- Arrest van 26 maart 2013

26/03/2013 - P.12.0145.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het recht op bijstand van een advocaat gewaarborgd bij artikel 6.3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof van de Rechten van de Mens, houdt in dat er gedurende het volledige vooronderzoek toegang moet zijn tot een advocaat, tenzij is aangetoond dat er wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak dwingende redenen zijn om dit recht te beperken; zelfs in dat geval mag een dergelijke beperking, wat ook de rechtvaardiging ervan is, niet onrechtmatig de rechten van de beklaagde zoals beschermd bij artikel 6.1 en 6.3 EVRM beperken (1). (1) Cass. 23 nov. 2010, AR P.10.1428.N, AC 2010, nr. 690 met concl. OM; Cass. 7 dec. 2010, AR P.10.1460.N, AC 2010, nr. 714; Cass. 24 mei 2011, AR P.11.0761.N, AC 2011, nr. 345; Cass. 27 nov. 2012, AR P.12.1204.N, AC 2012, nr. 642.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0145.N

W A,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

1. J V,

burgerlijke partij,

2. CULOBEL nv, met zetel te 9308 Hofstade, Hekkestraat 16,

burgerlijke partij,

3. SEAMCO nv, met zetel te 2520 Oelegem, Vaarstraat 126b,

burgerlijke partij,

4. NOVALATI nv, met zetel te 8650 Houthulst, Holleweg 71,

burgerlijke partij,

5. L. D'HOOGHE, met kantoor te 9100 Sint-Niklaas, Vijfstraten 57, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement SAUCAS DISPLAY nv,

burgerlijke partij,

6. D. DECLERCQ, met kantoor te 9100 Sint-Niklaas, Koningin Astridlaan 52, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement SAUCAS DISPLAY nv,

burgerlijke partij,

7. MARKETMAKER bvba, met zetel te 8800 Roeselare, Borstraat 6,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 15 december 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest oordeelt onder meer dat er voldoende bezwaren bestaan in hoofde van de eiser en verwijst hem daarvoor naar de correctionele rechtbank.

2. Die beslissing is geen eindbeslissing in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en doet evenmin uitspraak in een der gevallen be-doeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Tegen die beslissing staat geen onmiddellijk cassatieberoep open.

In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep niet ontvankelijk.

Middel

Eerste onderdeel

3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 131, § 1, en 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van het in artikel 6.3.c EVRM bepaalde recht op bijstand van een advocaat, het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het recht op bijstand van een advo-caat houdt in dat er gedurende het volledige vooronderzoek toegang moet zijn tot een advocaat, ook al is de verdachte niet van zijn vrijheid beroofd; de eventuele mogelijkheid van voorafgaand overleg met zijn raadsman sluit het recht op bij-stand van deze raadsman tijdens het verhoor niet uit; verklaringen, afgelegd door de verdachte zonder bijstand van een raadsman, mogen niet worden gebruikt voor zijn veroordeling; dergelijke verklaringen dienen door de kamer van inbeschuldi-gingstelling in het kader van de zuivering van nietigheden uit het debat geweerd te worden; de appelrechters weigeren evenwel zonder opgave van enige rechtsgeldige, dwingende reden het verhoor van de eiser, afgelegd in afwezigheid van zijn raadsman, nietig te verklaren.

4. Het recht op bijstand van een advocaat gewaarborgd bij artikel 6.3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof van de Rechten van de Mens, houdt in dat er gedurende het volledige vooronderzoek toegang moet zijn tot een advocaat, tenzij is aangetoond dat er wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak dwingende redenen zijn om dit recht te beperken. Zelfs in dat geval mag een der-gelijke beperking, wat ook de rechtvaardiging ervan is, niet onrechtmatig de rech-ten van de beklaagde zoals beschermd bij artikel 6.1 en 6.3 EVRM beperken.

Het recht op een eerlijk proces gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, zoals uitge-legd door het Europees Hof van de Rechten van de Mens, vereist slechts dat een verdachte bijstand van een advocaat wordt verleend tijdens zijn verhoor door de politie, in zoverre hij zich in een bijzonder kwetsbare positie bevindt, wat onder meer het geval is wanneer hij van zijn vrijheid beroofd is.

In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat een verdachte bij zijn verhoor steeds bijstand moet hebben van een raadsman, faalt het naar recht.

5. Met betrekking tot de voorgehouden schending van artikel 6.3.c EVRM, voortvloeiend uit de afwezigheid van bijstand van een advocaat bij het verhoor van de eiser van 23 maart 2010, stellen de appelrechters vast, met overname van de redenen van de verwijzingsbeschikking van de raadkamer en de vordering van de procureur-generaal, dat:

- de eiser nooit van zijn vrijheid werd beroofd;

- het verhoor van de eiser op 23 maart 2010 gebeurde op diens verzoek, nadat de eiser het dossier volledig had doorgenomen, op basis waarvan een verzoek-schrift werd neergelegd en beschikking ingevolge artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering tussenkwam;

- de eiser in voormeld verzoekschrift zelf verzocht om een verhoor aangaande de feiten waarvoor hij in verdenking werd gesteld;

- voorafgaandelijk aan dit verhoor de eiser schriftelijk werd uitgenodigd, waarbij de uitnodigingsbrief tevens werd overgemaakt aan zijn raadsman;

- er op geen enkel ogenblik sprake was van misbruik of dwang.

Met die redenen oordelen de appelrechters wettig dat de eiser zich niet in een bij-zonder kwetsbare positie bevond, dat het feit dat hij alsdan verhoord werd zonder bijstand van een raadsman een eerlijke behandeling van de zaak niet in de weg staat en dat er geen reden is om de bedoelde verklaring nietig te verklaren en uit het dossier te verwijderen.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 131, § 1, en 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van het in artikel 6.3.c EVRM voorziene recht op bijstand van een advocaat, het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: de appelrechters weigeren zonder opgave van enige rechtsgeldige, dwingende reden het verhoor van andere ver-dachten, afgelegd in afwezigheid van hun raadsman, nietig te verklaren.

7. Een persoon kan zich slechts beroepen op het recht op bijstand van een ad-vocaat, wanneer hij verhoord wordt over misdrijven die hem ten laste kunnen worden gelegd. Daaruit volgt dat dit recht op bijstand, net als de cautieplicht, het zwijgrecht en de regel dat niemand verplicht kan worden zichzelf te beschuldigen, waarmee het recht op bijstand verbonden is, enkel geldt in personam.

Een verdachte kan zich bijgevolg niet beroepen op de miskenning van die rechten betreffende de belastende verklaringen, afgelegd lastens hem door een persoon die voor hem slechts een getuige is, tenzij deze persoon bij zijn verhoor van die-zelfde rechten diende te genieten en op grond van de miskenning ervan de afgelegde belastende verklaringen intrekt.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing betreffende de toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering

8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 111,21 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de open-bare rechtszitting van 26 maart 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

E. Francis A. Lievens

P. Hoet L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Artikel 6.3.c

  • Recht van verdediging

  • Recht op bijstand van een advocaat

  • Beperking