- Arrest van 1 februari 2013

01/02/2013 - C.12.0205.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de fout een voordeel oplevert voor de benadeelde, moet dit voordeel in de regel worden toegerekend op het bedrag van de schadevergoeding wanneer de benadeelde zonder de fout niet had genoten van het voordeel; dit voordeel kan bestaan uit een besparing voor de benadeelde (1). (1) Zie concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0205.N

BEFLEX bvba, met zetel te 8700 Tielt, Ontvangerstraat 1/1,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIII-straat 17, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

AG INSURANCE nv, met zetel te 1000 Brussel, Emiel Jacqmainlaan 53,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraaat 6, waar de verweerster woon-plaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 17 november 2011.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft op 27 november 2012 een schrif-telijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Diegene die door zijn fout aan een ander schade berokkent, is overeenkom-stig de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek verplicht deze schade te ver-goeden, wat inhoudt dat de benadeelde wordt teruggeplaatst in de toestand waarin hij zou gebleven zijn indien de fout niet was begaan.

Wanneer de fout een voordeel oplevert voor de benadeelde, moet dit voordeel in de regel worden toegerekend op het bedrag van de schadevergoeding wanneer de benadeelde zonder de fout niet had genoten van het voordeel. Dit voordeel kan bestaan uit een besparing voor de benadeelde.

2. De appelrechters oordelen dat:

- de zaakvoerder van de eiseres door het ongeval zijn dagdagelijkse activiteiten in 2006 niet heeft kunnen verrichten;

- de eiseres de prestaties van haar zaakvoerder tegen betaling heeft laten verrich-ten door derden;

- de eiseres de bezoldiging van de zaakvoerder in 2006 niet heeft betaald omdat hij door het ongeval geen prestaties kon verrichten.

3. De appelrechters die op deze gronden oordelen dat de eiseres gerechtigd is op vergoeding van de betalingen aan de derden onder aftrek van de besparing in-gevolge de niet-betaling van de bezoldiging van haar zaakvoerder, verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

4. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechters niet vaststellen dat de besparing het gevolg is van het ongeval, berust het op een onjuiste lezing van het vonnis en mist het mitsdien feitelijke grondslag.

5. Met hun oordeel dat de eiseres in 2006 voldoende inkomsten had om de be-zoldiging van haar zaakvoerder te betalen en de voorgaande en volgende jaren telkens de bezoldiging wel werd uitgekeerd, maar zij deze in 2006 niet heeft be-taald omdat haar zaakvoerder geen of weinig prestaties kon leveren in dat jaar in-gevolge het ongeval, nemen de appelrechters aan dat de besparing een gevolg is van het ongeval.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

6. De eiseres heeft in conclusie aangevoerd dat het niet is omdat zij, al dan niet in samenspraak met haar zaakvoerder, beslist zou hebben om geen bezoldigingen uit te keren, bijvoorbeeld teneinde de liquiditeiten van de onderneming, in het licht van de uitzonderlijke uitgaven van interim management, niet in het gedrang te brengen, dat er een oorzakelijk verband is tussen deze besparingen en het onge-val, en dat de verweerster in conclusie ook heeft gesteld dat het niet-uitbetalen van de bezoldiging een eigen beslissing van de eiseres is, die niet ingegeven was door het ongeval.

7. De appelrechters oordelen dat de besparing ingevolge de niet-uitbetaling van de bezoldiging aan haar zaakvoerder niet alleen in mindering moet gebracht worden van de schadevergoeding omdat de eiseres geen reden opgeeft van deze niet-betaling. Zij oordelen ook dat de eiseres in 2006 voldoende inkomsten had, de voorgaande en volgende jaren telkens de bezoldiging wel werd uitgekeerd en de niet-betaling van de bezoldiging het gevolg is van het feit dat de zaakvoerder geen prestaties kon leveren ingevolge het ongeval.

Het middel berust in zoverre op een onvolledige lezing van het vonnis en mist mitsdien feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 733,11 euro en voor de verweerster op 213,49 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de afdelingsvoorzitters Eric Stassijns en Albert Fettweis, en de raadsheren Beatrijs Deconinck en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 1 februari 2013 uitgesproken door afde-lingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche G. Jocqué B. Deconinck

A. Fettweis E. Stassijns E. Dirix

Vrije woorden

  • Benadeelde

  • Voordeel

  • Schadevergoeding

  • Bedrag

  • Toerekening