- Arrest van 11 maart 2013

11/03/2013 - S.12.0088.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter die de duur van de aan de bediende toekomende opzeggingstermijn vaststelt rekening moet houden met de kans voor de bediende om spoedig een aangepaste en evenwaardige betrekking te vinden gelet op zijn anciënniteit, zijn leeftijd, zijn functie en zijn loon naargelang van de elementen eigen aan de zaak; hij dient daarbij rekening te houden met omstandigheden die bestonden op het tijdstip van de kennisgeving van het ontslag in zoverre deze omstandigheden de voor de bediende bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden beïnvloeden; aldus moet de rechter niet elementen in acht nemen die geen verband houden met de kans voor de bediende om een gelijkwaardige betrekking te vinden, zoals de economische of financiële situatie waarin de werkgever verkeert of de belangen van de niet-ontslagen werknemers.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0088.N

ALERIS ALUMINIUM DUFFEL bvba, met zetel te 2570 Duffel, Adolphe Stoclet-laan 87,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kan-toor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

W.S.,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen van 16 december 2011.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 gecoördineerde Grondwet;

- de artikelen 37, 39, § 1, en 82 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

Aangevochten beslissing

Het arbeidshof veroordeelt eiseres tot betaling van een aanvullende opzeggingsver-goeding.

Het arbeidshof beslist aldus op volgende gronden (bladzijde 6-9 van het bestreden ar-rest):

"In casu staat niet ter betwisting dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op onregelmatige wijze eenzijdig door [eiseres] werd beëindigd op 30 juni 2009.

In dat geval is krachtens artikel 39 Arbeidsovereenkomstenwet, [eiseres] gehouden om aan [verweerder] een vergoeding te betalen gelijk aan het lopend loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn.

[...]

Wanneer, zoals te dezen, het jaarlijks loon van de bediende de in artikel 82, § 2, Arbeidsovereenkomstenwet bepaalde grens overschrijdt, dan worden de door de werkgever en de bediende in acht te nemen opzeggingstermijnen vastgesteld hetzij bij overeenkomst, gesloten ten vroegste op het ogenblik waarop de opzegging wordt ge-geven, hetzij door de rechter.

Aangezien geen overeenkomst tussen partijen werd gesloten, dient de rechter de duur van de opzeggingstermijn vast te stellen.

Deze termijn moet door de rechter worden bepaald met inachtneming van de op het ogenblik van de kennisgeving van het ontslag voor [verweerder] bestaande kans om spoedig een aangepaste en evenwaardige betrekking te vinden, gelet op zijn anciënniteit, zijn leeftijd, zijn functie en zijn loon, naar gelang van de elementen eigen aan de zaak [...].

De kans van de bediende om zo spoedig mogelijk een aangepaste en evenwaardige be-trekking te vinden moet beoordeeld worden op het ogenblik van het ontslag, zodat de normaal in acht te nemen opzeggingstermijn niet beïnvloed wordt door de tijd die de bediende in werkelijkheid nodig heeft gehad.

[...]

Bij het vaststellen van de opzeggingstermijn dient de rechter bovendien enkel rekening te houden met omstandigheden die bestonden op het ogenblik van de kennisgeving van het ontslag, in zoverre deze omstandigheden de voor de bediende bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden beïnvloeden. [...]

Aldus mag bijvoorbeeld geen rekening worden gehouden met de door de werkgever ingeroepen tekortkomingen van de bediende, nu deze niet van aard zijn om zijn wedertewerkstellingskansen te beïnvloeden.[...]

Nu de economisch moeilijke omstandigheden waarin [eiseres] zich zou bevonden heb-ben ten tijde van het ontslag van [verweerder] geen omstandigheid is die de kans op het vinden van een gelijkwaardige betrekking kan beïnvloeden, kan daarmee evenmin rekening worden gehouden bij het bepalen van de duur van de opzeggingstermijn die [eiseres] diende in acht te nemen.

Met deze mogelijk ongunstige economische moeilijkheden kan gebeurlijk wel rekening worden gehouden teneinde de onderneming toe te laten de opzeggingsvergoeding in termijnen te betalen met toepassing van artikel 39bis Arbeidsovereenkomstenwet, waarvan de inschakelingsvergoeding een toepassing is.

Daarentegen is de slechte economische conjunctuur op het ogenblik van het ontslag uiteraard wel een element dat in aanmerking moet worden genomen, nu deze mede bepalend is voor de kansen van [verweerder] op een spoedige wedertewerkstelling in een gelijkwaardige functie.

Het arbeidshof is evenwel van oordeel dat een slechte economische conjunctuur deze kansen eerder negatief beïnvloedt en zeker geen rechtvaardiging kan vormen voor het toekennen van een opzeggingstermijn die lager is dan de termijn die [verweerder] wordt geacht nodig te hebben voor het vinden van een nieuwe, gelijkwaardige betrekking.

De argumentatie van [eiseres], dat "het onbillijk zou zijn nadat de werknemer, die zijn hele loopbaan lang een zeer aanzienlijke bezoldiging heeft genoten, nu een verbre-kingsvergoeding zou opstrijken waarvan de kost bovenmatig is voor de in herstructu-rering zijnde onderneming en buiten verhouding staat tot de opzeggingsvergoeding van alle andere werknemers van de onderneming", (aanvullende en syntheseconclusie d.d. 2 september 2011, p. 14), kan niet worden aangenomen. De billijkheid is immers geen criterium dat in aanmerking mag worden genomen ter bepaling van de opzeg-gingstermijn (vgl. Cass. 14 mei 1990, R.W. 1990-91, 565).

Voor zover bij het bepalen van de opzeggingstermijn die [eiseres] in acht had moeten nemen bij het ontslag van [verweerder] al rekening zou moeten worden gehouden met het wederzijds belang van beide partijen, ziet het arbeidshof geen enkele aanleiding om hierbij het belang van [eiseres] te laten primeren op het belang van [verweerder].

Gelet op de anciënniteit van [verweerder] (23 jaar en 8 maanden), zijn leeftijd (47 jaar en 4 maanden), zijn functie (manager proces- en productontwikkeling) en zijn jaarloon (109.348,10 euro) en de relevante elementen eigen aan de zaak op het ogenblik van het ontslag, is het arbeidshof van oordeel dat [eiseres] een opzeggingstermijn van 25 maanden in acht had moeten nemen.

[Verweerder] maakt aldus aanspraak op een opzeggingsvergoeding van 109.348,10 euro x 25/12 = 227.808,54 euro.

Onder aftrek van de reeds betaalde opzeggingsvergoeding van 78.601,96 euro en gelet op de aanvullende stortingen in de groepsverzekering ten bedrage van 5.810,40 euro en de betaalde inschakelingspremie ten bedrage van 52.278,90 euro, waarvan [verweerder] uitdrukkelijk erkent dat deze in mindering mogen worden gebracht van de opzeggingsvergoeding, blijft [eiseres] nog een aanvullende opzeggingsvergoeding verschuldigd van 91.117,28 euro."

Grieven

Artikel 37 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten verleent iedere partij bij een voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst het recht om die overeenkomst te beëindigen door opzegging aan de andere partij. Overeenkomstig artikel 39, § 1, van dezelfde wet is de partij die een voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst zonder dringende reden of zonder inachtneming van een opzeg-gingstermijn beëindigt, ertoe gehouden aan de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt met de duur van de niet in acht ge-nomen opzeggingstermijn.

Voor bedienden wier jaarloon de wettelijk vastgelegde grens overschrijdt, bepaalt artikel 82 van de wet van 3 juli 1978 dat de na te leven opzeggingstermijn, bij ontstentenis van een overeenkomst tussen partijen, wordt bepaald door de rechter. De opzeggingstermijn mag echter niet korter zijn dan de bij artikel 82 bepaalde termijnen, ingeval de beëindiging van de overeenkomst, zoals in casu, uitgaat van de werkgever.

De rechter dient de opzeggingstermijn te bepalen met inachtneming van het belang van beide partijen en dus onder meer, maar niet uitsluitend met inachtneming van de mogelijkheid van de bediende om, op het ogenblik van de opzegging, snel een aangepaste en gelijkwaardige betrekking te vinden, gelet op de anciënniteit van de bediende, zijn leeftijd, het belang van zijn functie en het bedrag van zijn loon. Ook de moeilijke economische of financiële situatie waarin de werkgever verkeert en die het hem zwaar maakt lange opzeggingstermijnen te respecteren of hoge opzeggingsvergoedingen te betalen en de daarmee gepaard gaande mogelijkheden tot het behoud van de tewerk-stelling voor niet-ontslagen werknemers, dienen in aanmerking te worden genomen bij het bepalen van de duur van de opzeggingstermijn. Die gegevens zijn immers eigen aan de zaak en moeten worden in acht genomen. Dat stemt overeen met de wil van de wetgever die om die reden ondernemingen in moeilijkheden of in herstructurering toe-laat kortere opzeggingstermijnen te hanteren (thans artikel 18, § 3, KB van 3 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag) een opzeggingsvergoeding uit te betalen in maandelijkse schijven (artikel 39bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten).

In haar appelconclusie voert eiseres aan dat de ten opzichte van verweerder door haar in acht te nemen opzeggingstermijn moet worden bepaald rekening houdend met de gegevens eigen aan de zaak en met de inachtneming van de belangen van beide partijen, dat zij door economische moeilijkheden werd gedwongen tot een collectief ont-slag en de sluiting van het bedrijf alleen kon voorkomen door de herstructureringskosten binnen de perken te houden, dat de door verweerder gevorderde opzeggingsvergoeding overeenstemmende met een opzeggingstermijn van 25 maanden in die omstandigheden bovenmatig is voor de in herstructurering zijnde onderneming en buiten verhouding staat tot de opzeggingsvergoeding van andere werknemers en dat opzeggingsvergoedingen van een dergelijke omvang veel meer banen op de tocht zouden brengen. Volgens eiseres is, gelet op de omstandigheden eigen aan de zaak en de belangen van beide partijen, een opzeggingstermijn van 15 maanden passend.

Het arbeidshof overweegt echter dat geen rekening mag worden gehouden met de financiële situatie van de werkgever en beslist op grond van de overige elementen van het dossier dat eiseres een opzeggingsvergoeding van 25 maanden in acht had moeten nemen

Het arbeidshof neemt die beslissing zonder te antwoorden op of rekening te houden met het door eiseres aangevoerde middel dat ook rekening moet worden gehouden met de belangen van de overige werknemers van eiseres. Het arbeidshof weigert daarenboven rekening te houden met de economische moeilijkheden van eiseres wier bedrijf met sluiting werd bedreigd en houdt uitsluitend rekening met verweerders belangen bij het bepalen van de in acht te nemen opzeggingstermijn en van de daarmee overeen-stemmende opzeggingsvergoeding.

De appelrechters schenden derhalve artikel 149 gecoördineerde Grondwet door niet te antwoorden op het door eiseres aangevoerde middel dat ook de belangen van verweerders medewerknemers dienen in acht te worden genomen bij de vaststelling van de door eiseres in acht te nemen opzeggingstermijn. Door te weigeren zowel de belangen van de overige werknemers van eiseres, als de belangen van eiseres zelf in acht te nemen bij het bepalen van de in acht te nemen opzeggingstermijn en van de daarmee overeenstemmende opzeggingsvergoeding, houden de appelrechters geen rekening met alle elementen van de zaak, noch met de belangen van beide partijen bij de arbeidsovereenkomst en verantwoorden zij hun beslissing dat eiseres een opzeggingstermijn van 25 maanden had moeten in acht nemen en een daarmee overeenstemmende opzeggingsvergoeding had moeten betalen niet naar recht (schending van de artikelen 37, 39, § 1, en 82 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Anders dan het middel aanvoert, beantwoordt het arrest het verweer van de eise-res dat ook rekening moet worden gehouden met de belangen van haar overige werk-nemers met de redenen die het arrest bevat en die het middel weergeeft, inzonderheid met de reden dat enkel rekening moet worden gehouden met omstandigheden die be-stonden op het ogenblik van de kennisgeving van het ontslag, "in zoverre deze om-standigheden de voor de bediende bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden, beïnvloeden".

In zoverre het een motiveringsgebrek aanvoert, mist het middel feitelijke grondslag.

2. De rechter die krachtens artikel 82, § 3, Arbeidsovereenkomstenwet de duur van de aan de bediende toekomende opzeggingstermijn vaststelt, moet rekening houden met de kans voor de bediende om spoedig een aangepaste en evenwaardige betrekking te vinden, gelet op zijn anciënniteit, zijn leeftijd, zijn functie en zijn loon, naargelang van de elementen eigen aan de zaak. Hij dient daarbij rekening te houden met omstan-digheden die bestonden op het tijdstip van de kennisgeving van het ontslag, in zoverre deze omstandigheden de voor de bediende bestaande kans om een gelijkwaardige be-trekking te vinden, beïnvloeden.

3. Het middel dat ervan uitgaat dat de rechter bij het bepalen van de aan de bediende toekomende opzeggingstermijn ook elementen moet in acht nemen die geen verband houden met de kans voor de bediende om een gelijkwaardige betrekking te vinden, zoals de economische of financiële situatie waarin de werkgever verkeert of de belangen van de niet-ontslagen werknemers, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel faalt in zoverre naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 318,81 euro en voor de verweerder op 188,49 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Mireille Delange en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 11 maart 2013 uitgesproken door raadsheer Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols A. Lievens M. Delange

K. Mestdagh A. Smetryns B. Deconinck

Vrije woorden

  • Opzeggingstermijn

  • Duur

  • Bepaling van de opzeggingstermijn

  • Door de rechter in acht te nemen elementen