- Arrest van 13 maart 2013

13/03/2013 - P.12.1812.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De verzekeraar die het voordeel van een in de polis op grond van artikel 8, tweede lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst gesteld uitsluitingsbeding aanvoert, heeft noodzakelijkerwijs het bestaan aangevoerd van een geval van grove schuld, dat op uitdrukkelijke en beperkende wijze in de overeenkomst is bepaald; uit het feit dat de bodemrechter hem tegenwerpt dat het door hem als toepasselijk aangevoerde beding, dat niet is, omdat een van de toepassingsvoorwaarden ervan niet is vervuld, kan bijgevolg geen miskenning van het beschikkingsbeginsel of van het recht van verdediging van de voormelde verzekeraar worden afgeleid.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1812.F

DE FEDERALE VERZEKERINGEN, coöperatieve vennootschap voor verze-keringen tegen ongevallen, brand en burgerlijke aansprakelijkheid,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. J.-M. E. e.a.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, cor-rectionele kamer, van 11 oktober 2012.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissingen die, op de burgerlijke rechtsvorderingen die de eerste acht verweerders tegen de eiseres hebben ingesteld, uitspraak doen over

1. Het beginsel van de aansprakelijkheid, de verplichting voor de verzekeraar om de slachtoffers van het ongeval en de omvang van de schade van R. D., S. D., J.-M. E. en P. P. te vergoeden

(...)

Tweede middel

Het middel voert met name schending aan van artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wet-boek, de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel beschikkingsbeginsel ge-naamd, alsook de miskenning van het recht van verdediging. Het arrest wordt verweten dat het een betwisting opwerpt die door de partijen was uitgesloten, door te verklaren dat de door de verzekeraar aangevoerde uitsluitingsbedingen van de dekking geen uitwerking kunnen hebben, omdat ze niet zijn opgemaakt met de duidelijkheid als vereist bij artikel 8, tweede lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst.

Onder artikel 26.2, laatste streepje, van de door de hoofdaannemer aangegane ver-zekeringspolis burgerlijke aansprakelijkheid bouwwerken heeft de eiseres het be-ding aangevoerd waarin wordt bepaald dat de schade die is veroorzaakt door het gebrek aan of de weglating van de wettelijke veiligheidsuitrusting, niet wordt ge-dekt.

De aannemer heeft in de namens hem op de rechtszitting van 28 juni 2012 neerge-legde conclusie aangevoerd dat er geen certificaat van "wettelijke" veiligheidsuit-rusting bestond, zodat men zich diende af te vragen wat die termen betekenen. De aannemer heeft aldus de vaagheid van het toepassingsgebied van het uitsluitings-beding onderstreept. Daaruit volgt dat de appelrechters, die op hun beurt die vaagheid aanvoeren, zich ertoe beperkt hebben een verweermiddel ontvankelijk te verklaren dat, aangezien het tijdens het debat is opgeworpen, geen heropening van het debat vereiste.

Het middel mist dienaangaande feitelijke grondslag.

Op grond van artikel 26.2, tweede streepje, van de verzekeringspolis heeft de eise-res ook aangevoerd dat de normaal vaststaande of voorzienbare schade uitgesloten was, voor zover zij reeds als dusdanig moest blijken nog vóór de schade zich had voorgedaan, met name uit de fabricagevoorschriften van het product of de voor-waarden voor de uitvoering van de werken.

Het arrest vermeldt dat dit beding in te algemene bewoordingen is gesteld zodat de verzekerde niet kan weten of het schadegeval al dan niet gedekt is. Volgens de appelrechters is het gebruik van het bijwoord met name in strijd is met de wette-lijke verplichting om de gevallen van uitsluiting op uitdrukkelijke en beperkende wijze te bepalen.

De juridische argumenten die het standpunt van een partij aanvullen en die zijn afgeleid uit de aan tegenspraak onderworpen feiten en stukken, zijn redenen die de rechter ambtshalve kan aanvullen. Die argumenten zijn geen afzonderlijke middelen, daar zij deel uitmaken van de aanspraken van de partijen.

De verzekeraar die zich beroept op het uitsluitingsbeding dat in de polis op grond van artikel 8, tweede lid, van de wet van 25 juni 1992 is vastgelegd, heeft noodza-kelijkerwijs het bestaan aangevoerd van een geval van grove schuld, dat op uit-drukkelijke en beperkende wijze in de overeenkomst is bepaald.

Uit het feit dat het arrest de eiseres tegenwerpt dat het beding waarvan zijzelf heeft aangevoerd dat het toepasselijk is, hier geen toepassing vindt omdat een van de toepassingsvoorwaarden ervan niet is vervuld, kan bijgevolg geen miskenning van het beschikkingsbeginsel of van het recht van verdediging van de eiseres worden afgeleid.

Het middel kan wat dat betreft niet worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 13 maart 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Verzekeraar roept het voordeel in van het in de polis gestelde uitsluitingsbeding

  • Bodemrechter werpt tegen dat een van de toepassingsvoorwaarden van de uitsluitinsgrond niet is voltrokken

  • Beschikkingsbeginsel en recht van verdediging

  • Miskenning