- Arrest van 14 februari 2013

14/02/2013 - C.11.0793.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het vermoeden van aansprakelijkheid van artikel 1384, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, is ingegeven door de bekommernis om een efficiëntere bescherming te bieden aan hen die schade lijden door zaken die een ander onder zijn bewaring heeft; het bestaat slechts ten gunste van de personen die rechtstreeks schade lijden, en kan slechts door hen worden aangevoerd (1). (1) Cass. 4 feb. 2011, AR C.10.0236.N, AC 2011, nr. 104.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0793.F

STAD BRUSSEL,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. JAN STALLAERT nv, voorheen ALGEMENE AANNEMINGEN, AF-BRAAK- EN GRONDWERKEN JAN STALLAERT nv,

2. VALENS nv,

Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie,

3. AMLIN CORPORATE INSURANCE,

Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Charleroi van 27 mei 2011.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1251, 3°, 1382, 1383 en 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis verklaart de rechtsvordering tot vrijwaring en bijdrage in de schuld die de eiseres tegen de eerste verweerster heeft ingesteld, ten dele gegrond, zijnde tot beloop van 40 pct. van de tegen haar uitgesproken veroordelingen en verwerpt ze voor het overige. Het grondt die beslissing op alle reden die geacht worden hieronder integraal te zijn weergegeven en inzonderheid op de onder-staande redenen:

"Wanneer de veroorzakers van samenlopende fouten, zoals hier, aansprakelijk worden gesteld voor het geheel, moet de bijdrage in de schuld verdeeld worden onder de mede-aansprakelijken in verhouding tot de ernst van de respectieve fouten of tot de weerslag van die fouten op de totstandkoming van de schade (...);

Met betrekking tot de bijdrage in de schuld moet [de eiseres], gelet op de omvang en de ernst van de fout die haar kan worden verweten - de aansprakelijkheid wegens het gebrek van de zaak is immers de aansprakelijkheid wegens de vermoede fout van de bewaarder - voor 20 pct. aansprakelijk voor het ongeval verklaard worden;

Met betrekking tot de bijdrage in de schuld moet [de eerste verweerster], gelet op de omvang van haar fout, voor 40 pct. aansprakelijk voor het ongeval verklaard worden; (...)

De vordering tot vrijwaring van de [eiseres] tegen de [eerste verweerster] is ont-vankelijk en gegrond tot beloop van 40 pct. van het bedrag van de tegen haar jegens [de getroffenen], het nationaal verbond van socialistische mutualiteiteten, en de vennootschap Axa Belgium (arbeidsongevallenverzekeraar), uitgesproken veroordelingen".

Grieven

Subsidiair verzocht de eiseres in haar appelconclusie de rechtbank de eerste ver-weerster te veroordelen om haar te vrijwaren voor alle veroordelingen die tegen haar zouden kunnen worden uitgesproken en zij voerde daartoe aan dat de eerste verweerster "aansprakelijk was voor de modder op de rijweg die het gebrek van de rijweg vormde".

Krachtens de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek verplicht elke daad van de mens waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze volledig te vergoeden.

Krachtens artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is men niet alleen aansprakelijk voor de schade die men door zijn eigen daad veroorzaakt maar ook voor die welke veroorzaakt wordt door de daad van personen voor wie men moet instaan, of van zaken die men onder zijn bewaring heeft.

Het door artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek ingestelde vermoeden van aansprakelijkheid, dat ingegeven is door de bekommernis om een meer doeltreffende bescherming te bieden aan hen die schade lijden door zaken die een ander onder zijn bewaring heeft, bestaat slechts ten gunste van de personen die rechtstreeks schade lijden en kan slechts door hen worden aangevoerd.

De omstandigheid dat de bewaarder van een zaak, krachtens artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, jegens de getroffene aansprakelijk is voor het ge-brek ervan, belet niet dat hij - ofwel krachtens artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek ofwel krachtens artikel 1382 van dat wetboek - een verhaalsrecht heeft jegens de derde die door zijn fout het gebrek heeft veroorzaakt, en dit tot beloop van de schade die hij moet vergoeden, namelijk de algehele schade ten gevolge van het gebrek.

Daaruit volgt dat het verhaal van de bewaarder van een gebrekkige zaak tegen de derde die aansprakelijk is voor het gebrek onbeperkt is wanneer is vastgesteld dat enkel en alleen die derde aansprakelijk is voor het gebrek.

Het bestreden vonnis beslist dat de eiseres, op grond van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, aansprakelijk is voor de schade ten gevolge van de gebrekkige zaak, zijnde de beslijkte rijweg die zij onder haar bewaring had, maar dat, daarentegen, de aansprakelijkheid van de eiseres niet in gedrang komt op grond van de artikelen 135 van de Gemeentewet en 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, met andere woorden dat de eiseres slechts aansprakelijk is voor een vermoede fout en geen enkele fout heeft begaan die het gebrek heeft veroorzaakt, en dat de modderige staat van de rijweg, zijn gebrek, door de eerste verweerster is veroorzaakt die een fout heeft begaan die in oorzakelijk verband staat met het ongeval en de schadeveroorzakende gevolgen ervan.

Bijgevolg schendt het beroepen vonnis de artikelen 1251, 3°, 1382, 1383 en 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek wanneer het de veroordeling van de eerste verweerster op de door de eiseres ingestelde rechtsvordering tot vrijwaring beperkt tot 40 pct. van de tegen laatstgenoemde uitgesproken veroordelingen "in verhouding tot de ernst van de respectieve fouten of tot [hun] weerslag [...]op de totstandkoming van de schade" en "gelet op de omvang en de ernst van de [vermoede] fout [van de bewaarder] die [aan de eiseres] kan worden verweten".

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 46, § 1, 6°, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, gewijzigd bij artikel 7 van de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen;

- de artikelen 1251, 3°, 1382, 1383 en 1384, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis beslist eerst dat de vordering tot vrijwaring en bijdrage in de schuld die de eiseres tegen de tweede en de derde verweerster heeft ingesteld, niet verjaard is en dat de aangestelde van de tweede verweerster een fout had begaan die in oorzakelijk verband staat met het ongeval en de schadeveroorzakende gevolgen ervan en verklaart vervolgens de rechtsvordering van de eiseres tegen de tweede verweerster, en dus ook die tegen de derde verweerster, niet-gegrond. Het grondt die beslissing op alle redenen die geacht worden hieronder integraal te zijn weergegeven en inzonderheid op de redenen betreffende de civielrechtelijke immuniteit van de werkgever:

"In de regel geniet de werkgever een wettelijke immuniteit die hem beschermt tegen elke gemeenrechtelijke rechtsvordering van de werknemer die door een arbeidsongeval getroffen is;

Trouwens, wanneer er sprake is van samenlopende fouten van een derde en van een van de personen die de immuniteit geniet, heeft de derde die mede-aansprakelijk is voor een arbeidsongeval geen enkel verhaalsrecht tegen laatstgenoemde (...) ;

De beslissing of de verhaalsvorderingen tot vrijwaring van de [eiseres] en van de vennootschap Axa Belgium (burgerlijke aansprakelijkheid) tegen de [tweede verweerster] en tegen haar verzekeraar BA-exploitatie gegrond zijn, vereist dat wordt uitgemaakt of de werkgever van de getroffene, de [tweede verweerster] (...) ten tijde van de feiten de in artikel 46, § 1, van de arbeidsongevallenwet bedoelde wettelijke immuniteit genoot;

(...) Zoals eerder gezegd in verband met de stuurfout van de vorkheftruckchauffeur, kan de getroffen werknemer, krachtens artikel 46, § 1, van de arbeidsongevallenwet, dat zeven uitzonderingen op dat beginsel bepaalt, inderdaad een rechtsvordering instellen tegen de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden, wanneer het ongeval een verkeersongeval betreft (...);

Hoewel het hier feitelijk om een verkeersongeval gaat, betreft het ook een ar-beidsongeval (zoals het hof van beroep te Brussel trouwens gezegd heeft in zijn arrest van 18 maart 2008) en dat ongeval is met name gebeurd door de fout van de werkgever die alle elementaire regels betreffende de bescherming van de werknemers heeft miskend;

Wat dat duidelijke foutieve gedrag van de werkgever betreft, moet worden vastge-steld dat hij een wettelijke immuniteit geniet en dat geen enkele rechtsvordering, ten principale of tot vrijwaring, die tegen hem of zijn aangestelde wordt ingesteld, gegrond verklaard kan worden; voorts kan enkel in het geval van een opzettelijke fout van de werkgever of van zijn aangestelde de wettelijke immuniteit worden opgeheven en dat is hier duidelijk niet het geval".

Grieven

Krachtens de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek verplicht elke daad van de mens waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze volledig te vergoeden.

Krachtens de artikelen 1251, 3°, en 1382 van het Burgerlijk Wetboek beschikt de bewaarder van een gebrekkige zaak die in solidum veroordeeld wordt om de schade van de getroffene te vergoeden over een verhaalsrecht tegen alle derden wier fout de schade heeft veroorzaakt.

Krachtens artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, moet de werkgever instaan voor de foutieve gedragingen van zijn aangestelde.

Artikel 46, § 1, van de wet van 10 april 1971 vormt, in de regel, een uitzondering op die bepalingen doordat het de werkgever of diens aangestelde wettelijke immuniteit verleent die kan worden tegengeworpen aan de bewaarder die de getroffene moet vergoeden op grond van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Dat artikel bepaalt echter dat het gemeen recht geldt in de gevallen die het opsomt, waaronder dat, in punt 6°, waar het arbeidsongeval ook een verkeersongeval is, waaronder wordt verstaan ieder ongeval in het wegverkeer waarbij één of meer al dan niet gemotoriseerde voertuigen zijn betrokken en dat verband houdt met het verkeer op de openbare weg.

In de zin van die bepaling is het ongeval dat een voetganger treft die zich op de openbare weg bevindt en dat veroorzaakt is door de bestuurder van een voertuig dat zich op die weg verplaatste, een verkeersongeval. De omstandigheid dat het ongeval "meer bepaald gebeurd (is) door de fout van de werkgever, die alle elementaire regels betreffende de bescherming van de werknemers heeft miskend", verleent de werkgever en diens aangestelde geen enkele immuniteit "wat dat duidelijk foutief gedrag betreft".

Het bestreden vonnis stelt vast dat het ongeval "op de openbare weg gebeurd" is, dat een gemotoriseerd voertuig, namelijk een vorkheftruck, erbij betrokken was en dat [de getroffene] "onder de vorkheftruck terechtgekomen" is, waardoor zijn bekken en benen werden verpletterd" terwijl die werknemer "de chauffeur [van de vorkheftruck] aan de voorkant van de truck aanwijzingen moest geven, meer bepaald om de voertuigen op de openbare weg in goede banen te leiden" en dat de vorkheftruck "een gevaarlijk en onregelmatig manoeuvre op de openbare weg uitvoerde".

Het bestreden vonnis dat beslist dat de tweede verweerster wettelijke immuniteit genoot en om die reden afwijzend beschikt op de rechtsvordering van de eiseres om haar te vrijwaren tegen eerstgenoemde en tegen de derde verweerster, schendt artikel 46, § 1, 6°, van de wet van 10 april 1971 en, bijgevolg, de artikelen 1251, 3°, 1382, 1383 en 1384, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Artikel 1384, eerste lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat men niet alleen aanspra-kelijk is voor de schade die men door zijn eigen daad veroorzaakt maar ook voor die welke veroorzaakt wordt door zaken die men onder zijn bewaring heeft.

Het vermoeden van aansprakelijkheid van artikel 1384, eerste lid, Burgerlijk Wet-boek, is ingegeven door de bekommernis om een efficiëntere bescherming te bie-den aan hen die schade lijden door zaken die een ander onder zijn bewaring heeft. Het bestaat slechts ten gunste van de personen die rechtstreeks schade lijden, en kan slechts door hen worden aangevoerd.

Luidens artikel 1251, 3°, Burgerlijk Wetboek geschiedt indeplaatstelling van rechtswege ten voordele van hem die met of voor anderen tot betaling van een schuld gehouden zijnde, er belang bij had deze te voldoen.

Uit de voornoemde wetsbepalingen volgt dat de bewaarder jegens het slachtoffer aansprakelijk is wanneer zijn hoedanigheid van bewaarder, het gebrek van de zaak en het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade bewezen is, en dat die bewaarder jegens de derde die door zijn fout het gebrek heeft veroorzaakt, een verhaal heeft voor het totaalbedrag van de schade.

Het bestreden vonnis oordeelt dat de val van het slachtoffer te wijten is aan een gebrek van de openbare weg waarvan de eiseres de bewaarder is en wijt dat ge-brek aan de fout van de eerste verweerster. Het veroordeelt bijgevolg die partijen hoofdelijk om het slachtoffer te vergoeden. Het overweegt voorts dat aan de eise-res geen enkel gebrek aan voorzorg kan worden verweten en leidt daaruit af dat "de aansprakelijkheid van [laatstgenoemde] niet in gedrang komt op grond van artikel 135 Gemeentewet of van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek".

Bij de uitspraak over de vordering tot vrijwaring die de eiseres tegen de eerste verweerster heeft ingesteld, verklaart het bestreden vonnis laatstgenoemde voor 40 pct., de derde voor 40 pct. en tot slot de eiseres voor 20 pct. voor de fout aan-

sprakelijk "gelet op de omvang en de ernst van de fout die haar kan worden ver-weten - de aansprakelijkheid wegens het gebrek van de zaak is immers de aan-sprakelijkheid wegens de vermoede fout van de bewaarder"; om die redenen be-perkt het de veroordeling van de eerste verweerster tot 40 pct. van het bedrag van de schade.

Het bestreden vonnis dat de eiseres dwingt bij te dragen tot de vergoeding van de schade in haar verhouding met de eerste verweerster, schendt de voornoemde wetsbepalingen.

Het middel is gegrond.

Tweede middel

(...)

Gegrondheid

Krachtens artikel 46, § 1, 6°, Arbeidsongevallenwet kunnen, ongeacht de uit die wet voortvloeiende rechten, de getroffene of zijn rechthebbenden tegen de werk-gever, zijn lasthebbers of aangestelden, een rechtsvordering instellen overeen-komstig de regels inzake burgerlijke aansprakelijkheid, wanneer het ongeval een verkeersongeval betreft in de zin van die bepaling.

Uit die bepaling volgt dat, wanneer een arbeidsongeval een verkeersongeval is, de werkgever niet meer over de immuniteit beschikt die de getroffene en zijn recht-hebbenden belet een rechtsvordering tegen hem in te stellen overeenkomstig de regels van de burgerlijke aansprakelijkheid.

Bij samenloop van fouten van een derde en van de werkgever en veroordeling in solidum van laatstgenoemden tot vergoeding van de schadelijder, kan de derde die de getroffene heeft vergoed, bijgevolg tegen de werkgever een vordering tot vrijwaring instellen voor het gedeelte waarvoor laatstgenoemde aansprakelijk is gesteld.

Het bestreden vonnis dat overweegt dat, "hoewel het (...) feitelijk om een ver-keersongeval gaat, (...) het ook een arbeidsongeval [betreft] en dat ongeval (...) met name gebeurd [is] door de fout van de werkgever die alle elementaire regels betreffende de bescherming van de werknemers heeft miskend", en daaruit afleidt dat "wat dat duidelijke foutieve gedrag van de werkgever betreft, (...) hij een wet-telijke immuniteit geniet", zodat "geen enkele [gemeenrechtelijke] rechtsvordering, ten principale of tot vrijwaring, die tegen hem of zijn aangestelde wordt ingesteld, gegrond verklaard kan worden", en dat bijgevolg "de rechtsvorderingen tot bijdrage in de schuld en tot vrijwaring van de [eiseres] (...) die ingesteld zijn tegen de [tweede verweerster], en dus ook die tegen de [derde verweerster], niet gegrond zijn", schendt de in het middel aangewezen wetsbepalingen.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de vorderingen tot vrijwaring die de eiseres tegen de verweersters heeft ingesteld.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Bergen, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Mireille Delange, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 14 februari 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advo-caat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Bewaarder

  • Aansprakelijkheid

  • Doel van het vermoeden