- Arrest van 7 mei 2013

07/05/2013 - P.12.0753.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De strafrechter kan op grond van artikel 162bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek de in het ongelijk gestelde beklaagde, burgerlijk aansprakelijke partij of voor de beklaagde tussengekomen partij ambtshalve tot een rechtsplegingsvergoeding veroordelen ten voordele van de in het gelijk gestelde burgerlijke partij (1). (1) Cass. 20 jan. 2010, AR P.09.1146.F, AC 2010, nr. 47 met concl. van procureur-generaal J.F. Leclercq in Pas., 2010, nr. 47.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0753.N

BELGISCH BUREAU VAN DE AUTOVERZEKERAARS vzw, met zetel te 1210 Brussel, Liefdadigheidsstraat 33, bus 2,

vrijwillig tussenkomende partij,

eiser,

met als raadsman mr. Christophe Vandermeersch, advocaat bij de balie te Gent,

tegen

VAN VLIET GROEP MILIEU-DIENSTVERLENER bv, met zetel te 3439 NZ Nieuwegein (Nederland), Grote Wade 45,

burgerlijke partij,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Gent van 8 maart 2012.

In een memorie die aan dit arrest is gehecht, voert de eiser drie middelen aan.

Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis bevat geen motieven waarom de eiser, als in het gelijk gestelde partij, ver-wezen wordt in de kosten van het hoger beroep en er een rechtsplegingsvergoe-ding in hoger beroep wordt toegekend aan de verweerster, en het beantwoordt het verweer van de eiser niet dat de kosten van het hoger beroep ten laste van de Staat dienden te worden gelegd.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

2. Bij gebrek aan daartoe strekkende conclusie hoeft het bestreden vonnis de bepaling van de kosten, waaronder het toekennen van een rechtsplegingsvergoe-ding, niet nader te motiveren.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

4. Met appelconclusie heeft de eiser verzocht de kosten van het hoger beroep te laste leggen van de Staat, maar zonder precisering waarom.

3. Door de eiser te veroordelen tot de kosten verwerpt en beantwoordt het be-streden vonnis die conclusie.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

Tweede middel

4. Het middel voert schending aan van artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek en miskenning van het beschikkingsbeginsel: het bestreden vonnis kent aan de verweerster een rechtsplegingvergoeding toe in hoger beroep, alhoewel ze daarop geen aanspraak heeft gemaakt.

5. De strafrechter kan op grond van artikel 162bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek de in het ongelijk gestelde beklaagde, burgerlijk aansprakelijke partij of voor de beklaagde tussengekomen partij ambtshalve tot een rechtsplegingsvergoeding veroordelen ten voordele van de in het gelijk gestelde burgerlijke partij.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Derde middel

Eerste onderdeel

6. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 162, 194 en 211 Wet-boek van Strafvordering: het bestreden vonnis veroordeelt de eiser tot de kosten van het hoger beroep, alhoewel dit het hoger beroep van de eiser toelaatbaar en gegrond verklaart.

7. Krachtens artikel 162, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, kan de bur-gerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld, worden veroordeeld in de volledi-ge of in een gedeelte van de kosten jegens de Staat en jegens de beklaagde of in een gedeelte ervan.

8. Op de burgerlijke rechtsvordering die tegen hem door de verweerster, bur-gerlijke partij, was ingesteld, veroordeelt het bestreden vonnis de eiser, vrijwillig tussenkomende partij, tot schadevergoeding. De omstandigheid dat het hoger be-roep van de eiser gegrond is verklaard en het bedrag van de schadevergoeding werd herleid, ontneemt hem de hoedanigheid van in het ongelijk gestelde partij en de verweerster de hoedanigheid van in het gelijk gestelde partij niet, zodat het be-streden vonnis de eiser naar recht veroordeelt tot de kosten.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 162bis, 194 en 211 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis veroordeelt de eiser tot het betalen aan de verweerster van een rechtsple-gingsvergoeding in hoger beroep, terwijl de eiser en niet de verweerster de in het gelijk gestelde partij is.

10. Krachtens artikel 162bis Wetboek van Strafvordering, dat bij artikel 194 op de correctionele rechtbank toepasselijk is verklaard, veroordeelt ieder veroorde-lend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, hen tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Gerechtelijk Wet-boek.

Krachtens artikel 1022, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is de rechtsplegingsver-goeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

11. De eiser, vrijwillig tussenkomende partij, is veroordeeld op de burgerlijke rechtsvordering die tegen hem door de verweerster, burgerlijke partij, was inge-steld, en de omstandigheid dat het hoger beroep van de eiser gegrond is verklaard, en het bedrag van de schadevergoeding werd herleid, ontneemt haar de hoedanig-heid van in het ongelijk gestelde partij en de verweerster de hoedanigheid van in het gelijk gestelde partij niet.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 233 euro, waarvan 21,78 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de open-bare rechtszitting van 7 mei 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maf-fei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

E. Francis A. Lievens

P. Hoet L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Rechtsplegingsvergoeding