gewezen en verantwoorden derhalve hun beslissing niet naar recht; ingevolge het hoger beroep van het openbaar ministerie behoudt de procedure in hoger beroep de repressieve draagwijdte die zij in eerste aanleg had, ook al hebben de appelrechters het verval van de strafvordering vastgesteld; zulks is niet te vergelijken met een procedure waar ingevolge het enkel hoger beroep van de burgerlijke partij voor de strafrechter in hoger beroep alleen de burgerlijke rechtsvordering ter beoordeling voorligt en waar de eenstemmigheidsvereiste niet geldt.

Indien het Hof van oordeel zou zijn dat geen eenstemmigheid is vereist, verzoekt de eiser aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: "Schendt artikel 211bis Wetboek van Strafvordering, in de interpretatie volgens welke het de appelrechters voor wie zowel het hoger beroep van het openbaar mi-nisterie als van een burgerlijke partij aanhangig is gemaakt, niet verplicht uitspraak te doen met eenparigheid van stemmen wanneer zij bij het wijzigen van de beslissing van de eerste rechter die zich onbevoegd had verklaard om kennis te nemen van de vordering van die burgerlijke partij vanwege de vrijspraak van de beklaagde, na het verval van de strafvordering wegens verjaring te hebben vast-gesteld die vordering geheel of gedeeltelijk gegrond te verklaren, de artikelen 10 en 11 Grondwet vermits dergelijke situatie niet gelijk te stellen is met de situatie waarbij het appelgerecht enkel gevat is van een hoger beroep van de burgerlijke partij, waarbij dergelijke eenparigheid niet vereist is, nu in het eerst vermelde geval de strafvordering door het hoger beroep van het openbaar ministerie nog steeds aanhangig wordt gemaakt bij het appelgerecht en het geding zijn repressief karakter niet heeft verloren?"

6. De appelrechters die, na het verval van de strafvordering te hebben vastge-steld, bij de beoordeling van de tegen de beklaagde gerichte burgerlijke rechtsvor-dering vaststellen dat hij de als misdrijf omschreven feiten heeft gepleegd, dienen dit niet te doen met eenstemmigheid. De beoordeling van de burgerlijke rechts-vordering door de appelrechters heeft immers geen repressieve draagwijdte.

Het middel dat geheel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

7. De voorgestelde prejudiciële vraag gaat geheel uit van dezelfde onjuiste rechtsopvatting.

De vraag wordt niet gesteld.

Derde middel

Eerste onderdeel

8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrech-ters beantwoorden niet eisers verweer dat gelet op de laattijdige inverden-kingstelling van de eiser en de niet-voeging van het hoofddossier de strafvorde-ring niet ontvankelijk was; de eiser heeft dit verweer voor de eerste rechter ge-voerd en die heeft dit gemotiveerd verworpen; uit geen enkel stuk blijkt dat de ei-ser van dit verweer afstand heeft gedaan of eraan heeft verzaakt; de enkele om-standigheid dat de appelrechters oordelen dat de eiser dit verweer niet langer heeft gevoerd, ontsloeg hen niet van de verplichting de ontvankelijkheid van de strafvordering te onderzoeken.

9. Artikel 149 Grondwet verplicht de appelrechter niet een voor de eerste rech-ter gevoerd en door die op gemotiveerde wijze weerlegd verweer, dat voor hem niet opnieuw is gevoerd, te beantwoorden, ook niet als de eiser van dit verweer niet uitdrukkelijk afstand heeft gedaan of eraan heeft verzaakt.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 774 Ge-rechtelijk Wetboek, evenals miskenning van het recht van verdediging: de appel-rechters heropenen ten onrechte niet het debat teneinde de eiser de gelegenheid te geven standpunt in te nemen over de vraag of hij zijn verweer met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering in hoger beroep handhaaft; na de vaststelling dat de eiser dit verweer voor de eerste rechter had gevoerd en die dit verweer gemotiveerd had verworpen en bij afwezigheid van een uitdrukkelijke af-stand van dit verweer door de eiser, waren de appelrechters daartoe gehouden.

11. De bij artikel 774, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven ver-plichting het debat te heropenen is niet van toepassing voor de strafgerechten, zelfs niet wanneer zij uitspraak doen over de burgerlijke rechtsvordering.

In zoverre het onderdeel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.

12. Noch artikel 6.1 EVRM noch het recht van verdediging vereisen dat de ap-pelrechter die vaststelt dat een partij een voor de eerste rechter gevoerd en door hem op gemotiveerde wijze verworpen verweer in hoger beroep niet langer voert, het debat heropent teneinde die partij alsnog toe te laten in hoger beroep dit ver-weer te handhaven, ook niet als die partij niet uitdrukkelijk van dit verweer af-stand heeft gedaan.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Derde onderdeel

13. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de eiser afstand heeft gedaan van zijn verweer omtrent de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering geven de appel-rechters aan eisers appelconclusie een uitlegging die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan en miskennen zij de bewijskracht ervan.

14. De eiser heeft voor de appelrechters geconcludeerd: "Het vonnis van de eerste rechter werd uitgebreid en op degelijke wijze gemotiveerd. De eerste rechter komt in het vonnis tegemoet aan alle vereisten van recht om tot vrijspraak in hoofde van [de eiser] te beslissen. Uiterst ondergeschikt mocht het [hof van beroep] van oordeel zijn dat de verjaringstermijn in onderhavige zaak niet werd bereikt - quod certe non - vraagt [de eiser] de integrale bevestiging van het eerste vonnis."

15. Met het oordeel "dat [de eiser] voor het hof [van beroep] niet (langer) op-werpt, zoals hij voor de eerste rechter deed, dat de strafvordering wat hem betreft onontvankelijk is wegens de miskenning van zijn rechten van verdediging door de beweerde laattijdigheid van zijn inverdenkingstelling en het feit dat het voorliggend strafdossier niet werd gevoegd bij het hoofddossier (...)", geven de appelrechters, die het verval van de strafvordering wegens verjaring vaststellen, een uitlegging die met de voormelde bewoordingen van eisers appelconclusie niet onverenigbaar is.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Vierde middel in zijn geheel

16. De onderdelen voeren schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: de appelrechters oordelen dat alle leden van de raad van be-stuur van FLVM, behoudens bestuurder J V, formeel waren dat noch de oprich-ting van FLVK noch de overmaking van het geld vooraf informeel was besproken zoals de eiser tijdens het vooronderzoek verklaarde; met dit oordeel geven de ap-pelrechters van de verklaringen van J V M opgenomen in het proces-verbaal nr. 421/2005 van 23 maart 2005 (eerste onderdeel) en in het proces-verbaal nr. 166/06 van 18 september 2006 (tweede onderdeel) en van de verklaring van W V opgenomen in het proces-verbaal nr. 784/05 van 28 juni 2005 (derde onderdeel) een uitlegging die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan en miskennen zij derhalve de bewijskracht ervan.

17. De appelrechters verwijzen met betrekking tot het in de onderdelen aange-haalde oordeel niet naar de vermelde processen-verbaal. Ze kunnen dan ook de bewijskracht ervan niet miskennen.

De onderdelen missen feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 139,43 euro.

it arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samenge-steld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 22 januari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maf-fei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Vaststelling van het verval van de strafvordering

  • Beoordeling van de tegen de beklaagde gerichte burgerrechtelijke vordering

  • Draagwijdte