- Arrest van 18 maart 2013

18/03/2013 - S.09.0070.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van advocaat-generaal Genicot.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.09.0070.F

M. Z.,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

RIJKSDIENST VOOR PENSIOENEN,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Bergen van 6 mei 2009.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 27 februari 2013 een conclusie ter griffie neergelegd.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Jean Marie Genicot werd gehoord in zijn conclusie.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert één middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 3, inzonderheid derde lid, en 6 van het Burgerlijk Wetboek (waarbij artikel 3 werd opgeheven bij de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht);

- artikel 570, inzonderheid tweede lid, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van kracht vóór de wijziging ervan bij de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht;

- de artikelen 2, 22 tot 25, 29 en 55 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht;

- artikel 10, inzonderheid § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;

- de artikelen 74, inzonderheid § 1, 1° en 4°, a), § 2, § 3 en § 8, en 75 tot 79 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;

- artikel 1 van de wet van 27 juni 1960 op de toelaatbaarheid van de echtscheiding wanneer ten minste één van de echtgenoten een vreemdeling is, opgeheven bij de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht;

- de artikelen 44 tot 81 van de 'Code du statut personnel et des successions (Moudawana)' van het koninkrijk Marokko, waarvan boek II (met voormelde artikelen) uitgevaardigd werd door het koninklijk decreet nr.1-57-343 van 22 november 1957, zoals destijds van kracht vóór de wijziging ervan bij het koninklijk decreet nr. 1-93-347 van 10 september 1993 en vóór de opheffing ervan bij artikel 397 van de 'code de la famille' vervat in de wet nr. 70-03 uitgevaardigd door het koninklijk decreet nr. 1-04-22 van 3 februari 2004;

- het algemeen rechtsbeginsel luidens hetwelk het huwelijk niet onontbindbaar is en iedere echtgenoot, volgens de bij de wet bepaalde regels, het recht heeft de ontbinding ervan te vragen en te verkrijgen.

Aangevochten beslissingen

Het arrest stelt vast dat de eiser op 12 oktober 1974 gehuwd is met F. J.; dat beide echtgenoten de Marokkaanse nationaliteit hebben; dat de eiser, bij akten van 14 en 18 juli 1980, zijn echtgenote verstoten heeft overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de Moudawana; dat de verweerder, bij beslissing van 30 april 2002, aan de eiser een rustpensioen heeft toegekend vanaf 1 september 2000, berekend volgens het gezinsbedrag (nadat de eiser zijn eerste vrouw verstoten heeft is hij een nieuw huwelijk aangegaan) voor een jaarlijks bedrag van 16.765,95 euro, en dat F. J., op 26 maart 2004, aan de verweerder gevraagd heeft een deel van het rustpensioen van de eiser aan haar door te storten in haar hoedanigheid van "van tafel en bed gescheiden echtgenoot", met toepassing van artikel 74, § 2, van het koninklijk besluit nr. 50 van 21 december 1967, hetgeen de verweerder aanvaard heeft bij beslissing van 2 juni 2006, waardoor de eiser vanaf 1 april 2004 slechts de helft van zijn rustpensioen trok en de andere helft ervan aan F. J. doorgestort werd.

De eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen die beslissing en het arrest dat daarover uitspraak moet doen, bevestigt het vonnis en wijst eisers vordering af.

Het arrest vermeldt eerst dat "het geschil enkel nagaat welke de gevolgen in België zijn van een verstoting die plaatsvond in het buitenland, te dezen in Marokko" en herhaalt de voorwaarden van artikel 570 van het Gerechtelijk Wetboek inzake de erkenning, in België, van een vonnis dat in het buitenland werd uitgesproken, namelijk dat "de beslissing niet mag indruisen tegen de beginselen van openbare orde, noch tegen de bepalingen van het Belgisch publiek recht, namelijk de bepalingen van de Belgische internationale openbare orde" en "dat België aan de buitenlandse beslissing enkel gevolg kan geven als het recht van verdediging werd nageleefd", en vermeldt vervolgens dat de verstoting door de eiser van diens echtgenote niet strijdig is met de Belgische internationale openbare orde aangezien het de toepassing betreft van artikel 74 van het koninklijk besluit nr. 50 van 21 december 1967, maar dat de echtgenote van de eiser "verstoten werd met miskenning van het meest elementaire recht van de verdediging", en de schikking, die het arrest vaststelt en waarmee laatstgenoemde heeft ingestemd "na de voornoemde verstoting", bij meerdere in het arrest opgenomen akten, die oorspronkelijke miskenning niet dekt aangezien de echtgenote van de eiser slechts een feitelijke situatie heeft erkend die haar in Marokko rechtmatig was opgedrongen".

Het arrest beslist vervolgens dat "men bijgevolg niet ervan mag uitgaan dat de verstoting, die in Marokko plaatsvond, de huwelijksband heeft ontbonden, zodat [de verweerder] aan [de eiser] en diens echtgenote terecht de helft heeft toegekend [...] van het rustpensioen, berekend volgens het gezinsbedrag, namelijk 8.895,80 euro vanaf 1 april 2004".

Grieven

Luidens artikel 10, inzonderheid § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967, heeft de eiser recht op een rustpensioen dat volgens de wettelijke bepalingen berekend wordt in functie van de arbeid die hij tijdens zijn beroepsleven verricht heeft.

Luidens artikel 74, inzonderheid § 1, 1° en 4°, a), §2, 3, en 8 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 "kan de van tafel en bed gescheiden of de feitelijk gescheiden echtgenoot de uitbetaling van een gedeelte van het rustpensioen van zijn echtgenoot verkrijgen" tegen de bij de wet bepaalde voorwaarden en, luidens de artikelen 75 tot 79 van hetzelfde koninklijk besluit kan de uit de echt gescheiden echtgenoot een rustpensioen verwerven, in eigen naam en zonder verrekening van het aan de voormalige echtgenoot gestorte rustpensioen, op voormelde voorwaarden.

Uit de redenen van het arrest kan worden afgeleid dat de verstoting van F. J. door de eiser onderworpen was aan de Marokkaanse wet, namelijk aan de Moudawana.

Het bestaan van de beslissing tot verstoting wordt aan de Belgische rechter opgelegd zonder onderzoek van de voorwaarden nodig voor de erkenning ervan (zie inzonderheid artikel 29 van de wet van 16 juli 2004).

Met de toepassing van de bepalingen van de Moudawana is de verstoting van F. J. echter definitief en onherroepelijk. Het arrest erkent dat door onder meer te stellen dat "[ de verstoting] voltrokken werd".

Daaruit volgt dat het huwelijk van de eiser en F. J. door de toepasselijke Marokkaanse wet ontbonden werd.

Aangezien het bijgevolg gaat om het recht van de voormalige echtgenote van de eiser op een rustpensioen, zijn de artikelen 75 tot 79 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 die het recht regelen van de uit de echt gescheiden echtgenoot op een rustpensioen van toepassing, en niet artikel 74, dat het recht regelt van de van tafel en bed gescheiden echtgenoot op een gedeelte van het rustpensioen van zijn echtgenoot.

Met dat gevolg moet rekening worden gehouden, zelfs als de verstoting van F. J. door de eiser, met toepassing van de artikelen 570, tweede lid, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en 25, inzonderheid § 1, 2°, van de wet van 16 juli 2004, in België niet kan erkend worden. Uit het enkele feit dat het huwelijk van de echtgenoten ontbonden werd in het licht van de Marokkaanse wet, die toepasselijk is, volgt dat artikel 74 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 niet kan worden toegepast.

Het arrest kent aan de voormalige echtgenote van de eiser de helft van het rustpensioen toe waarop laatstgenoemde recht heeft, en schendt bijgevolg de bepalingen van de Moudawana (schending van de artikelen 3 van het Burgerlijk Wetboek, 1 van de wet van 27 juni 1960, 2 en 55 van de wet van 16 juli 2004 en de wettelijke bepalingen van de Moudawana), terwijl dat het definitieve en onherroepelijke karakter erkent van de ontbinding van het huwelijk van de eiser met zijn voormalige echtgenote in het licht van die wet. Door de helft van het rustpensioen toe te kennen aan zijn voormalige echtgenote ontzegt het [de eiser] op onrechtmatige wijze het rustpensioen waarop hij recht heeft (schending van de artikelen 10 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 en 74 van het ko-ninklijk besluit van 21 december 1967).

Aangezien hun huwelijk ontbonden is volgens de Marokkaanse wet - meer bepaald de bepalingen van de Moudawana - die van toepassing is op de ontbinding van het huwelijk tussen de eiser en F. J., moet bovendien hieruit noodzakelijkerwijs worden afgeleid dat de eiser de ontbinding van dat huwelijk, op welke grond dan ook, niet opnieuw mag vragen bij gebrek aan voorwerp. Het arrest omschrijft de huidige verhouding tussen de eiser en F. J. als "een feitelijke scheiding van de echtgenoten", in de zin van artikel 74 van het koninklijk besluit van 21 december 1967, en daardoor miskent het dat begrip aangezien het er een inhoud en draagwijdte aan geeft die het niet heeft. De "feitelijke scheiding", in de zin van die wettekst, is uiteraard tijdelijk: zij kan een einde nemen als één der echtgenoten de gevraagde echtscheiding verkrijgt. Aangezien dat perspectief ontzegd wordt aan de eiser, wiens huwelijk volgens de Marokkaanse toepasselijke wet onherroepelijk ontbonden is, verleent het arrest een permanent karakter aan die situatie, vermits de inkorting van de helft van het rustpensioen van de eiser moet aanhouden tot één der echtgenoten overlijdt. Hierdoor schendt het dus alweer de artikelen 10 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967, 74 en 75 tot 79 van het koninklijk besluit van 21 de-cember 1967. Bovendien verleent het aan het huwelijk van F.J. en de eiser een volstrekt onontbindbaar karakter, althans met betrekking tot de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 en van het koninklijk besluit van 21 december 1967, hetgeen strijdig is met de openbare orde (schending van artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek) en miskent het het bedoelde algemeen rechtsbeginsel.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het arrest stelt vast dat de eiser zich verzet tegen de beslissing van de verweerder om, krachtens artikel 74, § 2, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspen-sioen voor werknemers, een deel van zijn rustpensioen te betalen aan mevrouw F. J., in haar hoedanigheid van de van tafel en bed gescheiden of de feitelijk ge-scheiden echtgenoot, door aan te voeren dat hij haar verstoten had.

Het arrest oordeelt dat de verstoting tot stand kwam "met miskenning van de meest elementaire rechten van de verdediging" en beslist vervolgens dat het hu-welijk van de eiser en mevrouw J. niet "als verbroken kan beschouwd worden".

Het middel dat betoogt dat het bestaan van de verstoting aan de Belgische rechter is opgelegd zonder de voorwaarden voor de erkenning ervan te onderzoeken, be-roept zich op het feitelijk gevolg van de gerechtelijke beslissingen en vreemde au-thentieke aktes, vastgelegd bij artikel 29 van het Wetboek van internationaal pri-vaatrecht, namelijk dat met het bestaan van een buitenlandse rechterlijke beslissing of van een buitenlandse authentieke akte in België rekening kan worden gehouden zonder onderzoek van de voorwaarden nodig voor de erkenning, de uit-voerbaarverklaring of de bewijskracht ervan.

Uit het feit dat in België het bestaan van verstoting in aanmerking kan worden ge-nomen, kan niet worden afgeleid dat de Belgische rechter enig gevolg aan die ver-stoting in het Belgisch rechtsbestel kan geven, zonder na te gaan of de voorwaar-den vervuld zijn waardoor zij in België kan worden erkend.

De weigering om de gevolgen in België te erkennen van een vreemde gerechtelijke beslissing die een einde aan een huwelijk maakt, heeft voor het overige niet tot gevolg dat die vereniging onontbindbaar wordt.

Het middel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de verweerder in de kosten gelet op artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Mireille Delange en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 18 maart 2013 uitge-sproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Rustpensioen

  • Gescheiden echtpaar

  • Uit de echt gescheiden echtpaar

  • Echtpaar van Marokkaanse nationaliteit

  • Marokkaanse beslissing

  • Verstoting

  • Erkenning in België