- Arrest van 8 mei 2013

08/05/2013 - P.13.0053.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Krachtens de artikelen 162bis, 194 en 211 van het Wetboek van Strafvordering veroordeelt het tegen de beklaagde uitgesproken veroordelend vonnis laatstgenoemde tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek; aangezien de aanhangigmaking van de zaak bij de appelrechter het geheel van de door de eerste rechter toegekende rechten opnieuw in betwisting stelt, moet de beklaagde die door de eerste rechter is vrijgesproken en door de appelrechter is veroordeeld om de burgerlijke partijen te vergoeden voor de schade veroorzaakt door de strafbare feiten waaraan hij schuldig is verklaard, worden veroordeeld om hen de rechtsplegingsvergoedingen te betalen van beide instanties na afloop waarvan zijn tegenstanders in het gelijk zijn gesteld.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0053.F

I. F. L.,

Mr. Gérard Rivière, advocaat bij de balie te Doornik,

II. D. H.-D.,

Mr. Frank Discepoli, advocaat bij de balie te Bergen,

tegen

1. NATIONAAL VERBOND VAN DE ONAFHANKELIJKE ZIEKEN-FONDSEN, verzekeringsorganisme ZIV,

2. KAS DER GENEESKUNDIGE VERZORGING VAN DE N.M.B.S. e.a.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen, correctionele kamer, van 26 november 2012.

De eiser heeft op 14 maart 2013 een memorie neergelegd op de griffie. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

(...)

B. Cassatieberoep van D. H.-D.

(...)

3. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de veroordeling tot de rechtsplegingsvergoeding

Vierde middel

De correctionele rechtbank, die de eiseres heeft vrijgesproken en zich onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van de tegen haar ingestelde burgerlijke rechtsvorderingen, heeft haar niet tot het betalen van een rechtsplegingsvergoe-ding veroordeeld.

Het middel verwijt het arrest, dat het beroepen vonnis wijzigt, dat het de eiseres, hoofdelijk met de eiser, veroordeelt om aan de verweersters de rechtsplegingsver-goeding van beide aanleggen te betalen.

Krachtens de artikelen 162bis, 194 en 211 Wetboek van Strafvordering, veroor-deelt het tegen de beklaagde uitgesproken veroordelend vonnis laatstgenoemde tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding, bedoeld in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek.

Naar luid van die bepaling is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tege-moetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestel-de partij.

De aanhangigmaking van de zaak bij de appelrechter stelt het geheel van de door de eerste rechter toegekende rechten opnieuw ter discussie. Daaruit volgt dat de eiseres, die is veroordeeld om de verweersters te vergoeden voor de schade ver-oorzaakt door de strafbare feiten waaraan zij schuldig is verklaard, moet worden veroordeeld om hen de rechtsplegingsvergoedingen te betalen van beide aanleg-gen na afloop waarvan haar tegenstanders in het gelijk zijn gesteld.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 8 mei 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bij-stand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Van hoogenbemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Rechtsplegingsvergoeding

  • Beklaagde vrijgesproken in eerste aanleg maar veroordeeld in hoger beroep

  • Veroordeling tot de rechtsplegingsvergoedingen van beide instanties

  • Wettigheid