- Arrest van 18 februari 2013

18/02/2013 - S.12.0004.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De aannemer die beweert vrijgesteld te zijn van de verplichting tot inhouding en storting die hem is opgelegd bij artikel 30bis, §4, tweede lid van de wet van 27 juni 1969 moet, wanneer hij een deel of het geheel van de werken betaalt aan een onderaannemer, de omstandigheden bewijzen die hem krachtens het derde lid van datzelfde artikel vrijstellen van die inhouding en storting (1). (1) Zie de conclusie van het openbaar ministerie in Pas. nr. … .

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0004.F

BREF cvba,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 26 oktober 2011.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 20 december 2012 een schriftelij-ke conclusie neergelegd.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert een middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 30bis, §4, tweede en derde lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals het van toepassing was na de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 26 december 1998 maar voor de wijziging bij de wet van 27 april 2007;

- artikel 1315, eerste lid, Burgerlijk Wetboek;

- artikel 870 Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart verweerders oorspronkelijke vordering gedeeltelijk gegrond, veroordeelt de eiseres om aan de verweerder het bedrag van 2.550 euro te betalen vermeerderd met de compensatoire interest vanaf de ingebrekestelling op 18 juli 2006 en de gerechtelijke interest en veroordeelt de eiseres tot de kosten van de beide aanleggen.

Het arrest steunt die beslissing op de redenen die het vermeldt onder V "Standpunt van het hof" en inzonderheid op de overweging dat:

"1. Het geschil betreft de toepassing van artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals het van kracht was op het ogenblik van het geschil.

2. (...)

3. Artikel 30bis, § 4, tweede lid, van de wet van 27 juni 1969, zoals het op het ogenblik van de feiten van kracht was, verplicht elke aannemer 35 pct. in te houden bij het betalen van de facturen aan een onderaannemer. Die verplichting hangt niet af van de voorwaarde dat de onderaannemer op het tijdstip van de betaling niet geregistreerd is.

In beginsel moet de aannemer dus een inhouding van 35 pct. verrichten bij elke betaling aan een onderaannemer, ongeacht of die onderaannemer geregistreerd is of niet, of niet langer geregistreerd is.

4. De aannemer is vrijgesteld van de verplichting tot inhouding en storting indien de onderaannemer op het ogenblik van de betaling geen sociale schulden heeft (artikel 30bis, § 4, derde lid).

De aannemer mag maar moet geen gebruik maken van die vrijstelling. De aannemer kan de gegevensbank raadplegen, die de verweerder heeft ingesteld en die bewijskracht heeft, om de schulden van een onderaannemer bij [de verweerder] te kennen. Dat wordt vastgesteld in het verslag aan de Koning, wanneer het verwijst naar de gegevensbank. De [eiseres] had geen inhouding van 35 pct. verricht bij de betaling van de facturen en voert aan dat op het ogenblik van de betaling uit de gegevensbank niet bleek dat de aannemer schulden had bij de [verweerder]; zij toont niet aan dat zij die gegevensbank heeft geraadpleegd. Het feit dat zij aanvoert is niet bewezen.

De vrijstelling is een uitzondering op de regel van de inhoudingsplicht. De inhoudingsplicht vereist niet dat de [verweerder] de inhoud aantoont van de gegevensbank op het ogenblik van de betaling van de facturen.

Een aannemer is alleen vrijgesteld van de inhoudingsplicht op voorwaarde dat de onderaannemer op het ogenblik van de betaling van de facturen geen sociale schulden heeft.

De [arbeids]rechtbank heeft echter vastgesteld dat de factuur van 2 juni 2004 (2.773 euro) onmiddellijk is betaald en dat de tweede factuur (227 euro) van 10 juni 2004 tussen die datum en de datum van het faillissement is betaald, hetgeen in hoger beroep niet wordt betwist. Tot staving van zijn rechtsvordering tegen de vennootschap [eiseres] voert de [verweerder] een sociale schuld [van de onderaannemer]aan die hij bewijst en die betrekking heeft op de periode van het eerste kwartaal 2001 tot het tweede kwartaal 2004 (zie brief van 18 juli 2006).

[De verweerder] bewijst bijgevolg de sociale schulden van de onderaannemer en hun omvang op het ogenblik dat de [eiseres] de facturen heeft betaald. Laatstgenoemde betwist die vaststelling niet op ernstige wijze. [De verweerder] bewijst hoe dan ook dat de vrijstellingsvoorwaarden niet zijn vervuld.

Bijgevolg is de inhouding van 35 pct. ten belope van 1.050 euro verschuldigd.

5. In dit geval was de [onderaannemer] op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst geregistreerd, maar heeft de [eiseres] geen inhouding verricht bij de betaling van de facturen.

Als een onderaannemer op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst was geregistreerd, is de aannemer die aan de [verweerder] de inhouding van 35 pct. bij de betaling van de facturen niet heeft gestort, hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de sociale schulden van de onderaannemer "binnen de grenzen en voor de schulden vermeld in § 3" (artikel 30bis, § 5, vierde lid).

Artikel 30bis, § 3, bepaalt de hoofdelijke aansprakelijkheid als volgt:

Hoofdelijke aansprakelijkheid voor de betaling van de schulden van de onderaannemer met betrekking tot het kwartaal tijdens hetwelk de betrokken werken zijn uitgevoerd en de voorafgaande kwartalen;

Hoofdelijke aansprakelijkheid beperkt tot 50 pct. van de totale prijs van de werken, exclusief btw.

In dit geval beloopt de hoofdelijke aansprakelijkheid van de [eiseres] aldus 1500 euro.

6. (...)

7. Kortom, het hoger beroep [van de verweerder] is gegrond en het vonnis moet worden gewijzigd:

- [de verweerder] toont aan dat de [eiseres] verplicht was 35 pct. in te houden op het bedrag van de werken, te weten 1050 euro, terwijl de voorwaarden om haar vrij te stellen van die verplichting niet zijn vervuld;

- [de eiseres] is hoofdelijk aansprakelijk voor ten hoogste 50 pct. van het bedrag van de werken exclusief btw, te weten 1050 euro omdat zij bij de betaling van de werken geen inhouding heeft verricht.

8. [De verweerder]krijgt gelijk. De kosten van de beide aanleggen zijn ten laste van de [eiseres]. Zij bedragen voor [de verweerder] in totaal 1481,27 euro, te weten: dagvaarding: 116,27 euro, basis rechtsplegingsvergoeding, eerste aanleg: 650 euro, basisrechtsplegingsvergoeding in hoger beroep: 715 euro".

Grieven

1. Krachtens artikel 30bis, § 4, tweede lid, van de wet van 27 juni 1969 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals het van toepassing was op het ogenblik van de feiten, is de aannemer die, voor de in § 1 vermelde werken aan een niet-geregistreerde onderaannemer een deel of het geheel van de prijs betaalt, verplicht bij de betaling 15 pct. van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, in te houden en te storten aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid.

De aannemer is evenwel vrijgesteld van de verplichting tot inhouding en storting indien de onderaannemer op het ogenblik van de betaling geen schuldenaar is bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid. De Rijksdienst stelt te dien einde een publiek toegankelijke gegevensbank in, die bewijskracht heeft voor de toepassing van dit lid (artikel 30bis, § 4, derde lid, van de wet van 27 juni 1969, zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten).

Uit die wetsbepalingen volgt dat, wanneer een onderaannemer sociale schulden heeft bij [de verweerder], de Rijksdienst diens identiteit in de gegevensbank vermeldt. De schuldenaars van die onderaannemer moeten dan inhoudingen verrichten op hun betalingen aan [hem], overeenkomstig artikel 30bis, § 4, tweede lid van de wet van 27 juni 1969.

2. Met toepassing van artikel 1315, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat degene die de uitvoering van een verbintenis eist het bewijs daarvan moet leveren, en van artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek dat elke partij oplegt de feiten die zij aanvoert te bewijzen, moet [de verweerder] die beweert dat de aannemer zijn verbintenis om 35 pct. in te houden niet is nagekomen, niet alleen aantonen dat de aannemer de verplichting had 35 pct. in te houden, maar tevens dat de voorwaarden voor vrijstelling van die verplichting niet waren vervuld.

Om aan te tonen dat de toepassingsvoorwaarden van de vrijstelling van inhouding niet zijn vervuld en dat de onderaannemer sociale schulden had op het ogenblik van de betaling van de facturen, bepaalt de wet een bijzonder bewijsmiddel en de daarbij horende bewijskracht.

Overeenkomstig artikel 30bis, § 4, derde lid, van de wet van 27 juni 1969 moet dat bewijs geleverd worden met de publiek toegankelijke gegevensbank die bewijskracht heeft voor de toepassing van dat lid. Derden kunnen immers enkel door die gegevensbank kennis hebben van het bestaan van sociale schulden.

Met andere woorden: [de verweerder] die beweert dat de onderaannemer sociale schulden had op het ogenblik van de betaling van de facturen en dat de toepassingsvoorwaarden van de vrijstelling van inhouding niet zijn vervuld, moet aantonen dat de onderaannemer op dat ogenblik werd vermeld als schuldenaar in de publiek toegankelijke gegevensbank.

3. In dit geval beweerde de eiseres dat op het ogenblik van de betaling uit de gegevensbank niet bleek dat de onderaannemer een schuld had jegens [de verweerder].

Het arrest wijst erop dat de verweerder aantoont dat de onderaannemer sociale schulden had op het ogenblik van de betaling van de facturen en dat de voorwaarden voor vrijstelling niet zijn vervuld, zonder dat hij hoeft aan te tonen wat in de gegevensbank stond op het ogenblik van de betaling van de facturen.

Het arrest dat oordeelt dat de verweerder die betoogt dat de onderaannemer sociale schulden had op het ogenblik van de betaling van de facturen, dat niet hoeft aan te tonen aan de hand van de publiek toegankelijke gegevensbank, overeenkomstig artikel 30bis, § 4, derde lid, van de wet van 27 juni 1969, 1°) draagt de eiseres op het bewijs te leveren van een feit dat niet zij maar de verweerder diende te bewijzen (schending van de in het middel aangewezen bepalingen en inzonderheid van de artikelen 1315, inzonderheid eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek), 2°) staat de verweerder toe het bewijs van zijn schuldvordering jegens de eiseres te leveren aan de hand van andere bewijsmiddelen dan diegene die de wet bepaalt (schending van de in het middel aangewezen bepalingen en inzonderheid van artikel 30bis, § 4, derde lid, van de wet van 27 juni 1969).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Artikel 1315 Burgerlijk Wetboek bepaalt, in zijn eerste lid, dat hij die de uitvoe-ring van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan moet bewijzen en, in zijn tweede lid, dat omgekeerd, hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs moet leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft te-weeggebracht. Luidens artikel 870 Gerechtelijk Wetboek moet iedere partij het bewijs leveren van de feiten die zij aanvoert.

Krachtens artikel 30bis, § 4, tweede lid, RSZ-wet, zoals het van toepassing is op het geschil, is de aannemer die, voor de in § 1 vermelde werken aan een onder-aannemer het geheel of een deel van de prijs betaalt, verplicht bij die betaling 35 pct. van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief de belasting over de toege-voegde waarde, in te houden en te storten aan de Rijksdienst voor sociale zeker-heid, volgens de modaliteiten bepaald door de Koning.

Luidens het derde lid is de aannemer evenwel vrijgesteld van de verplichting tot inhouding en storting als vermeld in het vorig lid, indien de onderaannemer, vol-gens de door de Koning te bepalen modaliteiten, op het ogenblik van de betaling geen schuldenaar is bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid of bij het Fonds voor bestaanszekerheid, of voor de verschuldigde bedragen uitstel van betaling heeft gekregen zonder gerechtelijke procedure of bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing en de opgelegde termijnen strikt naleeft, en als aannemer is geregistreerd. De Rijksdienst voor sociale zekerheid stelt te dien einde een publiek toegankelijke gegevensbank in, die bewijskracht heeft voor de toepassing van dit lid.

Overeenkomstig het tweede lid van artikel 1315 Burgerlijk Wetboek, moet de aannemer die beweert bevrijd te zijn van de verplichting tot inhouding en storting ingesteld bij voornoemd tweede lid, door de omstandigheden bepaald bij het derde lid, die omstandigheden aantonen.

Het arrest veroordeelt de eiseres om aan de verweerder de bedragen te betalen die in het voornoemde tweede lid zijn bepaald, op grond dat zij de werken aan een onderaannemer heeft betaald zonder de inhouding noch de storting te verrichten aan de verweerder, en dat zij niet aantoont dat uit de gegevensbank bleek dat de onderaannemer, op de dag van de betaling, geen schuldenaar van de verweerder was.

Het arrest legt aldus, zonder de artikelen 1315 Burgerlijk Wetboek en 870 Gerech-telijk Wetboek te schenden, aan de eiseres het bewijs op van de omstandigheden die haar kunnen vrijstellen van haar verplichting tot inhouding en storting, ener-zijds, en staat de verweerder niet toe het bestaan van zijn schuldvordering tegen de eiseres te bewijzen door andere bewijsmiddelen dan het raadplegen van de ge-gevensbank die bij de wet is bepaald, anderzijds.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 18 februari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Aannemer

  • Onderaannemer

  • Betaling

  • Inhoudingen

  • RSZ

  • Vrijstelling

  • Voorwaarden

  • Bewijs

  • Bewijslast