- Arrest van 24 januari 2013

24/01/2013 - C.11.0371.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 748bis van het Gerechtelijk Wetboek strekt ertoe het goede verloop van het proces te verbeteren en de rechtsgang te bespoedigen door het werk van de rechter te verlichten en veiliger te maken; die bepaling is bijgevolg van openbare orde en de partijen mogen er niet van afwijken.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0371.F

G.,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

CITIBANK BELGIUM nv,

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 11 januari 2011.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. FEITEN

De feiten van de zaak, zoals ze blijken uit het bestreden arrest en uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, kunnen als volgt worden samengevat:

1. Het fonds Citiportfolios is een gemeenschappelijk beleggingsfonds naar Luxemburgs recht dat wordt beheerd door de vennootschap naar Luxemburgs recht Citiportfolios en waarvan de vennootschap naar Luxemburgs recht Citibank Luxembourg de bewarende bank is.

2. Het prospectus van het fonds Citiportfolios werd in België verdeeld door de verweerster in haar hoedanigheid van instelling die door de vennootschap Citi-portfolios werd aangewezen overeenkomstig artikel 138, tweede lid, van de wet van 4 november [lees: december] 1990 op de financiële transacties en de financiële markten.

3. De eiser heeft tussen 12 en 24 januari 1996 in het fonds Citiportfolios belegd en daartoe rechtstreeks bij de bank Citibank Luxembourg ingetekend. De verweerster is niet opgetreden als inschrijvingswoonplaats en heeft ook geen enkel commis-sieloon in die hoedanigheid ontvangen.

4. Citibank Luxembourg heeft op 9 september 1996, met uitwerking op 17 sep-tember 1996, een einde gemaakt aan al haar bank- en zakenrelaties met de eiser. Zij heeft hem gevraagd om vóór die datum alle gelden en effecten die daar nog op zijn rekeningen stonden weg te halen. Citibank heeft de eiser gemeld dat zij, indien zij van hem geen instructies ontving over de aan te wenden verrichtingen om de deelbewijzen in het fonds Citiportfolios te gelde te maken, ze op zijn naam zouden worden ingeschreven in het register van de deelbewijzen dat de emittent bijhoudt.

5. Omdat de eiser Citibank Luxembourg geen instructies heeft gegeven, heeft zij op 14 oktober 1996 die inschrijving gedaan.

6. Begin december 1996, dus drie maanden na de beëindiging van de relaties met Citibank Luxembourg, heeft de eiser de verweerster aangeschreven om de levering te verkrijgen van al zijn certificaten van deelbewijzen aan toonder in het fonds Citiportfolios. De verweerster heeft de eiser geantwoord dat de deelbewijzen, aangezien ze werden aangekocht bij Citibank Luxembourg, niet bij haar in een dossier zaten en hem gemeld dat zij het dossier voor verder gevolg had overgezon-den naar Citibank Luxembourg.

III. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert vier middelen aan waarvan de eerste drie als volgt zijn gesteld.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- de artikelen 1131, 1132 en 1134 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 748bis van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 6 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955;

- algemene rechtsbeginselen van behoorlijk bestuur, en inzonderheid het beginsel van rechtszekerheid en het beginsel van het gewettigd vertrouwen.

Aangevochten beslissingen

Het arrest beslist dat met toepassing van artikel 748bis van het Gerechtelijk Wetboek, enkel acht mag worden acht geslagen op de tweede aanvullende conclusie die de eiser op 1 februari 2010 heeft neergelegd en die geldt als syntheseconclusie en de vorige conclusies van de eiser vervangt.

Het arrest grondt die beslissing op de redenen die het vermeldt onder IV.A. 1 en inzonderheid op de onderstaande overweging:

"1. [Eisers] conclusies

(De verweerster) betoogt dat het hof van beroep met toepassing van artikel 748bis van het Gerechtelijk Wetboek de tweede aanvullende conclusie die (de eiser) op 1 februari 2010 heeft neergelegd, in aanmerking moet nemen. Zij leidt daaruit af dat de vorige conclusies niet ter zake doen.

Artikel 748bis van het Gerechtelijk Wetboek, dat in werking is getreden op 22 juni 2007, bepaalt dat, onverminderd de toepassing van artikel 748, § 2, en behoudens in het geval van conclusies die er slechts toe strekken om een of meer van de in artikel 19, tweede lid, bedoelde maatregelen te verzoeken, een tussengeschil op te werpen dat aan het geding geen einde maakt ofte antwoorden op het advies van het openbaar ministerie, de laatste conclusies van een partij de vorm aannemen van syntheseconclusies en dat, voor de toepassing van artikel 780, eerste lid, 3°, de syntheseconclusies alle vorige conclusies vervangen en desgevallend de gedinginleidende akte van de partij die de syntheseconclusies neerlegt.

Artikel 780, eerste lid, 3°, bepaalt dat het vonnis, op straffe van nietigheid, behalve de gronden en de slotsom, het onderwerp van de vordering en het antwoord op de conclusies of middelen van de partijen bevat.

Het hof van beroep oordeelt dat enkel de laatste conclusie die dienstig is neerge-legd, in aanmerking mag worden genomen, daar zij, volgens de bewoordingen van de wetgever, de synthese is van het standpunt (van de eiser).

(Eisers) tweede aanvullende conclusie werd neergelegd op 1 februari 2010 terwijl de termijn voor de neerlegging op de griffie verstreek op 31 januari 2010. De neerlegging op 1 februari is echter regelmatig gebeurd omdat 31 januari 2010 een zondag was.

Die conclusie, die geldt als syntheseconclusie, vervangt dus de eerdere geschriften (van de eiser).

Het hof van beroep preciseert dat, hierboven, dus enkel [...] de slotsom van (eisers) conclusie en van zijn syntheseconclusie aanmerking werd genomen en dit uitsluitend voor de coherentie van het debat.

(De eiser) voert tevergeefs aan dat hij geen syntheseconclusie diende op de stellen daar zijn geschriften elkaar de facto en de iure aanvullen.

Hij verwijst naar het formulier 'gezamenlijk verzoek om een procedureagenda op te stellen' dat in het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 juni 2009 werd bekrachtigd en waardoor hij - overeenkomstig het protocol balie-magistratuur - geen laatste conclusie in de vorm van syntheseconclusie hoefde op te stellen.

Merkwaardig genoeg is dat formulier gedeeltelijk gescheurd.

Toen dit op het hof [van beroep] ter sprake kwam op de terechtzitting van 9 november 2010 werd geakteerd dat de partijen daarover geen bijzondere opmer-kingen hadden.

Het hof van beroep mag dat stuk in die toestand dus in aanmerking nemen.

Kennelijk is dat formulier een 'versie 19 oktober 2007', en dateert dus inderdaad van na de wetswijziging die op 22 juni 2007 in werking trad.

Het hof van beroep leidt daaruit dus af dat voornoemd stuk de betrekkingen tussen de balie en het hof van beroep regelt, althans op 4 juni 2009.

Dat gegeven heeft echter geen weerslag op de rechtspleging in deze zaak aangezien het gaat om betrekkingen tussen de advocaten en het hof van beroep.

Toen (de eiser) echter op 1 februari 2010 zijn tweede aanvullende conclusie neerlegde, had hij geen raadsman. Laatstgenoemde had op 27 augustus 2009 immers beslist hem niet langer te verdedigen (...).

Hij kan zich dus niet beroepen op een protocol dat enkel geldt voor een rechtspleging waar de partijen door een raadsman worden bijgestaan.

Het middel dat hij aanvoert is dus niet gegrond".

Grieven

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 149 van de Grondwet wordt elk vonnis met redenen omkleed. De beslissing die geen antwoord geeft op een duidelijk en omstandig verweer dat objectief controleerbare gegevens aanvoerde, is dus niet regelmatig met redenen omkleed.

De eiser voerde in zijn tweede aanvullende conclusie aan dat "deze tweede aan-vullende conclusie, overeenkomstig het desbetreffende protocol balie-magistratuur en luidens de afspraak in het gezamenlijk verzoek om een procedureagenda op te stellen en om een pleitdatum vast te leggen overeenkomstig artikel 747, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek op grond waarvan op 4 juni 2009 de beschikking werd uitgesproken die de termijnen voor de instaatstelling van de zaak vaststelde, niet opgesteld is in de vorm van syntheseconclusie en de appelconclusie en de aanvullende conclusie niet vervangt die [de eiser] respectievelijk op 31 augustus en op 30 november 2009 heeft neergelegd".

Hij stelde aldus dat er naast het protocol balie-magistratuur een afspraak was tussen de partijen die bleek uit het "formulier "gezamenlijk verzoek om een procedureagenda op te stellen" dat in het proces-verbaal van de rechtspleging d.d. 4 juni 2009 is bekrachtigd en waardoor zij geen laatste conclusie in de vorm van syntheseconclusie hoeven op te stellen.

Het arrest zegt alleen maar dat de eiser zich niet kan beroepen op het protocol balie-magistratuur dat enkel geldt voor een rechtspleging waar de partijen door een raadsman worden bijgestaand.

Het geeft aldus geen antwoord op de conclusie waarin de eiser aanvoerde dat er een afspraak tussen de partijen was om de laatste conclusie niet in de vorm van syntheseconclusie op te stellen. Het arrest is dus niet regelmatig met redenen omkleed (schending artikel 149 van de Grondwet).

Doordat het arrest de gevolgen van het protocol balie-magistratuur beperkt tot de partijen die door een advocaat worden bijgestaan, verleent het dat stuk een draagwijdte die onverenigbaar is met de artikelen 6 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in zoverre het een onverantwoorde discriminatie invoert tussen de partijen die door een advocaat worden bijgestaan en die welke niet door een advocaat worden bijgestaan (schending van de artikelen 6 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden).

Tweede onderdeel

Krachtens artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek strekken alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, degenen die deze hebben aangegaan, tot wet; daarbij staat het de partijen trouwens vrij alle overeenkomsten te sluiten die niet strijdig zijn met de openbare orde of met de goede zeden (artikelen 6, 1131, 1133 en 1134 van het Burgerlijk Wetboek).

De algemene beginselen van behoorlijk bestuur die het recht op rechtszekerheid en de bescherming van het gewettigd vertrouwen omvatten, moeten door het beheer van die griffie worden nageleefd. Die beginselen houden onder meer in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid. Daaruit volgt dat de door de overheid opgewekte gerechtvaardigde verwachtingen van de burger in de regel moeten worden gehonoreerd.

In deze zaak wordt geenszins betwist.dat de partijen een formulier "gezamenlijk verzoek om een procedureagenda op te stellen" hebben ondertekend dat in het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 juni 2009 wordt bekrachtigd waardoor zij geen laatste conclusie in de vorm van syntheseconclusie hoefden op te stellen.

De griffie van het hof van beroep te Brussel heeft dat formulier bezorgd en het bevat het akkoord van de partijen om de laatste conclusie niet in de vorm van syntheseconclusie op te stellen. Het heeft bij de eiser het gewettigd vertrouwen kunnen wekken dat hij zijn laatste conclusie niet in die vorm hoefde op te stellen.

Het arrest dat oordeelt dat geen rekening hoeft te worden gehouden met dat formulier "gezamenlijk verzoek om een procedureagenda op te stellen" weigert aan het akkoord tussen partijen, dat in dat formulier vervat is, het gevolg toe te kennen dat het wettelijk tussen hen heeft. Het miskent aldus de verbindende kracht van dat akkoord en schendt bijgevolg artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek of, op zijn minst, het beginsel van de contractuele vrijheid op grond waarvan de partijen mogen afwijken van artikel 748bis van het Gerechtelijk Wetboek (schending van de artikelen 6, 1131, 1133 en 1134 van het Burgerlijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, 748bis van het Gerechtelijk Wetboek).

Op zijn minst miskent het arrest eisers gewettigde verwachtingen die zijn ontstaan uit het formulier dat de griffie van het hof van beroep hem heeft bezorgd. Het miskent aldus het algemeen rechtsbeginsel van het recht op rechtszekerheid, en voor zoveel als nodig, het algemeen rechtsbeginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest herinnert eerst eraan dat de eiser in de slotsom van zijn op 31 augustus 2009 neergelegde appelconclusie (de slotsom van zijn aanvullende conclusie verwijst overigens ernaar) vordert "dat (de verweerster) wordt veroordeeld om (hem) de certificaten te bezorgen van de deelbewijzen die vermeld staan in het prospectus van het gemeenschappelijk beleggingsfonds Citiportfolios (...) die het bewijs leveren dat hij eigenaar is van de deelbewijzen die hij heeft aangekocht in de compartimenten French Equity (1.494, 227 deelbewijzen) en Japanese Equity (4.483, 724 deelbewijzen) van het gemeenschappelijk beleggingsfonds Citiportfolios; dat (de verweerster) wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom van 1.000.000 euro per dag indien (hij) niet alle voornoemde deelbewijscertificaten heeft ontvangen na de betekening van het te wijzen vonnis aan (de verweerster); dat (de verweerster) wordt veroordeeld om (hem) 56.774.000 euro te betalen, welk bedrag gelijkstaat met de schade die (hij) volgens (de verweer-ster) diende te verminderen, maar die hij niet heeft kunnen verminderen doordat (de verweerster) haar wettelijke en contractuele verplichting om hem zijn deelbewijscertificaten van het compartiment EAMEC van het gemeenschappelijk beleggingsfonds Citiportfolios te bezorgen wanneer (hij) eind 1996 (de verweerster) heeft gevraagd ze te leveren, niet is nagekomen; dat (de verweerster) veroordeeld wordt tot betaling van nalatigheidsinterest op dat bedrag van 56.774.000 euro vanaf eind 2007, datum waarop het bedrag verschuldigd was; subsidiair, dat (de verweerster) wordt veroordeeld om (hem) 51.408.000 euro te betalen, welk bedrag overeenstemt (met zijn) schade die (de verweerster) moet vergoeden in haar hoedanigheid van bemiddelaar van het gemeenschappelijk beleggingsfonds Citiportfolios volgens artikel 55, derde lid, en artikel 206, 3°, van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles; dat (de verweerster) desgevallend wordt veroordeeld tot betaling van nalatigheidsinterest op dat bedrag van 51.408.000 euro vanaf eind 2007, datum waarop het bedrag verschuldigd was;

zeer subsidiair, dat de (verweerster) wordt veroordeeld om (hem) 2.300.000 euro te betalen als vergoeding van (zijn) schade ten gevolge van de niet-naleving door (de verweerster) van haar wettelijke en contractuele verplichting om hem zijn deelbewijscertificaten van het compartiment EAMEC van het gemeenschappelijk beleggingsfonds Citiportfolios te leveren, toen (hij) eind 1996 (de verweerster) daar om vroeg, die niet langer mogelijk is door de vroegtijdige vereffening van het compartiment EAMEC in 1998; dat (de verweerster) desgevallend wordt veroordeeld tot betaling van nalatigheidsinterest op dat bedrag van 2.300.000 euro, sinds 3 december 1996, toen (hij) (de verweerster) vroeg zijn deelbewijscertificaten van het compartiment EAMEC te leveren"; vervolgens beschikt het arrest afwijzend op eisers vordering die ertoe strekt de deelbewijscerti-ficaten te doen leveren die het bewijs leveren dat hij eigenaar is van de deelbewijzen die hij heeft aangekocht in de compartimenten French Equity en Japanese Equity van het gemeenschappelijk beleggingsfonds Citiportfolios.

Het arrest grondt die beslissing op de redenen die het vermeldt onder IV.B.1 en inzonderheid op de onderstaande overweging:

"Uit het arrest van het hof [van beroep] van 12 januari 2006 volgt dat voornoemd hof beslist heeft dat (de verweerster) geen buitencontractuele fout had begaan bij de verspreiding van het uitgifteprospectus van het fonds Portfolios en dat (de verweerster) niet de medecontractant (van de eiser) was. Dat arrest beslist ook dat in deze zaak de intekening rechtstreeks op (eisers) naam is gebeurd, in Luxemburg, bij Citibank Luxembourg. De (verweerster) is niet opgetreden als inschrijvingswoonplaats en heeft ook geen enkel commissieloon in die hoedanigheid ontvangen.

Over de litigieuze kwestie van het bestaan van een contractuele band tussen de partijen werd dus tegenspraak gevoerd en het hof heeft beslist dat genoemd verband niet bestond.

Die beslissing heeft gezag van gewijsde.

Bijgevolg moet in deze aanleg vastgesteld worden dat, met dat gezag van gewijsde, beslist is dat er geen contractuele band bestond tussen (de eiser) en (de verweerster).

Aangezien (de eiser) zijn vordering tot levering van certificaten (of, subsidiair, zijn vordering tot schadevergoeding) grondt op de contractuele verbintenis van (de verweerster) om de verspreiding te verzekeren van de deelbewijscertificaten van het gemeenschappelijk beleggingsfonds, gaat die vordering dus in tegen het feit dat beslist is dat er geen contractuele banden zijn tussen de partijen.

Zijn vordering is dus niet gegrond.

(De eiser) probeert eveneens tevergeefs zijn relatie als klant met een rekening bij (de verweerster) naar voren te schuiven om toch maar een contractuele verhouding te vinden op grond waarvan (de verweerster) die levering zou moeten doen.

Uit die verhouding volgt niet dat (de verweerster) enige soortgelijke contractuele verplichting zou hebben, daar zij dienaangaande geen enkele specifieke en duidelijke verbintenis is aangegaan.

(De eiser) betoogt ook dat artikel 130 van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles (voorheen artikel 138 van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten) is geschonden, luidens hetwelk de beleggingsinstelling (Citiportfolios) een instelling moet aanwijzen die instaat voor de uitkeringen aan de deelnemers en de verkoop of de inkoop van de rechten van deelneming alsmede voor de verspreiding van de informatie die de beleggingsinstelling moet verstrekken. Die wetten vormen de toepassing naar Belgisch recht van de richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe 's).

Artikel 45 bepaalt dat de icbe, in het in artikel 44 bedoelde geval, met inachtneming van de in de Lidstaat van verhandeling geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, onder meer de nodige maatregelen moet treffen opdat aldaar voor de uitkeringen aan de deelnemers, de inkoop van of terugbetaling op de rechten van deelneming alsmede de verspreiding van de informatie die de icbe moet verstrekken, wordt zorg gedragen.

Het begrip 'uitkering' moet dus begrepen worden in de zin van 'betaling' aan de deelnemers en niet, zoals (de eiser) betoogt, in de zin van levering van de deel-bewijzen.

Het middel is dus niet gegrond.

(De eiser) voert ook aan dat het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geschonden is met betrekking tot de vermeende eigendomsderving van zijn deelbewijzen.

Dat middel kan niet worden aangevoerd tegen de (verweerster) aan wie geen enkele tekortkoming kan worden verweten.

Bovendien werd aan (de eiser) duidelijk gemeld dat zijn deelbewijzen in het register van het gemeenschappelijk beleggingsfonds zouden worden ingeschreven.

Er kan dus geen sprake zijn van enige derving van zijn eigendomsrecht aangezien, hij overigens toegeeft dat die inschrijving zijn eigendomsrecht bewijst.

Uit het bovenstaande volgt dat het hoger beroep niet gegrond is."

Grieven

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 149 van de Grondwet wordt elk vonnis met redenen omkleed. De beslissing die geen antwoord geeft op een duidelijk en omstandig verweer dat objectief controleerbare gegevens aanvoerde, is dus niet regelmatig met redenen omkleed.

Het arrest beschikt afwijzend op eisers vordering die ertoe strekt de deelbewijscerti-ficaten te doen leveren die het bewijs leveren dat hij eigenaar is van de deelbewijzen die hij heeft aangekocht in de compartimenten French Equity en Japanese Equity van het gemeenschappelijk beleggingsfonds Citiportfolios.

Het arrest geeft aldus geen antwoord op de op 31 augustus 2009 neergelegde appelconclusie waarin de eiser vordert dat de verweerster wordt veroordeeld om hem 51.408.000 euro te betalen, welk bedrag overeenstemt met zijn schade die de verweerster moet vergoeden in haar hoedanigheid van bemiddelaar van het gemeenschappelijk beleggingsfonds Citiportfolios volgens artikel 55, derde lid en artikel 206, 3°, van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles. Het is bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).

Tweede onderdeel

Krachtens artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek moeten de rechters uitspraak doen over alle punten van de vordering die bij hen aanhangig zijn ge-maakt.

Krachtens artikel 149 van de Grondwet wordt elk vonnis met redenen omkleed.

Zoals het arrest erop wijst [vorderde] de eiser subsidiair in zijn op 31 augustus 2009 neergelegde appelconclusie dat de verweerster wordt veroordeeld om hem 51.408.000 euro te betalen, welk bedrag overeenstemt met zijn schade die de verweerster moet vergoeden in haar hoedanigheid van bemiddelaar van het gemeenschappelijk beleggingsfonds Citiportfolios volgens artikel 55, derde lid, en artikel 206, 3°, van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles.

Het arrest doet alleen maar uitspraak over eisers vordering tot levering van de deelbewijscertificaten die het bewijs leveren dat hij eigenaar is van de deelbewijzen die hij heeft aangekocht in de compartimenten French Equity en Japanese Equity van het gemeenschappelijk beleggingsfonds Citiportfolios.

Aldus hebben de appelrechters ofwel geen uitspraak gedaan over een van de punten van de vordering (schending van artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek), ofwel zonder de redenen ervan te vermelden, een vordering verworpen die regelmatig bij hen aanhangig was gemaakt door eisers conclusie. Het arrest is bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).

Derde middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 138 van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten, zoals het van toepassing was ten tijde van de feiten, vóór de wijziging ervan door artikel 137, § 1, 3°, van de wet van 2 augustus 2002 (in werking op 1 juni 2003) en vóór de opheffing ervan door artikel 242, tweede lid, van de wet van 20 juli 2004 (in werking op 9 maart 2005);

- voor zoveel als nodig, artikel 130, tweede lid, van de wet van 20 juli 2004 betref-fende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles;

- artikel 45 van de richtlijn 85/644/EEG van de Raad van 20 december 1985 van de Raad tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten, zoals het van toepassing was vóór de opheffing ervan bij artikel 117 van de richtlijn 2009/65/EG van 13 juli 2009 van het Europees Parlement en van de Raad tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende be-paalde instellingen voor collectieve belegging in effecten, met uitwerking op 1 ju-li 2011;

- artikel 288, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Aangevochten beslissingen

Het arrest beschikt afwijzend op eisers vordering die ertoe strekt de deelbewijscerti-ficaten te doen leveren die het bewijs leveren dat hij eigenaar is van de deelbewijzen die hij heeft aangekocht in de compartimenten French Equity en Japanese Equity van het gemeenschappelijk beleggingsfonds Citiportfolios.

Het arrest grondt die beslissing op de redenen die het vermeldt onder IV. B. 1.1 en inzonderheid op de onderstaande overweging:

"30. (De eiser) voert eveneens de schending aan van artikel 130 van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles (voorheen artikel 138 van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten,), luidens hetwelk de beleg-gingsinstelling (Citiportfolios) een instelling moet aanwijzen die instaat voor de uitkeringen aan de deelnemers en de verkoop of de inkoop van de rechten van deelneming alsmede voor de verspreiding van de informatie die de beleggingsinstelling moet verstrekken.

Die wetten vormen de toepassing naar Belgisch recht van de richtlijn 85/61 l/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten.

Artikel 45 van die richtlijn bepaalt dat de icbe, in het in artikel 44 bedoelde geval, met inachtneming van de in de Lidstaat van verhandeling geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, onder meer de nodige maatregelen moet treffen opdat aldaar voor de uitkeringen aan de deelnemers, de inkoop van of terugbetaling op de rechten van deelneming alsmede de verspreiding van de informatie die de icbe moet verstrekken, wordt zorg gedragen.

Het begrip ‘uitkering' moet dus begrepen worden in de zin van 'betaling' aan de deelnemers en niet, zoals (de eiser) betoogt, in de zin van levering van de deelbewijzen.

Het middel is dus niet gegrond."

Grieven

Krachtens artikel 138 van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten, zoals het van toepassing was ten tijde van de feiten (thans artikel 130 van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles), moet de beleggingsinstelling een instelling aanwijzen die instaat voor de uitkeringen aan de deelnemers en de verkoop of de inkoop van de rechten van deelneming alsmede voor de verspreiding van de informatie die de beleggingsinstelling moet verstrekken.

Die wetten vormen de omzetting naar Belgisch recht van de bepalingen van de richtlijn 85/611VEEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten.

Wanneer de rechter toepassing maakt van een nationale wet die een richtlijn omzet, moet hij de wet uitleggen in het licht van de bewoordingen en van de doelstelling van de richtlijn, teneinde het door die richtlijn bedoelde resultaat te bereiken en aldus te voldoen aan artikel 288, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (oud artikel 249, derde lid, van het EG-Verdrag), krachtens hetwelk een richtlijn verbindend is ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is, waarbij aan de nationale instanties echter de bevoegdheid wordt gelaten vorm en middelen te kiezen.

Artikel 138 van de wet van 4 december 1990 (thans artikel 130, tweede lid, van de wet van 20 juli 2004) zette meer bepaald artikel 45 van de richtlijn 85/644/EEG van de Raad van 20 december 1985 om naar Belgisch recht. Dat artikel luidt als volgt: "In het in artikel 44 bedoelde geval moet de icbe, met inachtneming van de in de Lidstaat van verhandeling geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, onder meer de nodige maatregelen treffen opdat aldaar voor de uitkeringen aan de deelnemers, de inkoop van of terugbetaling op de rechten van deelneming alsmede de verspreiding van de informatie die de icbe moet verstrekken, wordt zorg gedragen ".

Die bepaling wil een houder van effecten concreet de mogelijkheid bieden om, los van elke beschouwing over de vestiging van zijn eigendomsrecht, zijn recht uit te oefenen zonder zich naar het buitenland te verplaatsen door zich te wenden tot een bewarende bank, en van de bemiddelaar van het gemeenschappelijk beleggingsfonds te eisen dat hij de in artikel 138 van de wet van 4 december 1990 (thans artikel 130, tweede lid, van de wet van 20 juli 2004) vermelde opdrachten uitvoert, daarbij inbegrepen de levering van de deelbewijscertificaten, ook al staan ze op naam.

Het begrip "uitkeringen aan de deelnemers" dat wordt overgenomen in artikel 138 van de wet van 4 december 1990 (thans 130, tweede lid, van de wet van 20 juli 2004) doelt immers ook op de levering van de deelbewijscertificaten.

Het arrest dat oordeelt dat het begrip "uitkeringen aan de deelnemers", als bedoeld in artikel 138 van de wet van 4 december 1990 (thans artikel 130 van de wet van 20 juli 2004) helemaal niet doelde op de "levering van deelbewijzen", terwijl de levering van de deelbewijzen behoort tot de in artikel 138 van de wet van 4 december 1990 (thans artikel 130, tweede lid, van de wet van 20 juli 2004) vermelde opdrachten die de verweerster voor het gemeenschappelijk beleggingsfonds Citiportfolios moet uitvoeren, verantwoordt niet naar recht zijn beslissing (schending van artikel 138 van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten en, voor zoveel als nodig, van artikel 130, tweede lid, van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles).

Subsidiair, ingeval het Hof zou oordelen dat artikel 45 van de richtlijn 85/611VEEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten een uitlegging behoeft alvorens uitspraak over het middel te doen, verzoekt de eiser het Hof de onderstaande prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen: "moet artikel 45 van de richtlijn 85/644/EEG van de Raad van 20 december 1985 van de Raad tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten in die zin worden uitgelegd dat het begrip 'uitkeringen aan de deelnemers' ook doelt op de levering aan de deelnemers van certificaten van deelbewijzen op naam? ".

IV. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

De beide onderdelen samen

1. De eiser preciseerde in zijn op 1 februari 2010 neergelegde "tweede aanvul-lende conclusie" dat "deze tweede aanvullende conclusie overeenkomstig het des-betreffende protocol balie-magistratuur en .luidens de afspraak in het gezamenlijk verzoek om een procedureagenda op te stellen en om een pleitdatum vast te leggen overeenkomstig artikel 747, § 1, Gerechtelijk Wetboek [...], niet opgesteld is in de vorm van syntheseconclusie en de [eerdere] appelconclusies [van de eiser] niet vervangt".

In zoverre het onderdeel aanvoert dat de eiser aldus ervan uitging "dat er naast het protocol balie-magistratuur [en dus los van de toepassing van dat protocol], een afspraak was tussen de partijen die bleek uit het formulier ‘gezamenlijk verzoek om een procedureagenda op te stellen'" , steunt het op een onjuiste uitlegging van die conclusie en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.

2. Voor het overige oordeelt het arrest dat "artikel 748bis Gerechtelijk Wet-boek, dat in werking is getreden op 22 juni 2007, bepaalt dat, onverminderd de toepassing van artikel 748, § 2, en behoudens in het geval van conclusies die er slechts toe strekken om een of meer van de in artikel 19, tweede lid, bedoelde maatregelen te verzoeken, een tussengeschil op te werpen dat aan het geding geen einde maakt of te antwoorden op het advies van het openbaar ministerie, de laatste conclusies van een partij de vorm aannemen van syntheseconclusies en dat, voor de toepassing van artikel 780, eerste lid, 3°, de syntheseconclusies alle vorige conclusies vervangen en desgevallend de gedinginleidende akte van de partij die de syntheseconclusies neerlegt [en dat] artikel 780, eerste lid, 3°, bepaalt dat het vonnis, op straffe van nietigheid, behalve de gronden en de slotsom, het onderwerp van de vordering en het antwoord op de conclusies of middelen van de partijen bevat".

Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 26 april 2007 volgt dat voornoemd artikel 748bis tot doel heeft het goede verloop van het geding te ver-beteren en de rechtsgang te versnellen door het werk van de rechter te verlichten en nader te omschrijven. Die bepaling is derhalve van openbare orde en de partijen mogen niet ervan afwijken.

In zoverre het middel opkomt tegen de schending van de artikelen 6 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alsook tegen de artikelen 6, 1131, 1133 en 1134 Burgerlijk Wetboek, kan het niet, zoals de verweerster stelt, leiden tot cassatie en is het, bijgevolg, niet ontvankelijk.

3. Tot slot blijkt niet uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan dat de eiser voor de feitenrechters zou hebben aangevoerd dat het formulier ‘geza-menlijk verzoek om een procedureagenda op te stellen' bij hem het gewettigd vertrouwen heeft gewekt dat hij zijn laatste conclusie niet in de vorm van syn-theseconclusie hoefde op te stellen.

In zoverre het middel de miskenning aanvoert van de algemene rechtsbeginselen van rechtszekerheid en van het gewettigd vertrouwen, is het nieuw en, bijgevolg, niet ontvankelijk.

Tweede middel

De beide onderdelen samen

Krachtens artikel 748bis Gerechtelijk Wetboek, afgezien van de gevallen die op deze zaak niet van toepassing zijn, neemt de laatste conclusie van een partij de vorm aan van syntheseconclusie en die, voor de toepassing van artikel 780, eerste lid, 3°, van dat wetboek, alle vorige conclusies vervangt.

Uit die bepaling volgt dat, wanneer de laatste conclusie de vorm van synthesecon-clusie moet aannemen, de rechter niet gehouden is te antwoorden op een middel noch uitspraak te doen over een punt van de vordering uit vorige conclusies dat niet in die laatste conclusie is herhaald.

Met de in het eerste middel tevergeefs bekritiseerde redenen beslist het arrest dat de eiser op 1 februari 2010 op de griffie van het hof van beroep zijn conclusie heeft neergelegd die geldt als syntheseconclusie en zijn eerdere conclusies ver-vangt.

De beide onderdelen, die steunen op de bewering dat de rechter, wanneer een syntheseconclusie voorhanden is, toch nog moet antwoorden op een middel of uit-spraak doen over een punt van de vordering die slechts in de eerdere conclusies voorkwamen, falen naar recht.

Derde middel

1. Het arrest stelt vast dat "[de eiser] betoogt [...] dat artikel 130 van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleg-gingsportefeuilles (voorheen artikel 138 van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten) is geschonden, luidens hetwelk de beleggingsinstelling Citiportfolios een instelling moet aanwijzen die instaat voor de uitkeringen aan de deelnemers en de verkoop of de inkoop van de rechten van deelneming alsmede voor de verspreiding van de informatie die de beleggingsin-stelling moet verstrekken".

Het arrest wijst erop dat "die wetten [...] de toepassing naar Belgisch recht [vor-men] van de richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coör-dinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's)".

Het arrest vermeldt: "artikel 45 van de richtlijn bepaalt dat de icbe, in het in artikel 44 bedoelde geval, met inachtneming van de in de Lidstaat van verhandeling geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, onder meer de nodige maatregelen moet treffen opdat aldaar voor de uitkeringen aan de deelnemers, de inkoop van of terugbetaling op de rechten van deelneming alsmede de verspreiding van de informatie die de icbe moet verstrekken, wordt zorg gedragen".

Het arrest oordeelt dat "het begrip ‘uitkering' [dus] moet [...] begrepen worden in de zin van ‘betaling' aan de deelnemers en niet, zoals [de eiser] betoogt, in de zin van levering van de deelbewijzen" en beslist dat "het middel [...] niet gegrond [is]".

2. Het middel dat die beslissing bekritiseert, voert aan dat het begrip "uitkeringen aan de deelnemers", als vermeld in artikel 138 van de wet van 4 december 1990 (thans 130, tweede lid, van de wet van 20 juli 2004) ook doelt op de levering van deelbewijzen die behoort tot de in die artikelen vermelde opdrachten die de ver-weerster voor het gemeenschappelijk beleggingsfonds Citiportfolios moet uitvoe-ren.

Het middel gaat ervan uit dat die bepalingen, die de omzetting vormen van artikel 45 van de richtlijn 85/61 l/EEG van de Raad van 20 december 1985, een houder van effecten concreet de mogelijkheid willen bieden om, los van elke beschou-wing over de vestiging van zijn eigendomsrecht, zijn recht uit te oefenen zonder zich naar het buitenland te verplaatsen door zich te wenden tot een bewarende bank, en van de bemiddelaar van het gemeenschappelijk beleggingsfonds te eisen dat hij de in artikel 138 van de wet van 4 december 1990 vermelde opdrachten uitvoert, daarbij inbegrepen de levering van de deelbewijscertificaten, ook al staan ze op naam.

3. Het onderzoek van het middel dat in essentie betrekking heeft op de aangevoerde schending artikel 45 van de richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985, vereist dat aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de in het dictum van dit arrest weergegeven prejudiciële vraag wordt gesteld.

Dictum

Het Hof,

Houdt de uitspraak aan tot het Hof van Justitie van de Europese Unie de onder-staande prejudiciële vraag heeft beantwoord:

Moet artikel 45 van de richtlijn 85/644/EEG van de Raad van 20 december 1985 van de Raad tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) in die zin worden uitgelegd dat het begrip "uitkeringen aan de deelnemers" ook doelt op de levering aan de deelnemers van certificaten van deelbewijzen op naam?

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare te-rechtzitting van 24 januari 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Artikel 748bis, Gerechtelijk Wetboek

  • Aard van die bepaling