- Arrest van 14 maart 2013

14/03/2013 - C.12.0243.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De huurder behoudt zijn recht op de uitzettingsvergoeding, zelfs als hij de handelszaak heeft vervreemd, wanneer die vervreemding het gevolg is van de opzegging, aangezien de wet van 30 april 1951 op de handelshuurovereenkomsten de bescherming van de handelszaak tot doel heeft en de uitzettingsvergoeding, zoals zij door die wet is geregeld, de huurder beoogt te vergoeden voor het verlies van de handelszaak als gevolg van de uitzetting (1). (1) Cass. 12 nov. 1982, AR 3474, AC 1982-83, nr. 160, en Cass. 6 mei 2010, AR C.08.0588.N, AC 2010, nr. 317; B. Louveaux, Le dorit du bail commercial, De Boeck 2002, nrs. 559 en 560, p. 580 tot 570; K. Vanhove, Handelshuur, Interscientia 2012, nrs. 326, 327 en 332.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0243.F

BELGIUM CAR MARKET nv,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

Thomas VULHOPP, advocaat, als curator van het faillissement van de Erji Garden nv,

Mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel van 4 oktober 2011.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert de volgende twee middelen aan.

(...)

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 25, 3°, van de wet van 30 april 1951 op de handelshuurovereenkomsten, d.i. afdeling 2bis van hoofdstuk II van titel VIII van boek III Burgerlijk Wetboek;

- artikel 149 Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis veroordeelt de eiseres om aan de verweerder 35.396,28 euro te betalen, vermeerderd met de gerechtelijke interest tegen de wettelijke rentevoet vanaf de dagvaarding, met toepassing van artikel 25, 3°, van de wet van 30 april 1951 op de handelshuurovereenkomsten, d.i. afdeling 2bis van het hoofdstuk II van titel VIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek; het verantwoordt die beslissing om alle redenen die geacht worden hieronder integraal te zijn weergegeven, en inzonderheid om de volgende redenen:

"De eiseres meent anderzijds dat de wettelijke bescherming die de wetgever heeft toegekend aan de uitgezette exploitant, vervalt omdat [de verweerder] de handels-zaak van de vennootschap Erji Garden te gelde heeft gemaakt.

Het feit dat [de verweerder] de handelszaak van de vennootschap Erji Garden heeft overgedragen, betekent echter niet dat hij geen recht meer heeft op de uitzettingsvergoeding. Het staat immers vast dat [de verweerder] die handelszaak dringend heeft moeten overdragen omdat [de eiseres] besloten had de huurovereenkomst op te zeggen en die opzegging voor de rechter geldig wou doen verklaren, en dat hij slechts een gedevalueerde handelszaak heeft kunnen overdragen omdat het huurrecht geen bestanddeel meer was."

Grieven

Artikel 25 van de wet van 30 april 1951 op de handelshuurovereenkomsten bepaalt dat "indien de huurder regelmatig zijn wil heeft te kennen gegeven om van zijn recht op hernieuwing gebruik te maken en het hem is geweigerd, hij in de hierna bepaalde gevallen recht heeft op een vergoeding, die, behoudens akkoord van partijen, gesloten na het ingaan van dat recht, forfaitair bepaald wordt als volgt; [...] 3° de vergoeding bedraagt drie jaar huur, eventueel vermeerderd met een bedrag, toereikend om de veroorzaakte schade geheel te vergoeden, wanneer de verhuurder, zonder van een gewichtige reden te doen blijken, het voornemen op grond waarvan hij de huurder uit het goed heeft kunnen zetten, niet ten uitvoer brengt binnen zes maanden en gedurende ten minste twee jaren. Deze vergoeding is evenwel niet verschuldigd, indien de verhuurder aan het onroerend goed een bestemming geeft, die hem de terugneming mogelijk zou hebben gemaakt zonder vergoeding of tegen een vergoeding gelijk aan of lager dan de vergoeding die hij heeft moeten dragen."

Het is evenwel aangetoond en het werd niet betwist dat er op 28 november 2008 een overeenkomst is gesloten waarbij de handelszaak is overgedragen aan de ven-nootschap Garden & Pool.

De eiseres voerde in haar conclusie aan dat wanneer de hoofdhuurder het gehuur-de goed onderverhuurt en alleen de onderhuurder rechten op de handelszaak uitoefent, de hoofdhuurder tegen de verhuurder geen eigen recht op de uitzettingsvergoeding kan aanvoeren.

Wanneer aldus een handelszaak volledig aan de onderhuurder toebehoort, heeft de hoofdhuurder geen recht op de uitzettingsvergoeding in de zin van artikel 25, 3°, van de wet van 30 april 1951 op de handelshuurovereenkomsten indien de verhuurder het voornemen op grond waarvan hij de huurder uit het goed heeft kun-nen zetten, niet ten uitvoer brengt.

Volgens de eiseres was het beginsel dus duidelijk: indien de vennootschap-huurster haar handelszaak heeft overgedragen, kan ze van de verhuurder niet meer de in artikel 25, 3°, van de wet van 30 april 1951 bepaalde vergoeding vorderen, aangezien de niet-hernieuwing van de handelshuur niet leidt tot het verlies van de handelszaak en de uitzettingsvergoeding geen reden van bestaan heeft.

De feitenrechter, die beslist dat de verweerder van de eiseres een uitwinningsver-goeding mocht vorderen op grond van artikel 25, 3°, terwijl de handelszaak van de vennootschap-huurster was overgedragen aan een derde vennootschap, schendt zodoende artikel 25, 3°, van de wet van 30 april 1951, alsook artikel 149 van de Grondwet, in zoverre hij niet antwoordt op het middel dat de eiseres in haar con-clusie in hoger beroep regelmatig had aangevoerd.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Tweede middel

De wet van 30 april 1951 op de handelshuurovereenkomsten heeft de bescherming van de handelszaak tot doel. De uitzettingsvergoeding, zoals zij door die wet is geregeld, beoogt de huurder te vergoeden voor het verlies van de handelszaak als gevolg van de uitzetting.

De huurder behoudt zijn recht op de uitzettingsvergoeding, hoewel hij de handels-zaak heeft vervreemd, wanneer die vervreemding het gevolg is van de opzegging.

Het bestreden vonnis, dat beslist dat "het feit dat [de verweerder] de handelszaak van de vennootschap Erji Garden heeft overgedragen, betekent [...] niet dat hij geen recht meer heeft op de uitzettingsvergoeding; het staat immers vast dat [de verweerder] die handelszaak dringend heeft moeten overdragen omdat [de eiseres] besloten had de huurovereenkomst op te zeggen en die opzegging voor de rechter geldig wou doen verklaren, en dat hij slechts een gedevalueerde handelszaak heeft kunnen overdragen omdat het huurrecht geen bestanddeel meer was", omkleedt zijn beslissing volgens welke het de eiseres veroordeelt om aan de verweerder in die hoedanigheid een uitzettingsvergoeding te betalen, regelmatig met redenen en verantwoordt ze naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Gustave Steffens, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 14 maart 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Handelszaak

  • Vervreemding

  • Huurder

  • Opzegging

  • Recht op vergoeding wegens uitzetting