- Arrest van 22 januari 2013

22/01/2013 - P.12.1615.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De Belgische rechter die geroepen wordt uitspraak te doen over de aanpassing van een in het buitenland uitgesproken straf of maatregel, zoals bedoeld in artikel 10 van de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van de gevonniste personen, oordeelt in feite, mitsdien onaantastbaar, op grond van de feitelijke omstandigheden in het buitenlandse vonnis vermeld, eventueel in samenhang met de inhoud van de stukken waarnaar dit vonnis verwijst, welk misdrijf in de Belgische wet van dezelfde aard is als het misdrijf, waarvoor in het buitenland straf werd uitgesproken; het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1615.N

S C C V G,

veroordeelde, gedetineerd,

eiser,

met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie te Tongeren.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 5 september 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 2bis, § 3, b, Drugswet: het arrest oordeelt dat het vreemde vonnis de eiser een straf van 14 jaar heeft opgelegd voor de invoer, het bezit en de handel van een hoeveelheid heroïne, met de omstandig-heid dat het misdrijf een daad van deelneming is aan de hoofd- of bijkomende be-drijvigheid van een vereniging; er is nochtans geen element teruggevonden dat de eiser deze inbreuken op de Drugswet met andere personen heeft begaan, noch dat er tussen deze personen een organisatie zou hebben bestaan; het arrest besluit ten onrechte tot het bestaan van een vereniging op basis van de hoeveelheid, de zui-verheidsgraad en de straatwaarde van de drugs, die geen van alle constitutieve be-standdelen zijn.

2. De Belgische rechter die geroepen wordt uitspraak te doen over de aanpas-sing van een in het buitenland uitgesproken straf of maatregel, zoals bedoeld in ar-tikel 10 van de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van de gevonniste personen, oordeelt in feite, mitsdien onaantastbaar, op grond van de feitelijke omstandigheden in het buitenlandse vonnis vermeld, eventueel in sa-menhang met de inhoud van de stukken waarnaar dit vonnis verwijst, welk mis-drijf in de Belgische wet van dezelfde aard is als het misdrijf, waarvoor in het bui-tenland straf werd uitgesproken. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vast-stellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.

Een vereniging, zoals bedoeld in artikel 2bis, § 3, b, Drugswet, vereist het bestaan van een georganiseerde groep van minstens twee personen, met als doel de onge-oorloofde bedrijvigheid met betrekking tot slaapmiddelen, verdovende middelen of psychotrope stoffen, welke voorkomen op de krachtens deze wet door de Ko-ning vastgestelde lijst.

Het arrest oordeelt dat gelet op de aard, de hoeveelheid, de zuiverheidsgraad en de straatwaarde van 900.000 pond van de door de eiser naar Groot-Brittannië overgebrachte drugs moet worden aangenomen dat de invoer een daad van deel-neming is aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging en dat het totaal onaannemelijk is dat hij zelf deze drugs kon aanschaffen of te gelde ma-ken.

3. Met die redenen verantwoordt het arrest de beslissing naar recht dat het door het buitenlandse vonnis vastgestelde feit naar Belgisch recht "onwettelijke invoer, niet voor eigen gebruik, van andere verdovende middelen dan cannabis is, met de verzwarende omstandigheid dat de invoer een daad van deelneming is aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging", zonder uit gedane vaststellingen gevolgen af te leiden die daar geen verband meehouden.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

4. In zoverre het middel voor het overige een onderzoek van feiten vereist, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

5. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 58,74 euro.

K. Vanden Bossche

P. Hoet A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openba-re rechtszitting van 22 januari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Aanpassing van een in het buitenland uitgesproken straf

  • Beoordeling door de Belgische rechter

  • Aard

  • Criteria