- Arrest van 25 april 2013

25/04/2013 - C.11.0103.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk geen enkel in het buitenland verblijvende persoon door dwangmaatregel met extraterritoriale draagwijdte gedwongen mag worden de wetgeving van zijn verblijfplaats te schenden.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0103.F

FORTIS LUXEMBOURG VIE, vennootschap naar Luxemburgs recht,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

G. R.,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

in tegenwoordigheid van

FORTIS BANK nv.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Brussel van 14 september 2010.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert drie middelen aan, die als volgt zijn gesteld:

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 6, 1121 en 1122 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 15, inzonderheid § 1, 20 en 21 van het Wetboek van internationaal privaatrecht;

- artikel 111-1, inzonderheid eerste lid, van de Luxemburgse wet van 6 december 1991 "sur le secteur des assurances";

- algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk geen enkele in het buitenland verblijvende persoon door een dwangmaatregel met extraterritoriale draagwijdte gedwongen mag worden de wetgeving van zijn verblijfplaats te schenden.

Aangevochten beslissingen

Het arrest vermeldt eerst wat volgt:

"Het geschil betreft de hoofdvordering die (de verweerder) in hoger beroep als geïntimeerde in de twee zaken heeft ingesteld teneinde de (eiseres), eerste appellante, en de (tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij), tweede appellante, te verplichten hem de contractuele stukken mee te delen die in juni 1998 zijn ondertekend door de moeder van (de verweerder), die op 5 april 2002 op 86-jarige leeftijd is overleden;

(...) (De verweerder) heeft na het overlijden van zijn moeder vernomen dat zij bij de (eiseres), via de (tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij), een verzekering heeft ondertekend met polisnummer 91041934 met uitwerking vanaf 30 juni 1998;

Luidens de akte van bekendheid, die op 8 juni 2002 is opgemaakt door notaris Olivier Timmermans, en bij gebrek aan een laatste wilsbeschikking, heeft de overledene haar twee zonen, de verweerder en [zijn broer], als enige wettelijke en reservataire erfgenamen nagelaten;

Krachtens zijn hoedanigheden van algemene rechtverkrijgende of rechtverkrijgende onder algemene titel en reservataire erfgenaam van [zijn moeder], heeft (de verweerder) de (eiseres) (...) gevraagd hem de inlichtingen betreffende de ondertekende overeenkomst mee te delen;

Zijn verzoek werd door de bank geweigerd bij brief van 19 augustus 2002, die gesteld was als volgt: ‘Aangezien u op geen enkele wijze betrokken partij bent, bevestigen wij dat wij u, krachtens de wettelijke bepalingen inzake het beroepsgeheim, wettelijk gezien geen inlichtingen mogen verstrekken';

Op 31 maart 2003 heeft de bank aan de nalatenschap van [de moeder van de verweerder], de volgende verklaring afgelegd (...):

‘Hierbij bevestigen wij dat bij onze maatschappij de volgende lijfrenteovereenkomst werd ondertekend:

Persoonlijke gegevens van de begunstigde:

Naam en voornaam: S. V.

Geboortedatum: 22 november 1915

Rijksregisternummer: ................

Adres: ...

B-...

Echtgenoot/echtgenote van: ................................

Gegevens van de overeenkomst:

Polisnummer: 91041934

Datum van inwerkingtreding: 30 juni 1998

Afgestane kapitaal: 136.341,44 euro

Frequentie van de te betalen renteschulden: maandelijks

Aantal renteschulden betaald in 2002: 3' ".

Het arrest verklaart de vordering tot mededeling van de contractuele stukken ontvankelijk en gegrond en veroordeelt de eiseres en de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij om, onder verbeurte van een dwangsom, "een afschrift over te leggen van de algemene en bijzondere voorwaarden van de verzekeringsovereenkomst met polisnummer 91041934 die [de moeder van de verweerder] heeft ondertekend".

Het hof van beroep verklaart zich eerst territoriaal bevoegd om de redenen die op de bladzijden 11 tot 17 van het arrest worden vermeld en hier als weergegeven worden beschouwd. Het arrest vermeldt met name:

"Te dezen is bewezen en niet betwist dat (de verweerder), samen met zijn broer, een rechtverkrijgende onder algemene titel van zijn moeder is van wie het vermogen, of op zijn minst een gedeelte ervan, hem bij haar overlijden is overgedragen; alleen al door die overdracht treden de rechtverkrijgenden in de rechten en verplichtingen van hun rechtsvoorganger en nemen zij van rechtswege de plaats van de overledene in de door hem gesloten overeenkomsten in (artikel 1122 van het Burgerlijk Wetboek);

Aldus beschikken de rechtverkrijgenden, in beginsel, ten aanzien van de verzekeraar over dezelfde rechten als hun rechtsvoorganger, als verzekeringnemer dan wel als verzekerde, behalve wanneer de aard van de overeenkomst een dergelijke overdracht in de weg staat;

(...) Er moet worden vastgesteld dat de (eiseres en de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij) de aard van de te dezen gesloten overeenkomst geenszins aantonen en die overeenkomst nu eens als een levensverzekeringsovereenkomst en dan weer als een lijfrenteovereenkomst omschrijven; zij moeten dus aantonen in hoeverre de gemeenrechtelijke regel die de erfgenamen en de rechtverkrijgenden gelijkstelt met de persoon van hun rechtsvoorganger, te dezen niet van toepassing zou zijn;

Zelfs als ervan uitgegaan wordt dat de litigieuze overeenkomst zou zijn geëindigd met het overlijden van [de moeder van de verweerder], is die omstandigheid niet voldoende om te stellen dat de rechtverkrijgende een derde blijft ten aanzien van de overeenkomst die door zijn rechtsvoorganger is gesloten, ook al treedt hij, door het overlijden alleen al, in diens rechten en verplichtingen; de rechtverkrijgende kan bijgevolg in die hoedanigheid de rechten van zijn rechtsvoorganger uitoefenen, aangezien hij in zijn plaats is getreden, en in zijn hoedanigheid van erfopvolger van de verzekeringnemer, de mededeling van de litigieuze contractuele stukken vorderen;

(...) (De eiseres) gaat immers ten onrechte ervan uit dat de gelijkschakeling van de algemene rechtverkrijgende of rechtverkrijgende onder algemene titel met zijn rechtsvoorganger een extensieve uitlegging zou vormen van de uitzonderingen op de algemene regel volgens welke, in beginsel, de rechtbanken van de woonplaats van de verweerder bevoegd zijn; (...)

(De eiseres) kan evenmin worden gevolgd wanneer zij beweert dat de prejudiciële vraag moet worden gesteld, op grond dat de gelijkschakeling van de rechtverkrijgende met de verzekeringnemer die, krachtens de polis, ook de hoedanigheid van verzekerde had, zou leiden tot een aanzienlijke uitbreiding van het toepassingsgebied van artikel 9, b) (van de verordening [EG] 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 die hierna ter sprake komt [derde middel]) en van de hoedanigheid van de betrokkenen".

Het arrest verwerpt vervolgens de door de eiseres tegen de vordering aangevoerde exceptie van niet-ontvankelijkheid, die zij afleidt uit het feit dat de verweerder geen belang heeft om in rechte op te treden, om de redenen die vermeld worden op bladzijden 24 (laatste lid) en 25, die hier als volledig weergegeven worden beschouwd, en met name:

"Het belang om in rechte op te treden bestaat in elk materieel of moreel, daadwerkelijk en niet theoretisch voordeel dat de eiser kan halen uit de vordering, op het ogenblik dat hij die vordering instelt;

Uit de hierboven beschreven ontwikkelingen blijkt dat (de verweerder), die tegelijkertijd in zijn hoedanigheid van algemene rechtverkrijgende of rechtverkrijgende onder algemene titel optreedt, kennelijk doet blijken van een persoonlijk en rechtstreeks belang om op te treden, teneinde kennis te nemen van het geheel van de handelingen die door zijn rechtsvoorganger zijn gesteld en de bewoordingen en voorwaarden alsook de uitvoering van die handelingen na te gaan;

(De verweerder) doet ook blijken van het belang om kennis te nemen van de handelingen van zijn rechtsvoorganger die, in voorkomend geval, zijn erfrechtelijke reserve zouden aantasten."

Het arrest verklaart vervolgens de vordering gegrond en verantwoordt die beslissing om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd, en met name om de volgende redenen:

"Hoewel (de verweerder) de hoedanigheid van derde had op het ogenblik dat de overeenkomst werd gesloten, treedt hij, in zijn hoedanigheid van algemene rechtverkrijgende of rechtverkrijgende onder algemene titel, op het tijdstip van het overlijden van zijn rechtsvoorganger in diens rechten en verplichtingen; de algemene rechtverkrijgende of rechtverkrijgende onder algemene titel heeft, net als zijn rechtsvoorganger, recht op de mededeling van alle inlichtingen betreffende het sluiten en de uitvoering van de overeenkomst; dat recht blijft bestaan na het overlijden van de verzekeringnemer, in de onderstelling dat de overeenkomst op dat tijdstip echt beëindigd werd; zelfs in dat laatste geval vervalt het recht op mededeling van de vereiste inlichtingen niet; alleen de rechten en verplichtingen betreffende de betaling van de lijfrente vervallen en [de verweerder] vordert uiteraard niet dat die lijfrente hem wordt betaald;

Aangezien verzekeringsmaatschappijen talrijke producten aanbieden, kan niet worden uitgesloten dat de litigieuze overeenkomst, ondanks haar omschrijving, een gewoon spaarproduct is dat, in voorkomend geval, een onrechtstreekse schenking bevat die de erfrechtelijke reserve zou kunnen aantasten van de wettelijke erfgenamen, die onmiskenbaar het recht hebben om, op zijn minst, de nodige controles te doen;

In tegenstelling tot wat (de eiseres) beweert, kan het recht op eerbiediging van het privéleven van de rechtsvoorganger, naar aanleiding van het sluiten van een dergelijke overeenkomst, niet rechtsgeldig worden tegengeworpen aan de algemene rechtverkrijgenden of rechtverkrijgenden onder algemene titel die, daarenboven, reservatair erfgenaam zijn en wier rechten op de reserve zijn vastgelegd in bepalingen van openbare orde;

(...) Aangezien de overeenkomst en de stukken betreffende de uitvoering van die overeenkomst niet zijn overgelegd, is daarenboven geenszins aangetoond dat die overeenkomst daadwerkelijk is geëindigd bij het overlijden van [de moeder van de verweerder]; de precieze aard van de ondertekende overeenkomst is tot op heden niet bekend, aangezien de partijen die overeenkomst nu eens als een levensverzekeringsovereenkomst en dan weer als een lijfrenteovereenkomst omschrijven;

Zelfs als dat het geval was, kan evenmin worden uitgesloten dat er een begunstigde zou zijn aangewezen. (De tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij) schuift die hypothese uitdrukkelijk naar voor en wijst erop dat, op grond van de door (de eiseres) verstrekte inlichtingen, de litigieuze overeenkomst ‘een klassieke levensverzekeringsovereenkomst op het hoofd van [de moeder van de verweerder], samen met een lijfrente die voorziet in de betaling van een kapitaal op het ogenblik van haar overlijden' zou uitmaken;

Gelet op die gegevens kan de algemene rechtverkrijgende of de rechtverkrijgende onder algemene titel in beginsel de mededeling van de gevraagde stukken vorderen (...);

(De eiseres) beroept zich voorts op het beroepsgeheim, bepaald in artikel 111-1, eerste lid, van de Luxemburgse wet van 6 december 1991 "sur le secteur des assurances" (...);

Zelfs als ervan uitgegaan wordt dat de Luxemburgse wet in België van toepassing is, in zoverre zij het beroepsgeheim van de verzekeraar invoert en vastlegt, moet te dezen worden vastgesteld dat het beroepsgeheim niet miskend wordt wanneer de verzekeraar aan de algemene rechtverkrijgende of rechtverkrijgende onder algemene titel, die ook reservatair erfgenaam is, contractuele stukken meedeelt die door zijn rechtsvoorganger zijn ondertekend; wanneer (de verweerder) aldus de actio ex heredito en, bijgevolg, de rechten van zijn rechtsvoorganger uitoefent, kan het beroepsgeheim van de Luxemburgse verzekeraar niet tegen hem worden aangevoerd;

In het Groothertogdom Luxemburg wordt doorgaans aangenomen dat het beroepsgeheim voor het belang van de erfgenamen moet wijken (...);

Het bezwaar dat (de eiseres) dienaangaande maakt en waarbij (de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij) zich aansluit, namelijk dat die beginselen niet mutatis mutandis op het beroepsgeheim van de verzekeraar van toepassing zouden zijn, op grond dat de bankrekeningen van de de cujus deel uitmaken van het erfelijk vermogen, in tegenstelling tot de levensverzekering en de lijfrenteverzekering, die eindigen met het overlijden van de verzekeringnemer en niet in zijn erfelijk vermogen terechtkomen, is te dezen niet ter zake dienend; zoals hierboven immers reeds is opgemerkt, staat die omstandigheid, in de veronderstelling dat zij terecht is maar tot nog toe niet is bewaarheid, niet eraan in de weg dat de algemene rechtverkrijgende of rechtverkrijgende onder algemene ti-tel, die ook reservatair erfgenaam is, in het kader van dit geding de vereiste inlichtingen vordert;

Indien (de eiseres) de vereiste contractuele stukken meedeelt, schendt zij artikel 111-1, zesde lid, van de Luxemburgse wet van 6 december 1991 "sur le secteur de l'assurance" niet;

Daarenboven beroept de eiseres zich tevergeefs op de mededeling van 5 april 2001 van de ‘Association des compagnies d'assurances du Grand-Duché de Luxembourg' (ACA), die gericht is aan de in het Groothertogdom gevestigde maatschappijen en die het duidelijk te maken onderscheid tussen het beroepsgeheim van de bankier en het beroepsgeheim van de verzekeraar zou bevestigen;

Die - weliswaar collectieve - mededeling is niet alleen genuanceerder maar heeft daarenboven niet de minste normatieve waarde en kan niet worden aangevoerd in het kader van een geschil voor een vreemd gerecht; zij legt overigens geen enkele sanctie op;

Die mededeling geeft de stand van zaken inzake het beroepsgeheim van de verzeke-raar en bepaalt enkele uitzonderingen op het beginsel;

Die mededeling preciseert in punt 2.3, tweede lid, weliswaar het volgende: ‘les héri-tiers du souscripteur assuré n'ont en effet aucun droit, ni sur le contrat d'assurance, du fait du caractère personnel du droit de rachat, ni sur la prestation d'assurance, qui ne fait pas partie de la succession de la personne assurée', ‘ de sorte que l'assureur doit leur opposer son secret professionnel s'il est questionné sur un contrat d'assurance souscrit par leur auteur et dont ils ne sont pas bénéficiaires'; in het zesde lid van hetzelfde punt wijst ze evenwel op een bijzonder geval: dat waarin de reservataire erfgenamen van de verzekeringnemer van oordeel zouden zijn dat de door laatstgenoemde betaalde premies buitensporig zouden zijn en hun rechten zouden aantasten. In een dergelijk geval moeten die erfgenamen - in de veronderstelling dat zij op de hoogte zijn van het bestaan van de overeenkomst - een procedure voor de Luxemburgse rechter inleiden teneinde van de verzekeraar de overeenkomstige inlichtingen te verkrijgen';

Uit de lezing van die punten blijkt dat de verzekeraar, volgens de ACA, op rechterlijk bevel en onder de in die mededeling bepaalde voorwaarden, van zijn beroepsgeheim kan worden ontslagen wanneer de vordering tot mededeling uitgaat van een erfgenaam;

Nog steeds volgens de ACA zou, inzake levensverzekering, de uitzondering echter alleen van toepassing zijn op de begunstigden en uitsluitend binnen de grenzen van hun rechten; de ACA grondt die beperking op de volgende reden: ‘l'assurance sur la vie est généralement présentée à nos clients comme un moyen d'organiser une transmission de façon discrète dans un endroit sûr, où le secret professionnel est conçu comme un instrument de protection de la vie privée. Or, le contenu de la clause bénéficiaire d'un contrat d'assurance sur la vie touche au plus profond de la sphère d'intimité du preneur, car il dévoile l'ordre de ses affections. Une obligation générale de révéler aux héritiers du preneur le contenu du contrat qu'il a souscrit serait en contradiction avec les engagements de confidentialité légitimement contractés par les assureurs luxembourgeois';

Die opvatting van het beroepsgeheim van de Luxemburgse verzekeraar, die weliswaar werd bevestigd door het Luxemburgse hof van beroep in een arrest van 17 april 2002, druist echter in tegen de Belgische internationale openbare orde, om de dubbele reden dat het Belgische recht niet voorziet in het beroepsgeheim van de verzekeraars en het Grondwettelijk Hof artikel 124 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst ongrondwettelijk heeft verklaard, op grond dat er geen enkele reden bestond om de reservataire erfgenamen die een levensverzekeringsovereenkomst genieten, wat betreft de inbreng en de inkorting anders te behandelen dan de reservataire erfgenamen die een andere gift, zoals een schenking, genieten;

Aangezien het in dit geval gaat om een vordering tot mededeling van de contractuele stukken die in België, via een Belgische tussenpersoon, zijn ondertekend door een Belgische verzekeringnemer die in België is blijven wonen, waar hij ook is overleden, moet die vordering gegrond worden verklaard, zodat de reservataire erfgenaam de kans krijgt om vast te stellen of zijn erfrechtelijke reserve al dan niet is aangetast, ongeacht of het al dan niet gaat om een overeenkomst die als een levensverzekering wordt omschreven, en waarvan de inhoud voor hem niet geheim mag blijven".

Grieven

(...)

Tweede onderdeel

1° Artikel 111-1, eerste lid, van de Luxemburgse wet van 6 december 1991 "sur le secteur des assurances" luidt als volgt: "les administrateurs, les membres des organes directeurs et de surveillance, les dirigeants et les autres employés des entreprises d'assurances et leurs agents ainsi que les courtiers sont obligés de garder secrètes les informations confidentielles confiées à eux dans le cadre de leur activité professionnelle. La révélation de tels renseignements est punie des peines prévues à l'article 458 du Code pénal".

Die bepaling, in de uitlegging van de Luxemburgse gerechten, verhindert dat de ondertekende levensverzekeringsovereenkomst wordt medegedeeld aan de erfgenamen van de verzekerde ondertekenaar, behalve en uitsluitend wanneer die erfgenamen als begunstigden van die verzekering zijn aangewezen. Wanneer de overeenkomst een beding ten gunste van een welbepaalde derde bevat, hebben de erfgenamen van de verzekeringnemer geen hoedanigheid om in rechte op te treden; het verzekerde kapitaal maakte immers geen deel uit van de goederen die zij in ontvangst moeten nemen, aangezien dat kapitaal al op de datum van ondertekening van de overeenkomst door de begunstigde is verkregen.

Luidens artikel 15, § 1, van het Wetboek van internationaal privaatrecht "wordt het buitenlands recht toegepast volgens de in het buitenland gevolgde interpretatie".

Aangezien artikel 111-1 van de Luxemburgse wet betrekking heeft op het beroepsgeheim dat door dat artikel beschermd wordt, is het daarenboven van openbare orde, waardoor het krachtens artikel 20, tweede lid, van het Wetboek van internationaal privaatrecht moet worden toegepast, en voorziet het in een resultaatsverbintenis. De rechtsleer maakt daarenboven, op grond van de rechtspraak van verschillende landen, gewag van een internationaal rechtsbeginsel, volgens hetwelk "geen enkele in het buitenland verblijvende persoon, rechtstreeks of onrechtstreeks, door een dwangmaatregel met extraterritoriale draagwijdte gedwongen mag worden de wetgeving van zijn verblijfplaats te schenden".

Het door die wetsbepaling aan de verzekeraar opgelegde beroepsgeheim is dus in dit geval van toepassing. Het arrest, dat het tegendeel beslist en de toepassing van die wetsbepaling verwerpt om de bekritiseerde redenen, namelijk op grond dat hij, in substantie, ex haerede optreedt en de rechten van zijn rechtsvoorganger uitoefent, terwijl hij een eigen recht uitoefent, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht (schending van de artikelen 1121, 1122 van het Burgerlijk Wetboek, 15, inzonderheid § 1, 20, inzonderheid tweede lid, van het Wetboek van internationaal privaatrecht, 111-1 van de Luxemburgse wet 6 december 1991, en miskenning van het in het middel bedoelde algemene rechtsbeginsel).

1 Het arrest verwerpt daarenboven het beroepsgeheim van de Luxemburgse verzekeraar - alsook de toepassing van de Luxemburgse wetsbepaling die het oplegt - op grond dat het beroepsgeheim indruist tegen de internationale openbare orde aangezien, enerzijds, het Belgische recht niet voorziet in het beroepsgeheim van de verzekeraars en, anderzijds, het Grondwettelijk Hof artikel 124 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst ongrondwettelijk heeft verklaard, op grond dat er geen enkele reden bestond om de reservataire erfgenamen die een levensverzekeringsovereenkomst genieten, wat betreft de inbreng en de inkorting anders te behandelen dan de reservataire erfgenamen die een andere gift, zoals een schenking, genieten.

De samenstelling van de aldus beschermde erfrechtelijke reserve valt echter niet on-der de Belgische openbare orde en, in elk geval, niet onder de internationale openbare orde. Zo vermeldt het wetsvoorstel van 24 november 2010 tot aanvulling van artikel 124 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst betreffende de inkorting van het kapitaal van een levensverzekering in geval van erfopvolging, dat het artikel moet vervangen dat door het Grondwettelijk Hof is vernietigd in zijn arrest van 26 juni 2008: "het instituut van de reserve is zo niet van openbare orde, minstens van dwingend recht" (p. 5-528/1). De rechtsleer gaat er ook van uit dat de samenstelling van de reserve beschermd wordt door dwingende wettelijke bepalingen en dat de overlegging die het aan de reservataire erfgenaam toekent, niet onder de internationale openbare orde valt.

Het arrest, dat artikel 111-1, eerste lid, van de Luxemburgse wet van 6 december 1991 sur le secteur des assurances, dat krachtens artikel 20, inzonderheid tweede lid, van het Wetboek van internationaal privaatrecht te dezen van toepassing is, en het in het middel bedoelde rechtsbeginsel verwerpt, op grond dat het indruist tegen de Belgische internationale openbare orde, terwijl dat niet het geval is, schendt nogmaals de voormelde bepaling, alsook de artikelen 6 van het Burgerlijk Wetboek, 20, eerste en tweede lid, 21 van het Wetboek van internationaal privaatrecht, en miskent het voormelde rechtsbeginsel.

Aangezien dat artikel niet indruist tegen de Belgische internationale openbare orde, had het arrest de toepassing ervan niet mogen weigeren en had het arrest bijgevolg niet de overlegging van de litigieuze stukken mogen bevelen, aangezien dat artikel zich daartegen verzet.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 1 van de verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken;

- artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest vermeldt:

"Het geschil betreft de hoofdvordering die (de verweerder) in hoger beroep als geïntimeerde in de twee zaken heeft ingesteld teneinde de (eiseres), eerste appellante, en de (tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij), tweede appellante, te verplichten hem de contractuele stukken mee te delen die in juni 1998 zijn ondertekend door de moeder van (de verweerder), die op 5 april 2002 op 86-jarige leeftijd is overleden;

(...) (De verweerder) heeft na het overlijden van zijn moeder vernomen dat zij bij de (eiseres), via de (tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij), een verzekering heeft ondertekend met polisnummer 91041934 met uitwerking vanaf 30 juni 1998;

Luidens de akte van bekendheid, die op 8 juni 2002 is opgemaakt door notaris Olivier Timmermans, en bij gebrek aan een laatste wilsbeschikking, heeft de overledene haar twee zonen, de verweerder en [zijn broer], als enige wettelijke en reservataire erfgenamen nagelaten;

Krachtens zijn hoedanigheden van algemene rechtverkrijgende of rechtverkrijgende onder algemene titel en reservataire erfgenaam van [zijn moeder], heeft (de verweerder) de (eiseres) (...) gevraagd hem de inlichtingen betreffende de ondertekende overeenkomst mee te delen",

het arrest verklaart de vordering tot mededeling van de contractuele stukken ontvankelijk en gegrond en veroordeelt de eiseres en de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij om, op straffe van dwangsom, "een afschrift over te leggen van de algemene en bijzondere voorwaarden van de verzekeringsovereenkomst met polisnummer 91041934 die [de moeder van de verweerder] heeft ondertekend".

Het arrest beslist dat "de rechtspleging betreffende de vordering tot overlegging van de contractuele stukken met name geregeld blijft door de artikelen 870 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek en niet door de EG-verordening", en past de procedure toe die bepaald is in het Gerechtelijk Wetboek en niet in de verordening.

Het verantwoordt die beslissing om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en met name om de volgende redenen:

"(De eiseres) betoogt dat de Belgische rechter niet materieel bevoegd zou zijn om haar op grond van artikel 870 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek en onder verbeurte van een dwangsom te bevelen de vereiste contractuele stukken over te leggen;

De nationale wet zou te dezen zijn opgeheven door de verordening 1206/2001 van de Raad betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, die een specifieke procedure voor de uitvoering van de handelingen tot het verkrijgen van bewijs heeft ingevoerd;

De vordering tot mededeling van stukken, onder verbeurte van een dwangsom, zou aldus een dergelijke handeling tot het verkrijgen van bewijs in de zin van die verordening vormen, zodat de Belgische gerechten een ingezetene van een andere lidstaat niet rechtstreeks zouden kunnen bevelen een stuk over te leggen, maar zich zouden moeten wenden tot de bevoegde overheid van de Staat waar de vereiste maatregel moet worden uitgevoerd, en die overheid zou dan haar nationale recht moeten toepassen;

Hoewel (de verweerder), in dit stadium, zijn vordering beperkt tot het verkrijgen van contractuele stukken, kan hieruit evenwel niet worden afgeleid dat die stukken, in voorkomend geval en in een later stadium, niet kunnen dienen als een noodzakelijk bewijsmiddel in een procedure die, zoals die bepaling voorschrijft, dan zou kunnen worden ‘voorgenomen';

De omstandigheid dat de vordering in dit stadium een hoofdvordering is, sluit op zich niet uit dat de vereiste stukken achteraf kunnen dienen als bewijsmiddel in een latere procedure, ook al is die procedure op dit ogenblik slechts hypothetisch;

De - zelfs zo nodig in de toekomst in te stellen - vordering is derhalve niet uitgesloten door artikel 1, tweede lid, van de verordening, zo niet heeft het begrip ‘voorgenomen procedure' geen enkele betekenis meer en worden aldus de bepalingen van Europees recht omzeild, door vooraf een hoofdvordering tot mededeling van contractuele stukken in te stellen;

Hoewel de litigieuze vordering aldus prima facie binnen het toepassingsgebied van de verordening lijkt te vallen, moet worden bepaald of de litigieuze vordering betrekking heeft op een ‘handeling tot het verkrijgen van bewijs' in de zin van (artikel 1, eerste lid, van de voormelde verordening), die verricht moet worden door het bevoegde gerecht van een andere lidstaat of die door het Belgische gerecht rechtstreeks in een andere lidstaat verricht zou worden;

De verordening omschrijft het begrip handeling tot het verkrijgen van bewijs niet;

(...) Uit artikel 1, eerste lid, van de verordening blijkt dat de daarin bedoelde handelingen tot het verkrijgen van bewijs hetzij handelingen zijn die door een vreemde overheid op haar eigen grondgebied moeten worden verricht, hetzij handelingen zijn die rechtstreeks moeten worden verricht op het grondgebied van een andere lidstaat, zoals onderzoeken, getuigenverhoren, de afstapping ter plaatse of nog de deskundigenopdracht;

De vordering die voor de Belgische rechter door een gedingvoerende partij wordt ingesteld tegen een andere procespartij uit een andere lidstaat, te dezen het Groothertogdom Luxemburg, en die strekt tot mededeling van de contractuele stukken die de laatstgenoemde partij zelf in haar bezit heeft, kan niet worden gelijkgesteld met een verzoek aan het bevoegde gerecht van een andere lidstaat om een handeling tot het verkrijgen van bewijs op haar eigen grondgebied te verrichten of met een verzoek van het Belgische gerecht om rechtstreeks een handeling tot het verkrijgen van bewijs op het Luxemburgse grondgebied te verrichten; de overlegging van stukken tussen de gedingpartijen vereist niet dat er op een buiten-landse overheid een beroep wordt gedaan of dat men zich op het grondgebied van een andere lidstaat dient te begeven om er een handeling te doen verrichten; de vordering doet geen afbreuk aan de bevoegdheden en de soevereiniteit van de Staat waarvan (de eiseres) een onderdaan is;

De omstandigheid dat de vordering tot overlegging van documenten, zoals zij naar Belgisch recht geregeld wordt door de artikelen 870 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, een onderzoeksmaatregel uitmaakt, betekent niet dat die vordering gelijkgesteld kan worden met het in het Europese recht aangewende begrip handeling tot het verkrijgen van bewijs, ook al zou die vordering in voorkomend geval gepaard gaan met een dwangsom ten aanzien van de betrokken partij, aangezien die vordering geen wijziging inhoudt van de aard van de maatregel die, daarenboven en in dit stadium, hoofdzakelijk een bewarend karakter heeft".

Grieven

De vordering die ertoe strekt een van de gedingvoerende partijen te verplichten een stuk dat zij in haar bezit heeft te doen overleggen, is een handeling tot het verkrijgen van bewijs in de zin van artikel 1.1 van de verordening. Het begrip handeling tot het verkrijgen van bewijs moet in ruime zin worden uitgelegd en heeft betrekking op elke handeling waarmee bewijzen verzameld worden, alsook vorderingen die ertoe strekken stukken te verkrijgen, aangezien een dergelijke handeling ertoe strekt bewijzen te bewaren of te leveren met het oog op de oplossing van een geschil.

De beslissing die een dergelijke vordering aanneemt, legt bovendien een prestatie op die in het ultieme stadium weliswaar kan resulteren in de neerlegging van stukken in België, maar de uitvoering ervan - namelijk het verzamelen van die stukken met het oog op de mededeling ervan aan een buitenlandse gerechtelijke overheid - vindt plaats buiten het Belgische grondgebied.

De vordering die, zoals te dezen, strekt tot het verkrijgen van een bewijs in het buitenland, is dus noodzakelijkerwijs onderworpen aan de procedures en waarborgen die bepaald zijn in de verordening EG nr. 1206/2001, die verplicht moet worden toegepast en voorrang moet krijgen op de nationale wet. Zo moet de ingevoerde regeling waarborgen dat de regels van openbare orde die in de verschillende lidstaten van toepassing zijn, en met name die welke betrekking hebben op het beroepsgeheim, nageleefd worden.

Welnu, het arrest verantwoordt zijn beslissing op grond dat de vordering tot overlegging van stukken tussen de gedingvoerende partijen niet vereist dat er op een buitenlandse overheid een beroep wordt gedaan of dat men zich op het grondgebied van een andere lidstaat dient te begeven om er een handeling te doen verrichten.

Het arrest sluit aldus de litigieuze vordering uit het toepassingsgebied ratione materiae van de verordening uit, door te beslissen dat die vordering de in die verordening bepaalde procedures niet hoeft te doorlopen, terwijl voldaan is aan de criteria van dat toepassingsgebied, te weten het verkrijgen, binnen het kader van een - reeds aanhangig of voorgenomen - geschil in burgerlijke of handelszaken, van een bewijs in het buitenland, en onderwerpt die vordering bijgevolg niet aan de specifieke, in die verordening bepaalde samenwerkingsprocedures, te weten het feit dat er op een buitenlandse overheid een beroep moet worden gedaan of dat men zich op het grondgebied van de andere lidstaat moet begeven om er de handeling te verrichten.

Het arrest, dat beslist dat "de rechtspleging betreffende de vordering tot overlegging van de contractuele stukken met name beheerst wordt door de artikelen 870 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek en niet door de EG-verordening", is derhalve niet naar recht verantwoord.

Het schendt zowel artikel 1 van die verordening, dat het toepassingsgebied van die verordening bepaalt, door uit dat toepassingsgebied een vordering uit te sluiten die daaronder dient te vallen, als artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek, dat volgens het arrest van toepassing is op de litigieuze vordering, terwijl zulks niet het geval is, aangezien de toepassing van het voormelde artikel van de verordening in de plaats komt van het laatstgenoemde artikel van het Gerechtelijk Wetboek.

De eiseres vraagt het Hof subsidiair om, alvorens uitspraak te doen, twee prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Laatstgenoemd Hof heeft zich immers nooit kunnen uitspreken over de verordening 1206/2001, terwijl er talrijke vragen rijzen over de uitlegging van die verordening en het naast elkaar bestaan met andere normen.

Die vragen zijn, onder voorbehoud van enkele lichte wijzigingen, dezelfde als die welke de eiseres in haar conclusie in hoger beroep voorstelde:

1. Moet het begrip "handeling tot het verkrijgen van bewijs" in de zin van de verordening 1206/2001 van de Raad betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken aldus worden uitgelegd dat hieronder ook de overlegging moet worden verstaan van stukken die in het bezit zijn van een gedingvoerende partij, die gevestigd is in een andere lidstaat dan het gerecht dat de overlegging van die stukken beveelt?

2. Zo ja, mag een nationaal gerecht, dat kennisneemt van een hoofdvordering die ertoe strekt de verweerder, die gevestigd is in een andere lidstaat, te verplichten bepaalde stukken over te leggen, die verweerder onder verbeurte van een dwangsom rechtstreeks bevelen die stukken over te leggen, zonder toepassing te maken van de procedure die bepaald is in de verordening 1206/2001 van de Raad betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken?

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

(...)

Eerste onderdeel

Enerzijds bestaat er geen algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk geen enkele in het buitenland verblijvende persoon door een dwangmaatregel met extraterritoriale draagwijdte gedwongen mag worden de wetgeving van zijn verblijfplaats te schenden.

Anderzijds verplicht artikel 20, tweede lid, Wetboek van Internationaal Privaat-recht de Belgische rechter niet toepassing te maken van dwingende bepalingen of bepalingen van openbare orde van het recht van een andere Staat waarmee het ge-val nauw is verbonden, maar geeft het hem uitsluitend de mogelijkheid uitwerking eraan te verlenen.

Het onderdeel, dat ervan uitgaat dat artikel 111-1 van de Luxemburgse wet "sur le secteur des assurances" van toepassing is krachtens artikel 20, tweede lid, van dat wetboek en krachtens het voormelde algemeen rechtsbeginsel, faalt naar recht.

Daarenboven wordt de schending van een vreemde wet enkel via de verwijzings-regel bij het Hof aanhangig gemaakt.

Het onderdeel, dat het arrest verwijt artikel 111-1 van de Luxemburgse wet van 6 december 1991 te schenden, terwijl de daarin aangevoerde verwijzingsregel die bepaling niet toepasselijk maakt, is niet ontvankelijk.

Het onderdeel, dat gericht is tegen de overtollige reden volgens welke artikel 111-1 van de Luxemburgse wet van 6 december 1991 zou indruisen tegen de Belgi-sche internationale openbare orde, is voor het overige niet ontvankelijk wegens gebrek aan belang.

Tweede middel

Artikel 1, § 1, 3, van de verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijs-verkrijging in burgerlijke en handelszaken bepaalt dat die verordening van toepas-sing is in burgerlijke en handelszaken wanneer het gerecht van een lidstaat over-eenkomstig de wettelijke bepalingen van die staat a) het bevoegde gerecht van een andere lidstaat verzoekt een handeling tot het verkrijgen van bewijs te verrichten; of b) verzoekt een handeling tot het verkrijgen van bewijs rechtstreeks in een an-dere lidstaat te mogen verrichten.

In het arrest L. van 6 september 2012 (C-170/11) wijst het Hof van Justitie van de Europese Unie erop dat "de materiële werkingssfeer van verordening nr. 1206/2001, zoals omschreven in [artikel 1, § 1] en zoals voortvloeit uit het stelsel van deze verordening, beperkt is tot twee middelen van bewijsverkrijging, te weten, ten eerste, het verrichten van een handeling tot het verkrijgen van bewijs door het aangezochte gerecht overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 16 van die veror-dening na een verzoek van het verzoekende gerecht van een andere lidstaat en, ten tweede, het rechtstreeks verrichten van een dergelijke handeling in een andere lidstaat door het verzoekende gerecht, op de wijze zoals geregeld in artikel 17 van die verordening; verordening nr. 1206/2001 bevat daarentegen geen enkele bepa-ling die regelt of uitsluit dat een gerecht van een lidstaat een in een andere lidstaat woonachtige partij kan oproepen om rechtstreeks voor hem te verschijnen en een getuigenis af te leggen; daaruit volgt dat verordening nr. 1206/2001 in beginsel enkel toepassing vindt in het geval waarin een gerecht van een lidstaat besluit bewijs te verkrijgen volgens een van de twee in deze verordening voorziene methoden; dat gerecht is dan gehouden de procedures te volgen die betrekking hebben op deze methoden". Het Hof van Justitie beslist vervolgens dat "verorde-ning nr. 1206/2001, en met name artikel 1, lid 1, daarvan, in die zin moet worden uitgelegd dat het bevoegde gerecht van een lidstaat dat een in een andere lidstaat woonachtige partij als getuige wenst te horen, teneinde dat verhoor te verrichten deze partij mag oproepen voor hem te verschijnen en haar mag horen overeen-komstig het recht van de lidstaat van dat gerecht".

Uit dat arrest volgt kennelijk dat een gerecht van een lidstaat een in een andere lidstaat verblijvende partij mag veroordelen om hem, overeenkomstig zijn natio-nale wet, een stuk over te leggen.

Het middel, dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

De prejudiciële vraag van de eiseres hoeft niet aan het Hof van Justitie van de Eu-ropese Unie te worden gesteld.

(...)

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Michel Lemal en Sabine Geubel, en in openbare terecht-zitting van 25 april 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwe-zigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Persoon die in het buitenland verblijft

  • Noodgedwongen schending van de wet van zijn verblijfplaats door een dwangregel met extraterritoriale draagwijdte

  • Geen miskenning van een algemeen rechtsbeginsel