- Arrest van 8 maart 2013

08/03/2013 - C.12.0322.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het gezag van gewijsde van een rechterlijke beslissing in burgerlijke zaken kan worden tegengeworpen, niet alleen door en tegen degene die als eiser of verweerder in het geding is opgetreden, maar ook door en tegen degene die in het geding is tussengekomen of tot tussenkomst is geroepen, zij het slechts tot bindendverklaring (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0322.N

R.E.,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

R.E.,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 6 februari 2012.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 9 januari 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Het gezag van gewijsde van een rechterlijke beslissing in burgerlijke zaken kan worden tegengeworpen, niet alleen door en tegen degene die als eiser of ver-weerder in het geding is opgetreden, maar ook door en tegen degene die in het ge-ding is tussenkomen of tot tussenkomst is geroepen, zij het slechts tot bindend-verklaring.

2. Uit de omstandigheid dat het voorwerp en de oorzaak van een definitief be-slechte rechtsvordering niet dezelfde zijn als die van een latere rechtsvordering tussen dezelfde partijen, volgt niet noodzakelijk dat die overeenstemming ont-breekt voor elke aanspraak of betwisting die een partij in het ene of het andere ge-ding aanvoert, noch, bijgevolg, dat de rechter een aanspraak kan aannemen waar-van de grondslag onverenigbaar is met wat vroeger is beslist.

Het gezag van gewijsde strekt zich uit tot wat de rechter over een geschilpunt heeft beslist, en tot wat, om reden dat het geschil dat voor hem is gebracht en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, de noodzakelijke grond-slag, al weze het impliciet, van zijn beslissing uitmaakt.

3. Uit het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 9 juni 1999 blijkt dat de eiseres en de verweerder respectievelijk als derde en tweede verweerders waren opgeroepen om zich te verweren tegen een door de bank inge-stelde pauliaanse vordering die ertoe strekte een overeenkomst van 7 december 1992 niet tegenstelbaar te laten verklaren, en tegen een zijdelingse vordering.

Aldus blijkt dat de eiseres die tegenspraak heeft kunnen voeren over de kwalifica-tie van de overeenkomst van 7 december 1992, een partij is aan wie het gezag van gewijsde van dat vonnis kan worden tegengeworpen.

In zoverre het middel aanvoert dat het gezag van gewijsde het instellen van een nieuwe eis enkel verhindert tussen diegenen die wederzijds in dezelfde hoedanig-heid partij waren in de procedure, faalt het naar recht.

4. Het arrest stelt vast dat het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 9 juni 1999 de pauliaanse vordering ingesteld door de bank tegen de overeenkomst van 7 december 1992 tussen de verweerder en Jozef Esser waar-bij deze laatste zijn aandelen in Dichtingswerken Decolith bvba, Rubeton bvba en Feestzalen Flores bvba overdroeg aan de verweerder, als ongegrond heeft afgewe-zen op grond dat de bank niet aantoont dat er fraude of bedrog zou zijn gepleegd door de schuldenaar en de derde bij deze rechtshandeling onder bezwarende titel en dat de bestreden rechtshandeling niet kan beschouwd worden als een rechts-handeling om niet, gelet op de tegenprestaties aangegaan door de overnemer van de aandelen, de verweerder.

Het arrest oordeelt vervolgens dat, aangezien in het vonnis van 9 juni 1999 al werd beslist dat de overeenkomst van overdracht van aandelen van 7 december 1992 geen schenking is, er niet meer zonder miskenning van het gezag van ge-wijsde van dit vonnis kan worden beslist dat dit wel het geval is.

5. Aansluitend kon het arrest zonder schending van de in het middel aange-voerde wetsbepalingen oordelen dat het gezag van gewijsde van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 9 juni 1999 verhindert dat uitspraak wordt gedaan over de vordering van de eiseres tot vaststelling dat voormelde overeenkomst een schenking onder de levenden is.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 894,25 euro en voor de verweerder op 131,24 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Bart Wylleman, en op de openbare rechtszitting van 8 maart 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van grif-fier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen B. Wylleman G. Jocqué

K. Mestdagh A. Smetryns E. Dirix

Vrije woorden

  • Vordering tussen dezelfde personen