- Arrest van 4 maart 2013

04/03/2013 - C.09.0205.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het voordeel van de verzekeringswaarborg kan enkel worden ontzegd aan diegene die een opzettelijke fout heeft begaan of die een in de overeenkomst bepaalde verplichting niet is nagekomen; bijgevolg is elk contractueel beding verboden waardoor de verzekeringswaarborg wordt ontzegd aan een andere verzekeringnemer dan diegene die de opzettelijke fout heeft begaan.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0205.F

KBC VERZEKERINGEN nv,

Me Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

C. O.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 20 oktober 2008.

De zaak is bij beschikking van 18 februari 2013 door de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert een middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 8 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst.

Aangevochten beslissingen

Het arrest veroordeelt de eiseres tot betaling aan de verweerster van 61.634 euro, vermeerderd met de vergoedende interest vanaf 24 april 2001 en de gerechtelijke interest, waarvan 1.781,73 euro als terugbetaling voor haar aandeel in de kosten en in de kosten van het deskundigenonderzoek, om de volgende redenen:

"[de verweerster] vordert de veroordeling van [de eiseres] tot betaling van de helft van de kosten voor het herstel van een gebouw dat haar echtgenoot opzettelijk in brand gestoken heeft en waarvan zij samen met laatstgenoemde mede-eigenaar was;

bepaald moet worden of [de verweerster], door de brandverzekeringsovereenkomst die zij samen met haar ex-echtgenoot bij [de eiseres] hebben gesloten, de terugbetaling kan krijgen van de door haar gevorderde bedragen, aangezien zij geen enkel aandeel heeft in de brand van het gebouw; het vonnis van 4 september 2003 van de correctionele rechtbank van Hoei heeft immers alleen haar ex-echtgenoot, M. U., aansprakelijk gesteld voor die brand van 24 april 2001 ;

de wettelijke gemeenschap die bestaan heeft tussen [de verweerster] en haar ex-echtgenoot M.U., werd ontbonden op de dag van de echtscheidingsdagvaarding, d.i. 21 juni 2001;

[de eiseres] weigert haar dekking op grond van artikel 8 van de Wet van 25 juni 1992, luidens hetwelk de verzekeraar niet verplicht kan worden dekking te geven aan hem die het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt;

de verzekeraar die beweert bevrijd te zijn van de dekking, moet kunnen bewijzen dat de verzekerde een opzettelijke daad heeft gesteld waardoor hij zijn recht op uitkering verliest;

door het verval van het recht op uitkering wordt dat recht ingetrokken; alleen de persoon die het recht heeft verloren, kan de dekking niet opeisen, terwijl de andere personen binnen dat gezin dat recht wel behouden;

[de verweerster], mede-eigenaar van het geteisterde gebouw, heeft recht op de dekking van de verzekering, aangezien zij geen enkel aandeel heeft in het opzettelijk aansteken van de brand;

hoewel artikel 9 van de algemene voorwaarden van de verzekeringspolis bepaalt dat de verzekeraar de gestorte vergoeding kan terugvorderen van de personen die aansprakelijk zijn voor het schadegeval en artikel 1 van de diverse bepalingen de hoofdelijkheid en onsplitsbaarheid onder de verzekeringnemers bepaalt, impliceren die elementen niet dat de [eiseres] zich mag onttrekken aan haar verplichtingen ten aanzien van [de verweerster]; enerzijds is [de verweerster] weliswaar niet aansprakelijk voor het schadegeval, zodat artikel 9 niet van toepassing is op [haar] omdat zij geen enkel aandeel heeft in het schadegeval; anderzijds, mogen de begrippen hoofdelijkheid en onsplitsbaarheid onder alle verzekeringnemers, als bepaald bij artikel 1 van de diverse bepalingen, geen afbreuk doen aan de toepassing van artikel 8 van de wet van 25 juni 1992, die van openbare orde is, aangezien het wordt toegepast 'niettegenstaande enig anders-luidend beding'. "

Grief

Krachtens artikel 8, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992, "kan de verzekeraar, niettegenstaande enig andersluidend beding, niet verplicht worden dekking te geven aan hem die het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt". Die bepaling is van openbare orde aangezien de verzekeringsovereenkomst een kanscontract is dat eraan in de weg staat dat de verzekeraar de dader van opzettelijk veroorzaakte schade moet vergoeden.

Het karakter van openbare orde van die bepaling is echter beperkt tot het beginsel dat dit karakter ondersteunt en beschermt: het feit dat de verzekeringsovereenkomst een kanscontract is.

Zo verbiedt artikel 8 van de wet van 25 juni 1992 niet de contractuele bedingen over hoofdelijkheid en onsplitsbaarheid onder alle verzekeringnemers voor een opzettelijke daad die één van hen heeft gesteld op grond dat zij strijdig zouden zijn met de openbare orde.

Het arrest dat de toepassing van die bedingen uitsluit, op grond dat "de begrippen hoofdelijkheid en onsplitsbaarheid onder alle verzekeringnemers, als bepaald bij artikel 1 van de diverse bepalingen, geen afbreuk mogen doen aan de toepassing van artikel 8 van de wet van 25 juni 1992, die van openbare orde is, aangezien zij toepasselijk is 'niettegenstaande enig andersluidend beding'," is bijgevolg niet naar recht verantwoord (schending van artikel 8 van de wet van 25 juni 1992).

Bijgevolg miskent het arrest de dwingende kracht van de artikelen 9 van de overeenkomst en 1 van de diverse bepalingen, die het uitsluit, en schendt het bijgevolg artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Krachtens artikel 8, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992, kan de verzekeraar, niettegenstaande enig andersluidend beding, niet verplicht worden dekking te ge-ven aan hem die het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt.

Overeenkomstig artikel 11, eerste lid, van dezelfde wet, mag in de verzekerings-overeenkomst geen geheel of gedeeltelijk verval van het recht op verzekerings-prestatie bedongen worden dan wegens niet-nakoming van een bepaalde, in de overeenkomst opgelegde verplichting, en mits er een oorzakelijk verband bestaat tussen de tekortkoming en het schadegeval.

Uit die bepalingen volgt dat enkel diegene die een opzettelijke fout heeft begaan of een in de overeenkomst bepaalde verplichting niet is nagekomen, het recht op de dekking van de verzekering verliest.

Bijgevolg is elk contractueel beding, dat een andere verzekeringnemer dan diege-ne die een opzettelijke fout heeft begaan de dekking van de verzekering ontzegt verboden.

Het middel, dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

(...)

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Alain Simon, Mi-reille Delange et Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 4 maart 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advo-caat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Niet verplichte burgerlijke aansprakelijkheidsverzekering

  • Dekking

  • Contractuele verplichting

  • Niet-nakoming

  • Opzettelijke fout

  • Gevolg

  • Verval

  • Beperkingen