- Arrest van 12 februari 2013

12/02/2013 - P.13.0221.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 30, §4, eerste lid, van de Voorlopige Hechteniswet, dat bepaalt dat 'indien de kamer van inbeschuldigingstelling, in de gevallen van de artikelen 21, 22, 22bis en 28, beslist dat de voorlopige hechtenis gehandhaafd blijft, het arrest een titel van vrijheidsbeneming oplevert voor een maand te rekenen van de beslissing of voor drie maanden te rekenen van de beslissing, indien het hoger beroep wordt ingesteld tegen de bij artikelen 22, tweede lid, en 22bis bedoelde beschikking', houdt niet in dat het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, die uitspraak doet over het hoger beroep tegen een beschikking van de raadkamer die de voorlopige hechtenis handhaaft voor een als een niet-correctionaliseerbare misdaad omschreven feit, steeds geldt voor drie maanden; wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling dat feit heromschrijft naar een misdrijf dat wel correctionaliseerbaar is, is haar arrest krachtens artikel 22, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet geldig voor één maand.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0221.N

J L F D V,

inverdenkinggestelde, aangehouden,

eiser,

met als raadslieden mr. Gert Warson en mr. Karel Claes, advocaten bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 31 januari 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 22, eerste en tweede lid, en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat krachtens artikel 30, § 4, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet, het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 29 november 2012 een titel van vrijheidsberoving van drie maanden opleverde en dat de omstandigheid dat dit arrest de feiten heeft heromschreven in een correctionaliseerbare misdaad daaraan geen afbreuk doet; uit de artikelen 30, § 4, en 22, eerste en tweede lid, Voorlopige Hechteniswet volgt echter dat het arrest dat in hoger beroep over de handhaving van de voorlo-pige hechtenis oordeelt en daarbij de feiten heromschrijft naar een misdrijf waarop artikel 2 Wet Verzachtende Omstandigheden van toepassing is, een titel van vrij-heidsbeneming voor één maand vormt, ook wanneer het oordeelt op grond van een verzoekschrift conform artikel 22bis Voorlopige Hechteniswet.

De eiser vraagt in ondergeschikte orde aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: "Schendt artikel 30 § 4 Wet 20 juli 1990, gelezen in samenhang met artikel 22 lid 1 en 2 van dezelfde wet, het gelijkheidsbeginsel en /of het verbod van discriminatie, in die mate toegepast dat de rechter die in beroep oordeelt over de handhaving van de voorlopige hechtenis tegen een beschikking gewezen op verzoekschrift op grond van artikel 22 bis van dezelfde wet, geen onderscheid maakt of mag maken met betrekking tot de duur van de titel van vrij-heidsberoving in zijn arrest lastens de persoon in voorlopige hechtenis waarbij de hechtenis louter bevestigd wordt zonder kwalificatiewijziging en de persoon in voorlopige hechtenis waarbij de rechter wel een kwalificatiewijziging doorvoert met toepassing van artikel 23 3° Wet 20 juli 1990 naar een misdrijf waarop artikel 2 Wet 4 oktober 1867 wel kan toegepast worden".

2. Op grond van artikel 22, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet oordeelt de raadkamer tijdens het gerechtelijk onderzoek van maand tot maand over het hand-haven van de voorlopige hechtenis. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat, in-dien artikel 2 Wet Verzachtende Omstandigheden niet van toepassing is op het bij de raadkamer aanhangige feit, zij om de drie maanden uitspraak doet over het handhaven van de voorlopige hechtenis en dat haar beschikking geldig is voor drie maanden vanaf de dag waarop ze wordt gegeven. In dat geval kan de raadkamer de invrijheidsstelling verlenen aan de inverdenkinggestelde, die daartoe krachtens artikel 22bis Voorlopige Hechteniswet van maand tot maand een verzoekschrift kan neerleggen.

3. De raadkamer dient aan het bij haar aanhangige feit de juiste omschrijving te geven aan de hand van de door het gerechtelijk onderzoek tot dan opgeleverde gegevens en de uitleg van partijen. Krachtens artikel 23, 3°, Voorlopige Hechte-niswet kan de raadkamer die feiten ook te allen tijde heromschrijven. Wegens de devolutieve werking van het hoger beroep, heeft de kamer van inbeschuldiging-stelling dezelfde bevoegdheden als de raadkamer.

4. Op grond van het door het onderzoeksgerecht aldus omschreven of herom-schreven feit, bepaalt artikel 22 Voorlopige Hechteniswet of de handhaving van de voorlopige hechtenis geldig is voor één maand of voor drie maanden, ongeacht of het onderzoeksgerecht ambtshalve dan wel als gevolg van een verzoekschrift van de inverdenkinggestelde uitspraak doet.

5. Artikel 30, § 4, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt: "Het gerecht dat over het hoger beroep beslist, doet uitspraak rekening houdend met de om-standigheden van de zaak op het ogenblik van zijn uitspraak. Indien de kamer van inbeschuldigingstelling, in de gevallen van de artikelen 21, 22, 22bis en 28, beslist dat de voorlopige hechtenis gehandhaafd blijft, levert het arrest een titel van vrij-heidsbeneming op voor een maand te rekenen van de beslissing of voor drie maanden te rekenen van de beslissing, indien het hoger beroep wordt ingesteld tegen de bij artikelen 22, tweede lid, en 22bis bedoelde beschikking."

6. Die bepaling houdt niet in dat het arrest van de kamer van inbeschuldiging-stelling die uitspraak doet over het hoger beroep tegen een beschikking van de raadkamer die de voorlopige hechtenis handhaaft voor een als een niet-correctionaliseerbare misdaad omschreven feit, steeds geldt voor drie maanden. Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling dat feit heromschrijft naar een misdrijf dat wel correctionaliseerbaar is, is haar arrest krachtens artikel 22, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet geldig voor één maand.

7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat:

- de raadkamer bij beschikking van 13 november 2012 de feiten, tot dan om-schreven als daderschap of mededaderschap aan doodslag, heromschreven heeft als (A) foltering met de omstandigheden dat de feiten gepleegd werden op een minderjarige door een persoon die over haar gezag had en dat de feiten de dood van het slachtoffer hebben veroorzaakt zonder het oogmerk om te do-den, zijnde een misdaad die op grond van artikel 417ter, derde lid, 1° en 2°, Strafwetboek strafbaar is met opsluiting van twintig tot dertig jaar en (B) aan-randing van de eerbaarheid met de omstandigheid dat het slachtoffer minderja-rig was en jonger dan 16 jaar op het ogenblik der feiten, de feiten gepleegd werden door een persoon met gezag en de dood veroorzaakt hebben van de persoon op wie de feiten werden gepleegd, zijnde een misdaad die op grond van artikel 376, eerste en tweede lid, Strafwetboek eveneens strafbaar is met opsluiting van twintig tot dertig jaar;

- de kamer van inbeschuldigingstelling bij arrest van 29 november 2012 die fei-ten heeft heromschreven naar "als dader of mededader, onmenselijke behande-ling t.o.v. minderjarige door een persoon die gezag heeft over het slachtoffer, met de dood tot gevolg zonder oogmerk om te doden", zijnde een misdaad die op grond van artikel 417quater, derde lid, 1° en 2°, Strafwetboek strafbaar is met opsluiting van vijftien tot twintig jaar, en voor het overige de beroepen be-schikking heeft bevestigd.

8. Bijgevolg was op het bij de kamer van inbeschuldigingstelling aanhangige feit, zoals door haar omschreven, artikel 2 Wet Verzachtende Omstandigheden van toepassing omdat de op dat feit toepasselijke straf twintig jaar opsluiting niet te boven ging, zodat krachtens artikel 22, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet, het arrest geldig was voor één maand te rekenen van 29 november 2012.

9. Door, enerzijds, te oordelen dat krachtens artikel 30, § 4, eerste lid, Voorlo-pige Hechteniswet, het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 29 november 2012 een titel van vrijheidsberoving van drie maanden opleverde ook al heeft dat arrest de feiten heromschreven in een correctionaliseerbare misdaad en, anderzijds, op grond van dat oordeel eisers voorlopige hechtenis te handhaven terwijl daarvoor na afloop van één maand vanaf 29 november 2012 geen titel meer bestond, schendt het arrest de in het middel aangevoerde bepalingen.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Zegt dat er geen reden is tot verwijzing.

Bepaalt de kosten op 55 euro.

F. Adriaensen E. Francis A. Lievens

P. Hoet L. Van hoogenbemt P. Maffei

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de open-bare rechtszitting van 12 februari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Beschikking van de raadkamer die een titel van vrijheidsbeneming oplevert voor drie maanden

  • Hoger beroep

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Arrest

  • Herkwalificatie in een correctionaliseerbaar misdrijf

  • Geldigheidsduur van de titel van vrijheidsbeneming