- Arrest van 13 februari 2013

13/02/2013 - P.12.1634.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De wet legt de rechter geen bijzonder bewijsmiddel op om te bewijzen dat de vorige beslissing waarop hij zijn beslissing grondt om artikel 65, tweede lid, van het Strafwetboek toe te passen, een eindbeslissing is; dat bewijs behoort tot de feitelijke beoordeling van de bodemrechter en het Hof gaat alleen na of hij uit zijn vaststellingen heeft kunnen afleiden dat de voormelde beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1634.F

DE PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE LUIK,

tegen

R. L.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, cor-rectionele kamer, van 7 september 2012.

De eiser voert in de verklaring van cassatieberoep die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 37ter en 65, tweede lid, Strafwetboek en artikel 600 Wetboek van Strafvordering. Het eer-ste onderdeel verwijt het bestreden arrest dat het niet naar recht vaststelt dat de eerdere beslissingen waarop de appelrechters de toepassing van het voormelde ar-tikel 65 hebben gesteund, definitieve beslissingen zijn. Het tweede onderdeel verwijt het arrest dat het het gezag van gewijsde van de tweede van die aan het bestreden arrest voorafgaande beslissingen miskent door haar tegen te spreken. Het derde onderdeel verwijt de appelrechters te hebben beslist dat de bij hen aan-hangig gemaakte feiten voldoende werden bestraft door het gelijktijdig opleggen van een gevangenisstraf en een werkstraf.

Eerste onderdeel

De wet legt de rechter geen bijzonder bewijsmiddel op om te oordelen dat de vo-rige beslissing waarop hij zijn beslissing grondt om artikel 65, tweede lid, Straf-wetboek toe te passen, een definitieve beslissing is.

Daaruit volgt dat dit bewijs tot de feitelijke beoordeling van de bodemrechter be-hoort, waarbij het Hof zich beperkt tot het nazicht of hij uit zijn vaststellingen heeft kunnen afleiden dat de voormelde beslissing in kracht van gewijsde is ge-gaan.

Het arrest stelt vast dat het openbaar ministerie zelf de twee beslissingen heeft neergelegd op de rechtszitting en dat die in het strafregister van de verweerder staan vermeld.

Aangezien uit de artikelen 589, derde lid, en 592, eerste lid, Wetboek van Straf-vordering blijkt dat de in het strafregister geregistreerde gegevens door de griffiers van de strafrechtelijke rechtscolleges eerst aan het hof van beroep worden overgemaakt op het ogenblik dat de betreffende veroordelingen in kracht van ge-wijsde zijn gegaan, heeft het uit die dubbele vaststelling naar recht kunnen afleiden dat beide voorafgaande veroordelingen kracht van gewijsde hebben.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Het hof van beroep heeft beslist dat, eensdeels, de telastleggingen die door beide voorafgaande vonnissen worden bestraft en, anderdeels, de telastlegging waarvan het kennisneemt, de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet.

Het middel dat aanvoert dat het arrest aldus de mate overschrijdt waarin de zaak bij dat gerecht aanhangig is gemaakt door daarenboven een eenheid van opzet vast te stellen tussen de telastleggingen die door elk van de vorige vonnissen zijn be-recht, gaat uit van een onjuiste interpretatie van het arrest en mist dus feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

Niet uit artikel 37ter Strafwetboek, dat volgens het middel is geschonden, maar uit artikel 7, vierde lid van dat wetboek, volgt dat de gevangenisstraf en de werkstraf niet samen mogen worden opgelegd voor een zelfde feit dat aan een zelfde rechter is voorgelegd.

Artikel 65, tweede lid, Strafwetboek belet niet dat de rechter vaststelt dat het feit waarvan hij kennis neemt, de opeenvolgende en voortgezette uitvoering is van hetzelfde misdadig opzet als dat waarvan andere misdrijven die reeds met afzon-derlijke beslissingen zijn bestraft, het gevolg zijn.

Wanneer de rechter oordeelt dat de reeds opgelegde straffen het geheel van de misdrijven, met inbegrip van het misdrijf dat nog dient te worden berecht, vol-doende bestraffen, kan hij naar elk van die straffen verwijzen, ook al zijn ze ver-schillend van aard. Zelf spreekt hij immers geen enkele straf uit en stelt hij even-min samenloop vast tussen de feiten waarop de vorige veroordelingen respectieve-lijk betrekking hebben.

Het middel dat aanvoert dat het arrest straffen samenvoegt op een wijze die bij ar-tikel 7 Strafwetboek is verboden, kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 13 februari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Van hoogenbemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Eenheid van opzet

  • Feitenrechter

  • Collectief misdrijf

  • Vorige veroordeling

  • Eindbeslissing

  • Bewijs