- Arrest van 21 maart 2013

21/03/2013 - C.12.0118.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een erfdienstbaarheid van afvoer van huishoudelijk afvalwater vereist, om uitgevoerd te worden, telkens een daad van de mens en is niet voortdurend.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0118.F

1. R. L.,

2. J. V.,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

M. M.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Charleroi van 31 mei 2011.

Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- - de artikelen 688, inzonderheid tweede en derde lid, 692, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek;

- - artikel 149 van de Grondwet;

- - algemeen rechtsbeginsel dat misbruik van recht verbiedt.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis stelt vast:

"Het geschil heeft betrekking op twee naburige, aan elkaar grenzende eigendommen, in de rue de Binche te Beaumont:

- de eerste, op het nummer 27, gekadastreerd sectie A, nr. 498 C, eigendom (van de verweerder) verkregen van zijn moeder, mevrouw C.H.; tijdens het geding werd de woning bewoond door mevrouw H., huurster;

- de tweede, op het nummer 29, eigendom, voor de helft in volle eigendom en voor de helft in vruchtgebruik, van (de eiseres) en, voor de helft in vruchtgebruik en voor de helft in blote eigendom, van haar zoon, (de eiser).

In hoofdzaak en oorspronkelijk gaat dit geding over de belemmering van de afvoer van afvalwater over het pand (van de eisers) en waarvan niet wordt betwist dat hij dient om het afvalwater (van verweerders) erf af te voeren.

Oorspronkelijk vormden de twee litigieuze eigendommen één geheel. Ze behoorden toe aan de grootouders en nadien aan de moeder (van de verweerder), meer bepaald mevrouw C.H., die ze (dus het goed in zijn geheel bestaande uit de twee kavels) verkregen heeft volgens een notariële akte van overdracht en verdeling, op 3 maart 1952.

Bij notariële akte van 23 april 1953 verkoopt mevrouw C.H. het pand nr. 29 aan de heer G.M. en aan mevrouw M.F.

Die akte vermeldt: ‘het goed wordt verkocht in de toestand waarin het zich nu bevindt, met alle eventuele actieve en passieve erfdienstdienstbaarheden die het kunnen dienen of bezwaren, maar zonder waarborg van de vermelde oppervlakte, noch van de staat van de gebouwen'.

Bij de aanvang van het geding is het pand nr. 29 eigendom van (de eiseres) en (van de eiser).

(De verweerder) verkrijgt het pand nr. 27 bij akte van notaris D'Hayer op 7 mei 1998.

Bij een op 30 maart 2009 betekende dagvaarding vordert (de verweerder) voor de vrederechter dat (de eiseres) wordt veroordeeld om de toegang toe te staan tot de litigieuze afvoer op haar erf om hem te kunnen onderzoeken en vrijmaken en dit, op straffe van een dwangsom van 500 euro per dag; hij vordert tevens dat zij wordt veroordeeld om de helft van de kosten te dragen voor de renovering van de afvoer.

Bij een op 28 april 2009 op tegenspraak gewezen vonnis beveelt de eerste rechter, alvorens recht te doen, een bezoek aan de litigieuze plaats. (...)

Het plaatsbezoek gebeurt op 22 juni 2009.

Bij een op 3 juli 2009 neergelegd verzoekschrift komt (de eiser) vrijwillig tussen in de zaak.

Bij een op 31 augustus 2009 neergelegde conclusie stellen (de eiser) en (de eiseres) een tegenvordering in teneinde:

- voor recht te doen zeggen dat er ten voordele van het pand van de (verweerder) pand geen enkele dienstbaarheid van afvoer ten laste van hun pand bestaat,

- de litigieuze afvoer te verwijderen of, subsidiair en indien nodig, toestemming te krijgen om die zelf te verwijderen.

Bij een op 29 oktober 2009 neergelegde conclusie stelt (de verweerder) een eerste tussenvordering in en vraagt dat wordt erkend dat er ten voordele van zijn erf een erfdienstbaarheid van waterafvoer bestaat die is gevestigd door bestemming door de huisvader.

(...) Bij het op 27 april 2010 op tegenspraak gewezen beroepen vonnis verklaart de eerste rechter de vorderingen ontvankelijk. Hij verklaart de hoofdvordering ongegrond en de tegenvordering gegrond (...).

Hij zegt bijgevolg voor recht dat er ten voordele van het pand (van de verweerder) geen enkele erfdienstbaarheid van afvoer ten laste van het naburig pand bestaat en veroordeelt hem om de litigieuze afvoerleiding te verwijderen.

(...) Bij verzoekschrift van 8 juli 2010 stelt (de verweerder) hoger beroep in tegen het vonnis van 27 april 2010. Het hoger beroep is gericht tegen (de eiseres) en tegen (de eiser).

In hoger beroep vordert (de verweerder):

- dat zijn oorspronkelijke vordering om de afvoer te onderzoeken en vrij te maken, ontvankelijk en gegrond wordt verklaard,

- dat er wordt vastgesteld dat er ten voordele van zijn erf een erfdienstbaarheid bestaat door bestemming door de goede huisvader,

- subsidiair, dat wordt gezegd dat de vordering van de tegenpartijen om de litigieuze afvoer te verwijderen rechtsmisbruik oplevert.

(De eisers) vorderen van hun kant dat het beroepen vonnis wordt bevestigd."

Het bestreden vonnis beslist vervolgens dat de tegenvordering van de eisers (die ertoe strekte een deel van de litigieuze afvoer te doen verwijderen) niet gegrond is en dat verweerders tussenvordering gegrond is. Het stelt voorts vast dat er een "erfdienstbaarheid van afvoer" bestaat door bestemming door de huisvader ten voordele van verweerders erf en ten laste van de eisers.

De beslissing steunt op de onderstaande redenen:

"Betreffende de tegenvordering en de eerste tussenvordering

Om die twee vorderingen te beslechten, dient te worden nagegaan of er ten voor-dele van het erf nr. 27 een erfdienstbaarheid bestaat ten laste van het erf nr. 29, en zo ja, dient de aard ervan te worden onderzocht;

Een erfdienstbaarheid door toedoen van de mens kan op drie wijzen worden ge-vestigd:

- vestiging door een titel (artikelen 690 tot 692 van het Burgerlijk Wetboek);

- vestiging door verkrijgende verjaring (artikelen 690 en 691 van het Burgerlijk Wetboek);

- vestiging door bestemming door de huisvader (artikelen 692 en 693 van het Burgerlijk Wetboek);

Voortdurende zichtbare erfdienstbaarheden worden verkregen door een titel of door dertigjarig bezit (artikel 690 van het Burgerlijk Wetboek);

De overige erfdienstbaarheden kunnen slechts door een titel worden gevestigd (artikel 691 van het Burgerlijk Wetboek);

De bestemming door de huisvader geldt overigens als titel ten aanzien van voort-durende zichtbare erfdienstbaarheden (artikel 692 van het Burgerlijk Wetboek);

De litigieuze erfdienstbaarheid (waarvan het bestaan wordt gevorderd) is een voortdurende erfdienstbaarheid overeenkomstig de begripsomschrijving ervan in artikel 688 van het Burgerlijk Wetboek, dus een erfdienstbaarheid waarvan het gebruik voortdurend is zonder dat daartoe telkens een daad van de mens vereist is; dat artikel preciseert trouwens uitdrukkelijk dat goten en waterlopen voortdurende erfdienstbaarheden zijn;

De bewuste erfdienstbaarheid is zichtbaar daar zij beantwoordt aan de begripsomschrijving in artikel 689, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, namelijk dat een zichtbare erfdienstbaarheid degene is die blijkt door uitwendige werken;

In deze zaak is de afvoer zichtbaar (ook al ligt hij onder beton) langs de muur van nr. 27 en dit doorheen een lange buis (cf. proces-verbaal van plaatsbezoek); hij blijkt bovendien uit een uitwendig werk, namelijk de sterfput op de koer van het erf nr. 27;

Bovendien vormt een watervang die blijkt uit een uitwendig werk en waarvan de uitoefening voortdurend is of kan zijn, zonder dat daarvoor telkens een daad van de mens vereist is, een voortdurende of zichtbare erfdienstbaarheid (Cass., 25 maart 1847, Pas., 384);

Gelet op die overwegingen is de litigieuze ‘erfdienstbaarheid' wel degelijk voortdurend en zichtbaar; zij kan bijgevolg worden gevestigd door een titel, door verkrijgende verjaring of door bestemming door de huisvader;

Gelet op de gegevens uit het debat dient te worden vastgesteld dat geen titel het bestaan van de litigieuze erfdienstbaarheid uitdrukkelijk bekrachtigt;

Bestemming door de huisvader is slechts aanwezig wanneer bewezen is dat twee thans van elkaar gescheiden erven aan dezelfde eigenaar hebben toebehoord en dat deze de zaken gesteld heeft in de toestand waaruit de erfdienstbaarheid voort-vloeit (artikel 693 van het Burgerlijk Wetboek);

Dat bewijs wordt hier geleverd; de litigieuze afvoer werd noodzakelijkerwijs en uiteraard aangebracht door een van de voormalige enige eigenaars van de twee (toen verenigde) erven, aangezien de litigieuze afvoer die over de beide erven liep bij de verdeling van het erf in 1953, reeds bestond, wat de [eisers] niet betwisten en wat [zij] overigens toegeven wanneer ze stellen dat het probleem voortkomt uit het feit ‘dat de afvoer slecht ontworpen is';

De litigieuze afvoer die zichtbaar is op de foto's die in het debat zijn overgelegd, is trouwens oud en hij ‘loopt' door de twee woningen omdat de twee erven oorspronkelijk slechts een kavel vormden;

Daaruit volgt dat de litigieuze afvoer wel degelijk een erfdienstbaarheid door be-stemming door de huisvader is, die bestaat ten voordele van het erf nr. 27 en het erf nr. 29 bezwaart."

en

"Ten overvloede: er wordt gepreciseerd dat de eis van de (eisers) om de litigieuze afvoer te verwijderen, hoewel zij die afvoer, naar hun eigen zeggen, niet meer gebruiken, wat uiteraard de last ervan vermindert, misbruik van recht oplevert, aangezien het door (hen) verkregen voordeel niet in verhouding staat tot het nadeel dat (de verweerder) door die verwijdering zou hebben geleden;

Gelet op die overwegingen moet de tegenvordering die ertoe strekt de afvoer te doen verwijderen, ongegrond verklaard worden en het beroepen vonnis wordt in die mate gewijzigd;

De eerste tussenvordering die ertoe strekt te erkennen dat er een erfdienstbaarheid bestaat door bestemming door de huisvader, is daarentegen gegrond."

Grieven

Eerste onderdeel

De voortdurende en zichtbare erfdienstbaarheid kan weliswaar worden verkregen door bestemming door de huisvader, maar uit de vaststellingen van het vonnis blijkt dat de litigieuze erfdienstbaarheid geen voortdurende erfdienstbaarheid is.

Een voortdurende erfdienstbaarheid is een erfdienstbaarheid, zoals het bestreden vonnis erop wijst, " waarvan de uitoefening voortdurend is of kan zijn, zonder dat daarvoor telkens een daad van de mens vereist is", en zoals vermeld in artikel 688, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Het bestreden vonnis vermeldt echter: "in hoofdzaak en oorspronkelijk gaat dit geding over de belemmering van de afvoer van afvalwater over het pand (van de eisers) en waarvan niet wordt betwist dat hij dient om het afvalwater (van verweerders) erf af te voeren".

Daaruit volgt dat de litigieuze erfdienstbaarheid een erfdienstbaarheid "van vergaarbak" of "van afvoer van huishoudelijk water" is, en een dergelijke erfdienstbaarheid is niet voortdurend, in de zin van artikel 688, tweede lid, van dat wetboek.

Daaruit volgt dat het vonnis niet naar recht heeft kunnen beslissen dat de verweerder de litigieuze erfdienstbaarheid had verkregen door bestemming door de huisvader (schending van de artikelen 688 en 692 van het Burgerlijk Wetboek).

Tweede onderdeel

Rechtsmisbruik bestaat in het uitoefenen van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en zorgvuldig persoon.

Sommige toestanden kunnen wijzen op een dergelijk misbruik. Dat is onder meer het geval wanneer de schade die door de houder van het recht wordt veroorzaakt niet in verhouding staat tot het door hem beoogde of verkregen voordeel.

Volgens het bestreden vonnis zou, wanneer men ervan uitgaat, zoals hier, dat de litigieuze erfdienstbaarheid niet bestaat, uit een dergelijke wanverhouding, het machtsmisbruik door de eisers blijken, ingeval zij, zoals zij vorderen, de litigieuze afvoer onder of op hun erf verwijderen. Het vonnis zegt dat het voordeel minimaal zou zijn omdat zij de afvoer niet meer gebruiken.

Het bestreden vonnis bevat echter geen enkele vermelding over de schade van de verweerder. In zijn conclusie had hij getallen vermeld, waarover het vonnis niets zegt.

Bijgevolg kunnen de appelrechters onmogelijk de grootte van de eventuele schade van de verweerder bepalen en bijgevolg kunnen zij niet nagaan of ze al dan niet buiten verhouding staat tot het door de eisers beoogde voordeel.

Bij de beoordeling van de voorhanden zijnde belangen, moet de rechter immers rekening houden met alle feitelijke omstandigheden van de zaak.

In deze zaak werd die regel niet nageleefd: het bestreden vonnis miskent dus het in het middel vermelde algemeen rechtsbeginsel en schendt de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

Het bestreden vonnis belet althans het Hof de wettigheid van zijn beslissing te toetsen (schending van artikel 149 van de Grondwet).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Luidens artikel 688, derde lid, Burgerlijk Wetboek zijn niet voortdurende erf-dienstbaarheden die welke, om te worden uitgeoefend, telkens een daad van de mens vereisen.

Het bestreden vonnis stelt het volgende vast: "in hoofdzaak en oorspronkelijk gaat dit geding over de belemmering van de afvoer van afvalwater over het pand (van de eisers) en waarvan niet wordt betwist dat hij dient om het afvalwater (van ver-weerders) erf af te voeren".

Een dergelijke erfdienstbaarheid van afvoer van huishoudelijk afvalwater vereist, om te worden uitgeoefend, telkens een daad van de mens, en is niet voortdurend.

Het bestreden vonnis dat beslist dat de litigieuze erfdienstbaarheid een voortdu-rende erfdienstbaarheid is, schendt artikel 688, derde lid, Burgerlijk Wetboek.

Tweede onderdeel

Rechtsmisbruik bestaat in het uitoefenen van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voor-zichtig en zorgvuldig persoon. Dat is inzonderheid het geval wanneer de veroor-zaakte schade niet in verhouding staat tot het voordeel dat de houder van dat recht beoogt of verkregen heeft. Bij de beoordeling van de voorhanden zijnde belangen, moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak.

Het bestreden vonnis overweegt dat "er wordt gepreciseerd dat de eis van de [eisers] om de litigieuze afvoer te verwijderen, hoewel zij die afvoer, naar hun ei-gen zeggen, de afvoer niet meer gebruiken, wat uiteraard de last ervan vermindert, misbruik van recht oplevert, aangezien het door [hen] verkregen voordeel niet in voorhouding staat tot het nadeel dat [de verweerder] door die verwijdering zou hebben geleden".

Het bestreden vonnis, dat het ongemak van de verweerder ten gevolge van de verwijdering van de afvoer niet preciseert terwijl op grond daarvan kan worden beoordeeld of het buiten verhouding stond tot het voordeel dat de eisers eruit ver-kregen zouden hebben, verantwoordt niet naar recht zijn beslissing dat "de tegen-vordering die ertoe strekt de afvoer te doen verwijderen, ongegrond verklaard [moet] worden".

De beide onderdelen zijn gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre dat het hoger beroep ontvankelijk verklaart, het ten dele gegrond verklaart en zegt dat verweerders hoofberoep geen voorwerp heeft.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar rechtbank van eerste aanleg te Bergen, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Alain Simon, Michel Lemal, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 21 maart 2013 uitge-sproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Erfdienstbaarheid van afvoer van huishoudelijk afvalwater

  • Omschrijving