- Arrest van 6 maart 2013

06/03/2013 - P.12.1700.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 876 van het Gerechtelijk Wetboek, naar luid waarvan de rechtbank het aanhangige geschil berecht volgens de bewijsregels die van toepassing zijn op de aard van het geschil heeft geen betrekking op het strafgerecht in die zin dat het niet aan het strafgerecht staat om twee verschillende bewijsstelsels toe te passen naargelang het uitspraak doet over de strafvordering of over de burgerlijke rechtsvordering.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1700.F

I. L. V.,

Mr. Paul Verhaeghe, advocaat bij de balie te Brussel,

II. BELGISCHE STAAT, federale overheidsdienst Financiën, vertegenwoor-digd door de directeur van de Registratie te Brussel,

Mr. Luc Van Helshoecht, advocaat bij de balie te Brussel,

beide cassatieberoepen tegen

1. C. V.,

2. C. V.,

3. M. V.,

4. M. V.,

5. L. V.,

Mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 18 september 2012.

De eerste eiser voert zeven middelen en de tweede voert drie middelen aan, ieder in een memorie die aan dit arrest is gehecht.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoep van L. V.

(...)

Vijfde middel

Eerste onderdeel

Het arrest wordt verweten dat het beslist dat de zogenaamd uit de nalatenschap gestolen zaken daarvan geen deel uitmaakten en dat het de verschillende elemen-ten afwijst die de klagers als wettelijke vermoedens aanvoeren en die de feiten-rechters, volgens hen, verplichtten dat bestanddeel van het misdrijf als bewezen te beschouwen.

Het middel voert met name schending aan van artikel 876 Gerechtelijk Wetboek, naar luid waarvan de rechtbank het aanhangige geschil berecht volgens de bewijs-regels die van toepassing zijn op de aard van het geschil. Die bepaling heeft geen betrekking op het strafgerecht, in die zin dat het niet aan het strafgerecht staat om twee verschillende bewijsstelsels toe te passen naargelang het uitspraak doet over de strafvordering of over de burgerlijke rechtsvordering.

De artikelen 15 en 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, die vol-gens het middel ook zouden zijn geschonden, hebben niet tot gevolg dat de straf-rechter, wanneer een partij haar tegenstrever beschuldigt van diefstal van een na-latenschap, zich naar de regels van het burgerlijk of fiscaal recht moet gedragen om te bepalen of de zogenaamd ontvreemde activa al dan niet tot de boedel van de overledene behoorden.

Behoudens in de in het voormelde artikel 16 bepaalde gevallen zijn de artikelen 1349 en 1353 Burgerlijk Wetboek alleen van toepassing op het bewijs van verbin-tenissen en niet van misdrijven.

Inzake valsheid in geschriften en verduistering of diefstal, feiten die de verweer-ders ten laste worden gelegd, voert de wet ten gunste van de beklaagde (lees: bur-gerlijke partij) geen wettelijk vermoeden in dat hem vrijstelt van de verplichting om het bewijs te leveren van het misdrijf dat hij aangeeft en waarvoor hij klacht heeft ingediend, en dat tot gevolg zou hebben dat de beklaagde het bewijs van zijn onschuld dient te leveren.

Het onderdeel faalt naar recht.

Tweede onderdeel

Aangezien het bewijs van de misdrijven aan de vrije beoordeling van de rechter wordt overgelaten, schendt het arrest artikel 2279 Burgerlijk Wetboek niet en miskent het evenmin de vermoedens van eigendom die het Wetboek van succes-sierechten invoert om de belastbare baten vast te stellen, door te oordelen dat het huren van een koffer op naam van de overledene niet bewijst dat hij de eigenaar van de daarin aangetroffen waardepapieren is.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

In zoverre het middel de grieven herhaalt die reeds in het bovenvermelde ant-woord op de eerste twee onderdelen zijn afgewezen, is het niet ontvankelijk.

Het vermoeden van artikel 1468 Burgerlijk Wetboek, volgens hetwelk roerende goederen waarvan niet kan worden bewezen dat ze eigendom zijn van een der echtgenoten, als onverdeeld tussen de echtgenoten worden beschouwd, verbiedt de strafrechter, die uitspraak moet doen over het bestaan van een telastlegging diefstal van een nalatenschap, niet om op grond van zijn vrije beoordeling van de gegevens van de zaak te oordelen dat er twijfel blijft bestaan over de vraag of de litigieuze goederen tot de boedel van de eerstoverleden echtgenoot behoren.

Het middel faalt naar recht.

Vierde onderdeel

Artikel 1156 Burgerlijk Wetboek is niet één van de regels die de bewijswaardering in strafzaken bepalen.

Het middel faalt dienaangaande naar recht.

Het arrest haalt de verbintenis aan die R. V. op 26 september 1994 was aangegaan tot waarborg van leningen aan twee naamloze vennootschappen. Volgens het ar-rest stipuleert die verbintenis dat "[...] (11) De Garant als waarborg voor deze verbintenis de deelbewijzen, oprichtersaandelen, winstbewijzen en andere effecten in pand geeft die het kapitaal van de Ontleners al dan niet vertegenwoordigen, en waarvan hij houder is, die hij in zijn bezit heeft, waarvan hij het vruchtgebruik heeft of eigenaar is op de datum van de ondertekening van deze verbintenis, alsook de dividenden en ander toebehoren die hij als houder, bezitter, vruchtgebruiker of eigenaar van die effecten gerechtigd is te ontvangen. (12) De Garant zal, als aanvullende zekerheid, op eerste verzoek van de Bank en ingeval de reeds als zekerheid gegeven effecten niet meer zouden volstaan om deze verbintenis te dek-ken, alle effecten of waardepapieren in pand geven die de Bank als aanvullende zekerheid nodig acht. (13) De Garant verwezenlijkt de inpandgeving van de stuk-ken aan toonder door ze onverwijld te deponeren op een geblokkeerde rekening op zijn naam bij de Bank en draagt de beheerskosten van dat deposito. (14) De Garant verbindt zich ertoe om behoudens toestemming van de Bank, geen in pand gegeven effecten of andere niet in pand gegeven effecten die daarvoor evenwel in aanmerking komen ingeval de in pand gegeven effecten niet meer zouden volstaan om deze verbintenis te dekken [...], over te dragen, in legaat te geven, in pand te geven of een andere rechtshandeling te stellen die het normale genot als pandge-vende schuldenaar te boven gaat" [...].

Het arrest stelt vast dat uit de voormelde bewoordingen niet blijkt dat R. V. zon-der enige twijfel eigenaar was van de in pand gegeven effecten.

De appelrechters hebben aldus van de akte waarnaar hun arrest verwijst geen uit-legging gegeven die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan.

Zij antwoorden op de conclusie van de eiser, zonder dat zij daarenboven alle ar-gumenten moeten weerleggen die niet verschillen van het afgewezen middel.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Vijfde onderdeel

In zoverre het middel aanvoert dat het dossier voldoende elementen bevat om te besluiten dat de litigieuze activa deel uitmaakten van het eigen vermogen van R. V. of althans van de onverdeeldheid tussen hemzelf en zijn echtgenote, is het niet ontvankelijk omdat het de daarmee strijdige feitelijke beoordeling van de gege-vens van de zaak door de appelrechters betwist.

Het hof van beroep heeft het wettelijk begrip feitelijk vermoeden niet miskend door te oordelen dat de verschillende in het middel opgenoemde feiten niet vol-stonden om, buiten elke redelijke twijfel, de gegrondheid van de aan de verweer-ders ten laste gelegde misdrijven aan te tonen.

Zoals hierboven, in antwoord op het eerste en derde onderdeel is vermeld, zijn de burgerlijke vermoedens die het bewijs van de eigendom tussen echtgenoten rege-len niet bindend voor de strafrechter die, in de regel, niet gehouden is door een rangorde tussen de verschillende toegelaten bewijsmiddelen.

Het middel kan wat dat betreft niet worden aangenomen.

(...)

B. Cassatieberoep van de Belgische Staat

(...)

Tweede middel

Eerste onderdeel

Wanneer de wet in strafzaken geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoor-deelt de bodemrechter in feite de bewijswaarde van de gegevens waarop hij zijn overtuiging grondt en waarover de partijen vrij tegenspraak hebben kunnen voe-ren. Het staat hem vrij om met name te oordelen of de hem voorgelegde gegevens al dan niet afdoende vermoedens opleveren.

De eiser voert aan dat de inpandgeving van effecten door de overledene, het feit dat ze in koffers werden bewaard die op zijn naam waren gehuurd en dat de we-duwe ze heeft overgedragen, bewijzen dat het activa zijn die tot de erfenis beho-ren. Hij verwijt de appelrechters dat zij anders hebben beslist.

Het middel, dat kritiek uitoefent op de feitelijke beoordeling van de appelrechters of waarvan het onderzoek vereist dat feitelijke gegevens worden nagegaan, wat niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort, is niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

De eiser voert aan dat de beklaagden niet hebben aangetoond dat hun moeder ei-genares was van de effecten in de drie jaar die aan de dood van haar echtgenoot zijn voorafgegaan. Volgens de eiser volgt daaruit dat laatstgenoemde wettelijk vermoed werd eigenaar te zijn van de waardepapieren die hij op de datum van zijn overlijden in zijn bezit had, zodat het hof van beroep, door dat niet te willen aan-nemen, artikel 2279 Burgerlijk Wetboek heeft geschonden.

De bewijslast rust op de vervolgende partij. Het stond niet aan de beklaagden om te bewijzen dat hun vader niet de eigenaar van de effecten was, maar aan de bur-gerlijke partijen om aan te tonen dat hij wel degelijk de eigenaar was.

Krachtens de in het middel aangevoerde wetsbepaling kan het eigendomsrecht van een roerend goed voortvloeien uit het nuttig bezit en de goede trouw. Die regel beschermt per definitie de kopers van de daarin bedoelde goederen. Hij heeft geen betrekking op het bewijs van misdrijven, dat vrij wordt beoordeeld. Hij verbiedt de strafrechter dus niet te oordelen dat er twijfel bestaat over de hoedanigheid van eigenaar van de persoon in wiens handen het goed werd gevonden.

Het middel, dat van het tegenovergestelde uitgaat, faalt naar recht.

Derde onderdeel

De eiser voert aan dat een roerend goed waarvan niet kan worden bewezen dat het eigendom is van een der echtgenoten, als onverdeeld tussen de echtgenoten wordt beschouwd. Hij verwijt het arrest dat het dit in artikel 1468 Burgerlijk Wetboek bepaalde wettelijk vermoeden niet toepast.

In strafzaken legt de wet de rechter geen enkele regel op waarvan hij de volko-menheid of de ontoereikendheid van het bewijs van een misdaad of wanbedrijf moet doen afhangen. De door het Burgerlijk Wetboek ingevoerde vermoedens verplichten hem niet om het bestaan van een van de bestanddelen van het misdrijf als bewezen te beschouwen, terwijl de gegevens van het strafdossier hem van het tegendeel overtuigen.

Het middel faalt naar recht.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Filip Van Volsem, en in openbare terechtzitting van 6 maart 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aan-wezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van grif-fier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Artikel 876, Gerechtelijk Wetboek

  • Toepassing op de strafgerechten