- Arrest van 27 maart 2013

27/03/2013 - P.13.0417.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een verzoek tot verwijzing van de zaak van een hof van beroep naar een ander wegens gewettigde verdenking is slechts ontvankelijk als het gegrond is op duidelijk aanwijsbare en precieze feiten die dat vermoeden kunnen verantwoorden ten aanzien van alle magistraten van dat rechtscollege; het feit dat een onderzoeksmagistraat deel uitmaakt van het rechtscollege waartoe de kamer behoort die bevoegd is om toezicht uit te oefenen op zijn onderzoek, kan niet als een grond voor gewettigde verdenking worden beschouwd (1). (1) Zie Cass. 28 nov. 2001, AR P.01.1587.F, AC 2001, nr. 652; Cass, 10 sept. 2003, AR P.03.1239.F, AC 2003, nr. 425.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0417.F

J.-C. V. C.,

verzoeker tot verwijzing van de zaak van een hof van beroep naar een ander we-gens gewettigde verdenking,

Mrs. Pierre en Antoine Chomé, advocaten bij de balie te Brussel,

in de zaak

DE PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE LUIK,

tegen

J.-C. V. C.,

persoon tegen wie de strafvordering is ingesteld.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Bij verzoekschrift dat op de griffie is neergelegd op 11 maart 2013 en waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht, verzoekt de eiser om de zaak met notitienummer D.38.403, met toepassing van artikel 542, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, te onttrekken aan het hof van beroep te Luik.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

1. De eiser zet uiteen dat hij wordt vervolgd voor misdrijven die hij bij de uit-oefening van zijn ambt als lid van een gewestregering zou hebben gepleegd, dat de procureur-generaal de regeling van de rechtspleging wil vorderen voor de ka-mer van inbeschuldigingstelling van het bevoegde hof van beroep, met toepassing van artikel 2, § 2, van de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van leden van een gemeenschaps- of gewest-regering, en dat het daartoe bij artikel 11, § 1, eerste lid, van de wet vereiste verlof werd gevraagd aan het in artikel 10 bedoelde parlement.

De eiser geeft aan dat hij op grond van artikel 136, § 2, Wetboek van Strafvorde-ring, bij de kamer van inbeschuldigingstelling een verzoekschrift aanhangig heeft gemaakt strekkende tot toezicht op het onderzoek dat, overeenkomstig artikel 4 van de bijzondere wet van 25 juni 1998, door een raadsheer van het bevoegde hof van beroep werd gevoerd.

Tot staving van de gevorderde onttrekking voert de eiser in substantie aan dat de kamer van inbeschuldigingstelling waarvoor hij zijn verzoek heeft ingesteld, vroeger werd voorgezeten door de onderzoeksmagistraat. Volgens de eiser volgt daaruit dat de kamer van inbeschuldigingstelling niet over de vereiste onafhanke-lijkheid en onpartijdigheid beschikt om uitspraak te doen over de regelmatigheid van de onderzoekshandelingen die haar vroegere voorzitter heeft verricht.

2. Een verzoek tot verwijzing van de zaak van een hof van beroep naar een an-der hof van beroep wegens gewettigde verdenking is slechts ontvankelijk als het gegrond is op duidelijk aanwijsbare en precieze feiten die dat vermoeden kunnen verantwoorden ten aanzien van alle magistraten van dat rechtscollege.

Het feit dat een onderzoeksmagistraat behoort tot het rechtscollege van de kamer die bevoegd is om toezicht uit te oefenen op zijn onderzoek, kan niet als een grond voor gewettigde verdenking worden beschouwd. Dat is immers inherent aan de rechterlijke organisatie.

Uit de stukken van de rechtspleging blijkt niet en de eiser voert ook niet aan dat de onderzoeksmagistraat zitting zal houden in de kamer van inbeschuldiging-stelling die uitspraak moet doen over de regelmatigheid van het onderzoek of de regeling van de rechtspleging.

Uit het feit dat die magistraat, vóór zijn huidig ambt, voorzitter is geweest van die kamer, volgt niet dat alle magistraten van het bevoegde hof van beroep onmogelijk met de vereiste onafhankelijkheid en onpartijdigheid kunnen beslissen of dat bij de verzoeker of de publieke opinie gewettigde twijfel kan bestaan over het vermogen van dat hof van beroep om aldus te beslissen.

Het verzoek is kennelijk niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Gelet op de artikelen 542, tweede lid, en 545, eerste lid, Wetboek van Strafvorde-ring.

Verwerpt het verzoekschrift.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 27 maart 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Gewettigde verdenking

  • Onderzoeksmagistraat

  • Lid van het rechtscollege waartoe de kamer behoort die toezicht moet uitoefenen op zijn onderzoek