- Arrest van 12 maart 2013

12/03/2013 - P.13.0356.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de artikelen 22 en 30, §4, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet, gelezen in hun onderlinge samenhang, volgt dat telkens als de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak doet in een der gevallen bedoeld in de artikelen 22, tweede lid en 22bis Voorlopige Hechteniswet, dit is over de voorlopige hechtenis voor een misdrijf dat niet valt onder de toepassing van artikel 2 Wet Verzachtende Omstandigheden, en beslist de voorlopige hechtenis te handhaven, het arrest een titel van vrijheidsbeneming oplevert voor een duur van drie maanden te rekenen van de beslissing; de duur van de titel van vrijheidsbeneming wordt niet beperkt tot een maand doordat de kamer van inbeschuldigingstelling zelf beslist heeft de feiten waarvoor het aanhoudingsbevel werd verleend, te herkwalificeren in een niet-correctionaliseerbare misdaad (1). (1) Zie Cass. 12 feb. 2013, AR P.13.0221.N, AC 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0356.N

D M,

inverdenkinggestelde, aangehouden,

eiseres,

met als raadsman mr. Jan De Man, advocaat bij de balie te Antwerpen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 26 februari 2013.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING

De eiseres werd op 21 november 2011 onder aanhoudingsbevel geplaatst wegens feiten van poging tot doodslag en mensonterende behandeling.

Bij arrest van 13 december 2012 heeft de kamer van inbeschuldigingstelling het hoger beroep van de eiseres tegen de beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis als bedoeld in artikel 22, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet ongegrond verklaard en de feiten waarvoor het aanhoudingsbevel werd verleend, geherkwali-ficeerd in foltering op een minderjarige door een persoon die over hem gezag heeft, feiten strafbaar gesteld bij de artikelen 417bis, 1°, en 417ter, derde lid, 1°, Strafwetboek, waarop artikel 2 Wet Verzachtende Omstandigheden niet van toe-passing is.

Op 8 februari 2013 heeft de eiseres overeenkomstig artikel 22bis Voorlopige Hechteniswet een verzoek ingediend strekkende tot haar invrijheidstelling op grond dat het voormelde arrest van 13 december 2012 slechts een titel van vrij-heidsbeneming oplevert voor één maand.

Bij beschikking van 12 februari 2013 heeft de raadkamer dat verzoek als onge-grond afgewezen.

Het bestreden arrest doet uitspraak over het hoger beroep tegen die beschikking.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 21, 22, 22bis en 30 Voor-lopige Hechteniswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 13 december 2012 een titel van vrijheidsbeneming voor drie maanden oplevert; artikel 30, § 4, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling een titel van vrijheidsbeneming oplevert voor drie maanden te rekenen van de beslissing, indien het hoger beroep wordt ingesteld tegen de bij de artikelen 22, tweede lid, en 22bis bedoelde beschikking; het voormelde arrest werd niet gewezen in hoger beroep tegen een dergelijke beschikking, zodat het een titel van vrijheidsbeneming ople-verde voor slechts één maand.

2. Artikel 22, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat zolang aan de voorlopige hechtenis geen einde wordt gemaakt en het gerechtelijk onderzoek niet is afgesloten, de raadkamer van maand tot maand over het handhaven van de voorlopige hechtenis oordeelt.

Het tweede lid van datzelfde artikel bepaalt dat indien het feit dat bij de raadka-mer aanhangig is gemaakt, een feit betreft waarop artikel 2 Wet Verzachtende Omstandigheden niet van toepassing is, de raadkamer om de drie maanden uit-spraak doet over het handhaven van de voorlopige hechtenis. In dat geval is de beschikking geldig voor drie maanden vanaf de dag waarop ze is gewezen.

Artikel 30, § 4, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat indien de kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet in de gevallen van de artikelen 21, 22, 22bis en 28, beslist dat de voorlopige hechtenis gehandhaafd blijft, het arrest een titel van vrijheidsberoving oplevert voor een maand te rekenen van de beslis-sing, of voor drie maanden te rekenen van de beslissing, indien het hoger beroep wordt ingesteld tegen de bij de artikelen 22, tweede lid, en 22bis bedoelde be-schikking.

3. Uit deze bepalingen, gelezen in hun onderlinge samenhang, volgt dat telkens als de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak doet in een der gevallen bedoeld in de artikelen 22, tweede lid en 22bis Voorlopige Hechteniswet, dit is over de voorlopige hechtenis voor een misdrijf dat niet valt onder de toepassing van artikel 2 Wet Verzachtende Omstandigheden, en beslist de voorlopige hech-tenis te handhaven, het arrest een titel van vrijheidsbeneming oplevert voor een duur van drie maanden te rekenen van de beslissing. De duur van de titel van vrij-heidsbeneming wordt niet beperkt tot een maand doordat de kamer van inbeschul-digingstelling zelf beslist heeft de feiten waarvoor het aanhoudingsbevel werd verleend, te herkwalificeren in een niet-correctionaliseerbare misdaad.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

4. De substantiële of op straffe van onderzoek voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet genomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten 71,01 euro.

F. Adriaensen

E. Francis P. Hoet

F. Van Volsem G. Jocqué L. Van hoogenbemt

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit raadsheer Luc Van hoogenbemt, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Geert Jocqué, Filip Van Volsem, Peter Hoet en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 12 maart 2013 uitgesproken door raadsheer Luc Van hoogenbemt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Duur van de titel van vrijheidsbeneming

  • Misdrijf niet vallende onder toepassing van artikel 2 Wet Verzachtende Omstandigheden

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Herkwalificatie der feiten in een niet-correctionaliseerbare misdaad