- Arrest van 16 mei 2013

16/05/2013 - C.11.0261.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het hoger beroep van een oorspronkelijke verweerder tegen een medeverweerder is niet ontvankelijk wanneer tussen hen geen geding aanhangig was voor de eerste rechter en het geschil niet onsplitsbaar is (1). (1) Zie Cass. 13 maart 1998, AR C.97.0039.F, AC 1998, nr. 140.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0261.F

FRANSE GEMEENSCHAP,

vertegenwoordigd door haar regering, in de persoon van de minister van Cultuur, Audiovisuele Sector, Gezondheid en Gelijke Kansen,

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN TE BRUSSEL,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. GEMEENSCHAPPELIJKE GEMEENSCHAPSCOMMISSIE VAN BRUSSEL-HOOFDSTAD, vertegenwoordigd door haar verenigd college, in de persoon van de voorzitter,

Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 30 juni 2010.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert de volgende twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 17, 18, 21, 1042, 1050, 1053 en 1054 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres tegen de verweerster niet-gegrond.

Die beslissing is gegrond op de volgende redenen :

"[De verweerster] betwist de ontvankelijkheid van het door de [eiseres] tegen haar ingestelde hoger beroep, op grond dat er tussen hen geen geding aanhangig was voor de eerste rechter - geen van beiden had haar conclusie rechtstreeks tegen de andere gericht - en dat het geschil onsplitsbaar (lees : splitsbaar) is, aangezien het strekt tot de betaling van een geldsom. Er moet immers worden vastgesteld dat [de eiseres], zowel voor het hof [van beroep] als voor de eerste rechter, geen enkele vordering tegen de [verweerster] heeft ingesteld en dat de oorspronkelijke vordering van de [verweerder] niet onsplitsbaar is, aangezien ze betrekking heeft op de veroordeling tot de betaling van een geldsom, hetzij van alle [partijen die oorspronkelijk] verweerster [waren], hoofdelijk of in solidum, hetzij van één partij indien de andere in gebreke blijft".

Grieven

I. Luidens artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechtsvordering niet worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen. Dat belang moet een reeds verkregen en dadelijk belang zijn (artikel 18 van hetzelfde wetboek). Die beginselen zijn van toepassing op de uitoefening van een rechtsmiddel en in het bijzonder op de uitoefening van het hoger beroep (artikelen 21, 1042, 1050, 1053 en 1054 van het Gerechtelijk Wetboek). Een partij kan dus geen hoger beroep tegen een andere partij instellen indien er tussen die partijen geen geding aanhangig was voor de eerste rechter en het geschil niet onsplitsbaar is.

Opdat een partij hoger beroep kan instellen tegen een andere partij die, net als haar, bij het geding voor de eerste rechter betrokken was, is vereist maar voldoende dat er tussen die twee partijen een geding aanhangig was in eerste aanleg en dat zij tegen elkaar conclusie hebben genomen, wat geenszins inhoudt dat een van hen gevorderd heeft om de andere te veroordelen tot de uitvoering van een prestatie of de betaling van een geldsom die haar ten goede komt.

Er is tussen de partijen reeds een geding aanhangig wanneer zij in het kader van een onderliggend geschil tegengestelde belangen te verdedigen hebben.

II. Te dezen blijkt uit de stukken van de rechtspleging dat de verweerder, voor de eerste rechter, de veroordeling vorderde van de eiseres, van de verweerster alsook van het Waals Gewest en van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, tot betaling van bepaalde bedragen als vergoeding voor de kosten van onderhoud en behandeling van behoeftigen die lijden aan zogenaamd "sociale" ziekten, welke opgesomd worden in artikel 3 van de wet van 27 juni 1956 betreffende het Speciaal Onderstandsfonds.

De eiseres heeft voor de rechtbank van eerste aanleg de volgende conclusie genomen:

"De door [de verweerder] gevorderde kosten moeten [...] worden verdeeld volgens het onderstandsdomicilie van de betrokken patiënten. Indien dat domicilie gelegen is in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zullen alle in artikel 3 van de wet van 27 juni 1956 bedoelde kosten door [de verweerster] zelf gedragen moeten worden. Er bestaat immers geen enkel criterium op grond waarvan de in het tweetalige Brussels Hoofdstedelijk Gewest gedomicilieerde personen tot een van de twee grote gemeenschappen gerekend kunnen worden. Nog essentiëler is het feit dat een dergelijk criterium - of het nu is vastgelegd in een wet, een decreet of een rechterlijke beslissing - ongrondwettelijk zou zijn. Het feit dat een Brusselse patiënt Franstalig is, verantwoordt met andere woorden niet dat de Franse Gemeenschap voor hem bevoegd zou worden verklaard.

De overheid die exclusief bevoegd is voor een Brusselse patiënt, is de [verweerster]. Laatstgenoemde is immers exclusief bevoegd voor persoonsgebonden aangelegenheden die onder de exclusieve territoriale bevoegdheid van één enkele gemeenschap vallen. [De verweerster] blijkt dus de bevoorrechte gesprekspartner van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn te zijn wanneer ze de terugbetaling vorderen van de behandelings- en onderhoudskosten van een patiënt die in het tweetalige gebied van Brussels Hoofdstad is gedomicilieerd.

Het geschil heeft te dezen betrekking op de terugbetaling van de kosten van behan-deling en onderhoud van alle patiënten die gedomicilieerd zijn in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Hieruit volgt dat de door [de verweerder] gevorderde facturen uitsluitend door [de verweerder] ten laste moesten worden genomen".

De verweerster heeft voor dezelfde rechtbank dezelfde conclusie genomen:

"In dit geval wordt niet betwist dat, enerzijds, [bepaalde] dossiers [...] patiënten betreffen die zijn opgenomen in instellingen op het grondgebied van het Waalse Gewest en dat, anderzijds, [andere] dossiers [...] patiënten betreffen die zijn opgenomen in het universitair ziekenhuis Erasmus, dat volledig onder de regeling van de Franse Gemeenschap valt [...]. Uit alle voorgaande overwegingen blijkt onomstotelijk dat de [verweerster] niet de minste bevoegdheid heeft in al die dossiers, aangezien zij alleen kan bijdragen in de kosten van een instelling die én op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelegen is én onder de bevoegdheid van de twee gemeenschappen valt [...]. De tegen haar ingestelde vordering is dus absoluut niet gegrond [...]. Uit dezelfde overwegingen blijkt evenwel te kunnen worden afgeleid dat het Waalse Gewest bevoegd moet worden verklaard voor de dossiers uit de eerste groep [...]. Voor de dossiers uit de tweede groep schijnt de [eiseres] bevoegd te zijn, aangezien het universitair ziekenhuis Erasmus onder haar exclusieve bevoegdheid valt".

Zo blijkt uit de stukken van de rechtspleging dat het onderliggende geschil tussen de eiseres en de verweerster betrekking had op de vraag welke van die twee overheidsinstellingen de in artikel 3 van de wet van 27 juni 1956 bepaalde kosten voor haar rekening moest nemen. Beide partijen concludeerden dat de verweerder die kosten alleen van de andere partij kon terugvorderen.

Bijgevolg hebben de eiseres en de verweerster in eerste aanleg tegen elkaar conclusie genomen en was er tussen beiden dus een geding aanhangig voor de eerste rechter.

Het arrest, dat het hoger beroep van de eiseres tegen de verweerster niet-ontvankelijk verklaart om de reeds aangehaalde redenen en, inzonderheid, omdat er "tussen [die partijen] geen geding aanhangig was voor de eerste rechter", miskent derhalve het begrip geding tussen de partijen, op grond waarvan een van de partijen een rechtsmiddel tegen de andere kan instellen (schending van alle in de aanhef van het middel opgesomde wettelijke bepalingen).

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 3, inzonderheid 6°, van decreet II van 19 juli 1993 tot toekenning van de uitoefening van sommige bevoegdheden van de Franse Gemeenschap aan het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie;

Voor zover nodig :

- artikel 59quinquies van de Grondwet, thans artikel 138 van de gecoördineerde Grondwet, zoals het van toepassing was op 19 juli 1993 ;

- artikel 5, § 1, I, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

Aangevochten beslissingen

Het arrest stelt vast dat "[de verweerder] de kosten heeft gedragen van de ziekenhuisopname van behoeftige patiënten wier onderstandsdomicilie in het gebied van Brussel Hoofdstad gelegen is en die zijn opgenomen in verzorgingsinstellingen die hetzij in het Waalse Gewest, hetzij - zoals in dit geval - in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad gelegen zijn, met name in het universitair ziekenhuis Erasmus", en dat "de oorspronkelijke vordering strekte tot terugbetaling van de in dat ziekenhuis gemaakte kosten".

en "bevestigt het vonnis van de eerste rechter, in zoverre hij de vordering tot ge-dwongen tussenkomst [van de verweerder] tegen de eiseres ontvankelijk verklaart, en veroordeelt [de eiseres] om [aan de verweerder] een bedrag van 3.679 euro te betalen, vermeerderd met de moratoire interest die sinds de dagvaarding is vervallen, tot de algehele betaling, en in de kosten die hij vaststelt", en veroordeelt de eiseres om aan de verweerder en de verweerster de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep te betalen.

Die beslissing is gegrond op de volgende redenen :

"De wet van 27 juni 1956 betreffende het Speciaal Onderstandsfonds heeft een fonds ingesteld om de kosten terug te betalen van het onderhoud en de behandeling van behoeftigen die lijden aan zogenaamd ‘sociale' ziekten, welke beperkend worden opgesomd in artikel 3 van die wet (krankzinnigheid, kwalen van tuberculeuze of kankerachtige oorsprong). In concreto betaalde het fonds aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn alle bedragen terug die ze zelf hadden betaald.

Dat fonds werd vroeger beheerd door de federale Staat. Sinds de eerste hervorming van de instellingen in 1980 bepaalt artikel 128, § 1, van de Grondwet echter dat de parlementen van de Franse Gemeenschap en de Vlaamse Gemeenschap bij decreet, elk voor zich, ‘de persoonsgebonden aangelegenheden' regelen zoals ze zullen worden vastgelegd in een bijzondere wet. Artikel 5, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen beschouwt de volgende aangelegenheid als een ‘persoonsgebonden aangelegenheid' : ‘I. Wat het gezondheidsbeleid betreft: 1° het beleid betreffende de zorgenverstrekking in en buiten de verplegingsinrichtingen' (met uitzondering van de aangelegenheden opgesomd in de punten a) tot g), waarop het geschil geen betrekking heeft). Volgens het [arrest] van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 februari 1992 betreffende de betaling van de kosten van onderhoud en behandeling van personen die lijden aan poliomyelitis of blauwziekte of nierinsufficiëntie valt de betaling van de verzorgingskosten van dergelijke ziekten door een publiekrechtelijk rechtspersoon hoofdzakelijk onder de gezondheid en meer bepaald onder het gezondheidsbeleid in en buiten de verzorgingsinstellingen (C.E., nr. 44.681/III-9-1129 van 7 februari 1992, p. 8). Bijgevolg kan, om dezelfde redenen, ervan worden uitgegaan dat de vroegere bevoegdheden van de federale wetgever zijn overgedragen aan de gemeenschappen.

Sinds die hervorming van de instellingen oefent de Vlaamse Gemeenschap die bevoegdheid dus uit in het Vlaamse taalgebied.

De [eiseres] werd dus verondersteld die bevoegdheid in het Franse taalgebied uit te oefenen. Bij decreet van de Franse Gemeenschap van 19 juli 1993 tot toekenning van de uitoefening van sommige bevoegdheden van de Franse Gemeenschap aan het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie, genomen met toepassing van artikel 138 van de Grondwet, heeft de Franse Gemeenschap alle bevoegdheden inzake gezondheidsbeleid overgedragen aan het Waalse Gewest en aan de voormelde commissie, het eerste op het grondgebied van het Franse taalgebied en de tweede op het grondgebied van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, ‘met uitzondering van de universitaire ziekenhuizen, van het "Centre hospitalier de l'Université de Liège" (Ziekenhuiscentrum van de Universiteit Luik), van de Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België, van wat behoort tot de opdrachten die zijn toegewezen aan de "Office de la Naissance et de l'Enfance" (O.N.E.) (Dienst voor geboorte en kinderwelzijn van de Franse Gemeenschap), van de gezondheidsopvoeding, van de activiteiten en diensten inzake preventieve geneeskunde en van het medisch schooltoezicht' (artikel 3, 6°, van het decreet) (artikel 3, 6°, van het decreet) [...].

Aangezien de [verweerder] kennelijk de hoedanigheid en het belang heeft om in rechte op te treden, is haar oorspronkelijke vordering ontvankelijk.

De vordering is ook gegrond met toepassing van artikel 3 van het voormelde de-creet van 19 juli 1993. Die wettelijke bepaling regelt immers de overdracht van het gehele, in artikel 5, § 1, van de bijzondere wet bedoelde gezondheidsbeleid aan de twee daarin bepaalde overheden, met uitzondering van de universitaire ziekenhuizen op het grondgebied van de [eiseres].

De bewoordingen van die bepaling laten geen ruimte om haar in die zin uit te leg-gen dat de [eiseres], wat betreft de universitaire ziekenhuizen, nog slechts bevoegd zou zijn voor de onderwijsopdrachten van die ziekenhuizen. Het gezondheidsbeleid is immers in zijn geheel overgedragen.

De litigieuze ziekenhuiskosten vallen dus ten laste van de [eiseres], aangezien zij zijn gemaakt in het Erasmus-ziekenhuis [...].

Krachtens artikel 128, § 1, van de Grondwet is de [eiseres] bevoegd om, bij decreet, de persoonsgebonden aangelegenheden te regelen die, overeenkomstig die grondwettelijke bepaling, zijn omschreven in de voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980, waaronder dus ook het verzorgingsbeleid binnen en buiten de verzorgingsinstellingen.

Door het verzorgingsbeleid niet over te dragen aan het Waalse Gewest of aan de Franse Gemeenschapscommissie, met name ingeval die verzorging plaatsvindt in de universitaire ziekenhuizen, heeft de [eiseres] alleen maar een bevoegdheid behouden die haar was toegekend door de bevoegdheidsverdelende regels".

Grieven

Overeenkomstig artikel 59quinquies van de Grondwet, thans artikel 138 van de gecoördineerde Grondwet, kunnen de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest akkoorden sluiten krachtens welke bepaalde bevoegdheden van de Franse Gemeenschap worden overgedragen aan het Gewest. Dergelijke akkoorden kunnen ook met het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest gesloten worden, met dien verstande dat de door de Franse Gemeenschap overgedragen bevoegdheden in dat gewest aan de gemeenschapscommissies worden toevertrouwd.

Krachtens artikel 59quinquies van de Grondwet heeft het decreet II van 19 juli 1993 van de Franse Gemeenschapsraad tot toekenning van de uitoefening van sommige bevoegdheden van de Franse Gemeenschap aan het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie enerzijds aan het Gewest en anderzijds aan de Franse Gemeenschapscommissie alle bevoegdheden van de Franse Gemeenschap inzake gezondheidsbeleid overgedragen, "met uitzondering van de universitaire ziekenhuizen, van het ‘Centre hospitalier de l'Université de Liège' (Ziekenhuiscentrum van de Universiteit Luik), van de Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België, van wat behoort tot de opdrachten die zijn toegewezen aan de ‘Office de la Naissance et de l'Enfance' (O.N.E.) (Dienst voor geboorte en kinderwelzijn van de Franse Gemeenschap), van de gezondheidsopvoeding, van de activiteiten en diensten inzake preventieve geneeskunde en van het medisch schooltoezicht" (artikel 3, 6°, van het decreet).

Volgens de memorie van toelichting in het voorstel van decreet, « la Communauté française conserve les compétences essentiellement communautaires qui lui ont été attribuées par le constituant de 1970, soit la culture (soit, au sens de l'article 4 de la loi spéciale du 8 août 1980, la défense et l'illustration de la langue, l'encouragement à la formation des chercheurs, les beaux-arts, le soutien à la presse écrite, le patrimoine culturel [...]), l'audiovisuel et l'enseignement, hormis le transport scolaire. Elle conserve naturellement les matières qui s'articulent avec l'enseignement (éducation sanitaire, médecine préventive, inspection médicale scolaire) et la politique de la jeunesse.

L'Office de la naissance et de l'enfance reste communautaire, de même que l'Académie royale de médecine de Belgique, les hôpitaux universitaires et le Centre hospitalier de l'Université de Liège.

Il n'est pas inutile de rappeler qu'avec l'aide aux personnes, la politique de la santé ne fut rangée parmi les compétences des communautés qu'en 1980. En effet, la loi du 1er août 1974 créant des institutions régionales à titre préparatoire à l'application de l'article 107quater de la Constitution rangeait les matières personnalisables parmi les compétences régionales.

Les hôpitaux universitaires sont les hôpitaux Erasme, Bordet, Saint-Luc et l'hôpital de Mont-Godinne, le Centre hospitalier de l'Université de Liège qui, de par leur lien avec l'enseignement, restent de la compétence de la Communauté française ».

Aldus blijkt uit die parlementaire voorbereiding dat artikel 3, 6°, van het voormelde decreet van 19 juli 1993, dat "de universitaire ziekenhuizen" uitsluit uit de bevoegdheden die, naar gelang van het geval, zijn overgedragen aan het Waalse Gewest of aan de gemeenschapscommissies, alleen betrekking had op de onderwijsopdrachten van de universitaire ziekenhuizen en niet op de aangelegenheden van het verzorgingsbeleid, bedoeld in artikel 5, § 1, I, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

Alle aangelegenheden betreffende het verzorgingsbeleid in de universitaire ziekenhuizen zijn dus krachtens artikel 3, 6°, van het voormelde decreet, naar gelang van het geval, overgedragen aan het Gewest of aan de gemeenschapscom-missies.

Het arrest, dat beslist dat de uitzondering ten aanzien van universitaire ziekenhuizen, bepaald in artikel 3, inzonderheid 6°, van dat decreet, niet beperkt is tot de onderwijsopdrachten van die ziekenhuizen maar ook betrekking heeft op het verzorgingsbeleid, en dat op grond van die uitlegging van het voormelde artikel 3, 6°, beslist dat de litigieuze ziekenhuiskosten van het universitair ziekenhuis Erasmus, dat gelegen is in een van de negentien gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, door de eiseres ten laste moeten worden genomen, schendt dat artikel en de andere, in de aanhef van het middel bedoelde bepalingen.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Het hoger beroep van een oorspronkelijke verweerder tegen een medeverweerder is niet ontvankelijk wanneer tussen hen geen geding aanhangig was voor de eerste rechter en het geschil niet onsplitsbaar is.

Het arrest beslist, zonder bekritiseerd te worden, dat het geschil niet onsplitsbaar is.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweerster en de eiseres geen enkele vordering tegen elkaar hebben ingesteld voor de eerste rechter en dat laatstgenoemde tegen geen van die partijen een veroordeling heeft uitgesproken die de andere partij ten goede komt.

Uit de omstandigheid dat een partij de tegen haar ingestelde vordering heeft aan-gevochten, op grond dat die vordering uitsluitend betrekking had op een mede-verweerder, kan niet worden afgeleid dat die partij tegen die verweerder conclusie heeft genomen en dat er tussen hen een geding aanhangig was voor de eerste rech-ter.

Aangezien er tussen de eiseres en de verweerster geen geding aanhangig was voor de eerste rechter, verantwoordt het arrest naar recht zijn beslissing dat het hoger beroep van eerstgenoemde tegen laatstgenoemde niet ontvankelijk is.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Artikel 3, 6°, van het decreet II van 19 juli 1993 van de Franse Gemeenschapsraad tot toekenning van de uitoefening van sommige bevoegdheden van de Franse Gemeenschap aan het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie, uit-gevaardigd ter uitvoering van artikel 59quinquies, eerste lid, van de Grondwet, thans artikel 138, eerste lid, van de gecoördineerde Grondwet, bepaalt dat het Ge-west en de Franse Gemeenschapscommissie, het eerste op het grondgebied van het Frans taalgebied en de tweede op het grondgebied van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, de bevoegdheden van de Gemeenschap in de volgende aange-legenheden uitoefenen: 6° het gezondheidsbeleid, bedoeld in artikel 5, § 1, I, van de Bijzondere Wet, met uitzondering van de universitaire ziekenhuizen.

De uitzondering van de universitaire ziekenhuizen houdt in dat de eiseres nog steeds volledig bevoegd is voor het gezondheidsbeleid ten aanzien van die zie-kenhuizen.

Het middel, dat aanvoert dat de uitsluiting van de universitaire ziekenhuizen uit de overgedragen bevoegdheden alleen betrekking heeft op de onderwijsopdrachten van de universitaire ziekenhuizen en niet op de verzorging die onder het gezondheidsbeleid valt, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Michel Lemal en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 16 mei 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Hoger beroep van een oorsponkelijke verweerder tegen een medeverweerder

  • Ontvankelijkheid