- Arrest van 17 mei 2013

17/05/2013 - F.12.0093.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De mogelijkheid de registratie van een onroerend goed in de inventaris van de leegstaande bedrijfsruimten aan te vechten op grond van artikel 7 Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten en artikel 569, eerste lid, 32°, Gerechtelijk Wetboek sluit uit dat wanneer de heffingsplichtige die mogelijkheid niet heeft benut of ze tevergeefs heeft uitgeput, de rechter die op grond van artikel 26, §4, Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten en artikel 569, eerste lid, 32°, Gerechtelijk Wetboek kennis neemt van het tegen de heffing ingediende bezwaar, nog uitspraak doet over de wettigheid van de registratie op grond waarvan de heffing is vastgesteld (1). (1) Zie de conclusie van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0093.N

VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de per-soon van de minister-president, met kabinet te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, en de minister van Financiën, met kantoor te 1020 Brussel, Koning Albert II-laan 19,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. H.H.,

2. A.D.P.,

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de ver-weerders woonplaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 16 februari 2012.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 18 januari 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen, 23, 24, 25, 569, eerste lid, 32°, 1385decies en 1385undecies Ge-rechtelijk Wetboek;

- de artikelen 2.3°, 3, § 1, 5, 7, 8, § 1 en § 3, 15, § 1en § 2, 26, § 3 en § 7 van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten (hieronder afgekort als Leegstandsdecreet),

- voor zoveel als nodig, de artikelen 4, 7 en 8 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten (hieronder afgekort als Uitvoeringsbesluit Leegstandsdecreet).

Aangevochten beslissing

In de bestreden beslissing verklaart het hof van beroep, recht sprekend over de oorspronkelijke vordering van de verweerders tot vernietiging van de heffing voor het heffingsjaar 2002, het hoger beroep van de verweerders in de volgende mate gegrond. Het hof van beroep vernietigt de heffing voor het heffingsjaar 2002 en beveelt de terugbetaling van alle sommen die ten onrechte op de vernietigde heffing werden geïnd, vermeerderd met de moratoire interest. Het neemt die beslissing op grond van alle vaststellingen en motieven waarop zij steunt en die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen en in het bijzonder de volgende:

"a.2. Wat de registratie van de bedrijfsruimte en de vier registratieattesten betreft

[De eiser] wijst erop dat [de verweerders] laattijdig het georganiseerde administratief beroep tegen de registratie van de bedrijfsruimte hebben ingesteld, hetgeen de onontvankelijkheid van het administratief beroep, alsook van de daarop volgende vordering in rechte tot gevolg had.

Volgens [de eiser] menen [de verweerders] dan ook ten onrechte dat zij in het kader van onderhavige procedure inzake de heffing voor het heffingsjaar 2002 alsnog over de mogelijkheid beschikken om de rechtsgeldigheid van de registratie van de bedrijfsruimte te kunnen betwisten. Daardoor miskennen [de verweerders] niet alleen de vervaltermijn en de vormvoorschriften, zoals terug te vinden in artikel 7 van het decreet en in de artikelen 1385decies en 1385undecies Gerechtelijk Wetboek, maar ook het gezag van gewijsde van het vonnis van 14 maart 2006.

Met reden verwijzen [de verweerders] evenwel naar de rechtspraak van de Raad van State (meer bepaald het zg. Interbrewarrest van 18 maart 2002, nr. 104.809, R.W. 2002¬ 2003, 778; T.B.P. 2003, 352), waaruit voortvloeit dat de registratie een louter voorbereidende handeling is, en geenszins een administratieve rechtshandeling. Dit houdt volgens de Raad van State in dat de mogelijke onregelmatigheden waarmee zij zou aangetast zijn, ontvankelijk kunnen worden aangevoerd in een beroep tot nietigverklaring van de eindbeslissing.

Nu in deze de opeenvolgende inventarisatie van de bedrijfsruimte het belastbaar feit vormt (en dus niet de leegstand of verwaarlozing op zich), en bijgevolg de grondslag van de heffing, dient te worden aangenomen dat - in het geval betwisting wordt gevoerd over de heffing als dusdanig - er over de inventarisatie (en meer bepaald over de correctheid daarvan) evenzeer betwisting kan worden gevoerd, zodat, in tegenstelling tot hetgeen [de eiser] voorhoudt, deze inventarisatie geenszins als definitief onbetwistbaar te beschouwen is.

Het is dus enkel in het kader van de betwisting van de heffing, dat de onregelmatigheid van de registratie kan worden aangevoerd. Het gezag van gewijsde van het vonnis van 14 maart 2006 van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (A.R. nr. 2004/6291/A), (waarbij [de verweerders] de beslissing van de gemachtigde ambtenaar van 10 februari 2004, waarbij hun administratief beroep tegen de registratie voor het jaar 2003 "en eigenlijk tegen alle voorgaande" onontvankelijk werd verklaard, aanvochten, maar waarbij hun vorderingen onontvankelijk werden verklaard) verzet er zich tegen dat [de verweerders] nogmaals - los van de betwisting van de heffing - de nietigverklaring van de regi-stratieattesten vragen."

(zesde en zevende blad van het arrest).

Grieven

1. Eerste onderdeel

1.1. Overeenkomstig artikel 2, 3°, Leegstandsdecreet is sprake van een geheel of gedeeltelijk leegstaande bedrijfsruimte vanaf het ogenblik dat meer dan vijftig procent van de totale vloeroppervlakte van de bedrijfsgebouwen niet effectief wordt benut.

Ook luidens artikel 4, Uitvoeringsbesluit Leegstandsdecreet wordt een bedrijfsruimte als leegstaand beschouwd vanaf het ogenblik dat meer dan vijftig procent van de totale vloeroppervlakte van de bedrijfsgebouwen niet effectief benut wordt.

Overeenkomstig artikel 3, § 1, Leegstandsdecreet stelt elke gemeente een lijst op van de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten, gelegen op haar grondgebied, die als basis zal dienen voor de inventaris. Deze lijst wordt elk jaar met de geactualiseerde gegevens aan het agentschap RO-Vlaanderen van het Vlaams Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed (voorheen "de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap") opgestuurd onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse regering.

Luidens artikel 7, Uitvoeringsbesluit Leegstandsdecreet besluit het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoeddepartement (voorheen "het agentschap" en daarvoor "de administratie") na de ontvangst van de lijsten tot al dan niet registratie in de inventaris.

1.2. Krachtens artikel 5, Leegstandsdecreet betekent het agentschap RO-Vlaanderen van het Vlaams Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed (voorheen "de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap") na de officiële registratie van een onroerend goed een registratieattest aan de eigenaar(s) van het geregistreerde goed.

Overeenkomstig artikel 8, Uitvoeringsbesluit Leegstandsdecreet gebeurt die betekening binnen een termijn van vijftien kalenderdagen na de officiële registratie, via een aangetekend schrijven. Het registratieattest vermeldt de motivering van de registratie, de datum van de opname, de beroepsmogelijkheid en het heffingsbedrag bij in gebreke blijven.

Luidens artikel 7, Leegstandsdecreet kan de eigenaar van de geregistreerde ruimte binnen dertig kalenderdagen na betekening van het registratieattest, zoals bedoeld in artikel 5, met een aangetekende brief beroep aantekenen bij de Vlaamse regering tegen deze registratie.

Luidens artikel 8, § 1, Leegstandsdecreet doet de Vlaamse regering binnen een welbepaalde termijn uitspraak over het beroep tegen de registratie.

Het beroep tegen de registratie werkt opschortend, maar als het verworpen wordt, heeft de registratie uitwerking vanaf de datum vermeld op het oorspronkelijke registratieattest, aldus artikel 8, § 3, Leegstandsdecreet.

1.3. Artikel 15, § 1, Leegstandsdecreet bepaalt dat een jaarlijkse heffing wordt ingevoerd ten voordele van het Vernieuwingsfonds op de onroerende goederen die opgenomen zijn in de inventaris. De heffing wordt ingevoerd vanaf het kalenderjaar dat volgt op de tweede opeenvolgende registratie in de Inventaris voor geheel of gedeeltelijk verlaten of verwaarloosde bedrijfsruimten, zijnde het aanslagjaar. De heffing heeft betrekking op het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de heffing wordt betekend, zijnde het heffingsjaar.

Krachtens de tweede paragraaf van artikel 15 Leegstandsdecreet komt de heffing ten laste van diegene die op 1 januari van het aanslagjaar eigenaar is van de aan de heffing onderworpen onroerende goederen. Als er meerdere eigenaars voor dezelfde onroerende goederen zijn, zijn die hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele heffing.

Op grond van artikel 26, § 3 (voorheen artikel 26, § 4) Leegstandsdecreet kan de persoon op wiens naam de heffing in het kohier is ingeschreven, binnen een welbepaalde termijn tegen die heffing een bezwaarschrift indienen bij de ambtenaar, deel uitmakend van de Vlaamse Belastingsdienst, daartoe aangewezen door de Vlaamse regering (voorheen bij "de ambtenaar van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, daartoe aangewezen door de Vlaamse regering").

De vestiging en de inning van de heffing worden als niet bestaande beschouwd als het beroep inzake de registratie in de inventaris, zoals bepaald in artikel 7, wordt ingewilligd, zo luidt artikel 26, § 7, voorheen artikel 26, § 8, Leegstandsdecreet.

1.4. Krachtens artikel 569, eerste lid, 32°, Gerechtelijk Wetboek neemt de rechtbank van eerste aanleg kennis van geschillen betreffende de toepassing van een belas-tingwet.

Luidens artikel 1385decies, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek wordt de vordering inzake die geschillen ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak.

Op grond van artikel 1385undecies, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek wordt de vordering inzake die geschillen slechts toegelaten indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld.

Krachtens het tweede lid van artikel 1385undecies Gerechtelijk Wetboek moet de vordering worden ingesteld uiterlijk binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing met betrekking tot het administratief verhaal.

1.5. Uit de samenlezing van de hierboven onder 1.1 t.e.m. 1.4. beschreven wettelijke bepalingen volgt dat de eigenaar die tegen de registratie van zijn onroerend goed in de inventaris niet tijdig beroep heeft ingesteld overeenkomstig artikel 7 Leegstandsdecreet, de onregelmatigheid van die registratie niet meer op ontvankelijke wijze kan aanvoeren voor de rechtbank van eerste aanleg, ook niet in het kader van een gerechtelijk beroep tegen de op die registratie gesteunde heffing.

Vooreerst zou de mogelijkheid de regelmatigheid van de registratie nog aan te vechten voor de rechtbank van eerste aanleg aan artikel 7 Leegstandsdecreet en de daarin bepaalde beroepstermijn elke zin worden ontnomen.

Indien bij afwezigheid van een tijdig administratief beroep overeenkomstig artikel 7 Leegstandsdecreet, over de registratie nog betwisting zou kunnen worden gevoerd in het kader van een gerechtelijk beroep tegen de heffing, zou bovendien afbreuk worden gedaan aan de in artikel 1385undecies, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek geformuleerde regel dat de vordering inzake de geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet slechts wordt toegelaten indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld.

De rechtspraak van de Raad van State waarnaar het hof van beroep verwijst, volgens dewelke de registratie een louter voorbereidende handeling is, zonder onmiddellijke nadelige gevolgen, waarvan de eventuele onregelmatigheden enkel ontvankelijk kunnen worden aangevoerd in een beroep tot nietigverklaring tegen de eindbeslissing, verandert daaraan niets.

Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de opeenvolgende registratie van de bedrijfsruimte het belastbaar feit of de grondslag van de heffing vormt.

Over de registratie van een bedrijfsruimte in de inventaris kan door de eigenaar immers wel degelijk betwisting worden gevoerd, precies door het instellen van een beroep overeenkomstig artikel 7 Leegstandsdecreet. Wanneer dat beroep wordt ingewilligd, wordt de vestiging en de inning van de heffing als niet bestaande beschouwd. Wordt het niet ingewilligd, dan kan de eigenaar de registratie van zijn bedrijfsruimte betwisten voor de rechtbank van eerste aanleg.

1.6. Op het derde blad van het bestreden arrest stelt het hof van beroep vast dat:

- de verweerders op 4 februari 2004 bezwaar aantekenden tegen de registratieattesten die hen waren overgemaakt op respectievelijk 21 april 2001, 30 april 2002 en 9 mei 2003,

- dit bezwaar bij beslissing van de gemachtigde ambtenaar van 10 februari 2004 onontvankelijk werd verklaard,

- ook de vordering in rechte tegen die beslissing onontvankelijk werd verklaard bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 14 maart 2006.

Op het zesde blad, eerste en tweede alinea, van het arrest geeft het hof van beroep het standpunt van de eiser weer. Zo wees de eiser erop dat de verweerders het georganiseerde administratief beroep tegen de registratie van de bedrijfsruimte laattijdig hebben ingesteld, hetgeen de onontvankelijkheid van het administratief beroep en de daaropvolgende vordering in rechte tot gevolg had. Volgens de eiser meenden de verweerders dan ook ten onrechte dat zij in het kader van onderhavige procedure inzake de heffing voor het heffingsjaar 2002 alsnog over de mogelijkheid beschikten om de rechtsgeldigheid van de registratie van de bedrijfsruimte te kunnen betwisten.

Het hof van beroep overweegt dat de verweerders echter met reden verwijzen naar de rechtspraak van de Raad van State waaruit voortvloeit dat de registratie een louter voorbereidende handeling is, en geen administratieve rechtshandeling, wat volgens de Raad van State inhoudt dat de mogelijke onregelmatigheden waarmee de registratie zou zijn aangetast, ontvankelijk kunnen worden aangevoerd in een beroep tot nietigverklaring van de eindbeslissing.

Aangezien de opeenvolgende inventarisatie van de bedrijfsruimte het belastbaar feit vormt (en dus niet de leegstand of verwaarlozing op zich), en bijgevolg de grondslag van de heffing, moet volgens het hof van beroep worden aangenomen dat - in het geval betwisting wordt gevoerd over de heffing als dusdanig - er over de inventarisatie (en meer bepaald over de correctheid daarvan) evenzeer betwisting kan worden gevoerd.

Door op die overwegingen te beslissen dat de inventarisatie, in tegenstelling tot hetgeen de eiser voorhoudt, geenszins te beschouwen is als definitief onbetwistbaar en dat de onregelmatigheid van de registratie wel degelijk kan worden aangevoerd in het kader van de betwisting van de heffing, verantwoordt het hof van beroep zijn beslissing niet naar recht.

Conclusie

Het hof van beroep verklaart het hoger beroep van de verweerders, in zover het betrekking heeft op hun oorspronkelijke vordering met betrekking tot de heffing voor het heffingsjaar 2002, niet wettig gegrond, het vernietigt niet wettig de heffing voor het heffingsjaar 2002, gevestigd onder kohier artikel 1020100232, uitvoerbaar verklaard op 20 augustus 2003 en beveelt niet wettig de terugbetaling door de eiser van alle sommen die ten onrechte op de vernietigde heffing werden geïnd, vermeerderd met de moratoire interest (schending van de artikelen 569, eerste lid, 32°, 1385decies en 1385undecies Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 2.3°, 3, § 1, 5, 7, 8, § 1 en § 3, 15, § 1en § 2, 26, § 3 en § 7, Leegstandsdecreet en van de artikelen 4, 7 en 8 Uitvoeringsbesluit).

2. Tweede onderdeel

2.1. Uit het bestreden arrest blijkt dat de registratieattesten voor de jaren 2001, 2002 en 2003 op respectievelijk 21 april 2001, 30 april 2002 en 9 mei 2003 aan de verweerders werden overgemaakt, dat de verweerders tegen die diverse registratieattesten bezwaar aantekenden op 4 februari 2004, dat dit bezwaar bij beslissing van de gemachtigde ambtenaar van 10 februari 2004 onontvankelijk werd verklaard en dat de door de verweerders ingestelde vorderingen in rechte tegen die beslissing onontvankelijk werden verklaard bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 14 maart 2006 (blz. 3, van het arrest).

Zoals het hof van beroep vaststelt, voerde de eiser in zijn regelmatig genomen conclusies aan dat de verweerders laattijdig het georganiseerde administratief beroep tegen de registratie van de bedrijfsruimte hebben ingesteld, hetgeen de onontvankelijkheid van het administratief beroep, alsook van de daarop volgende vorderingen in rechte tot gevolg had. De

eiser voerde aan dat de verweerders dan ook ten onrechte meenden dat zij in het kade van deze procedure m.b.t. de heffing voor het heffingsjaar 2002 alsnog over de mogelijkheid beschikten de rechtsgeldigheid van de registratie van de bedrijfsruimte te betwisten. Daardoor miskenden de verweerders volgens de eiser onder meer het gezag van gewijsde van het vonnis van 14 maart 2006 (blz. 6, eerste en tweede alinea, van het arrest).

2.2. Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich uit tot wat het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is, dat de vordering op dezelfde oorzaak berust, dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat, en dat zij door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid gedaan is, zo bepaalt artikel 23 Gerechtelijk Wetboek.

Iedere eindbeslissing heeft gezag van gewijsde vanaf de uitspraak, aldus artikel 24 Gerechtelijk Wetboek.

Artikel 25 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het gezag van gewijsde verhindert dat de vordering opnieuw wordt ingesteld.

Uit het feit dat het voorwerp en de oorzaak van een rechtsvordering waarover definitief is beslist, niet dezelfde zijn als die van een latere rechtsvordering tussen dezelfde partijen, volgt niet noodzakelijk dat die identiteit niet kan bestaan t.a.v. enige aanspraak of betwisting van een partij in beide instanties, noch dat de rechter, derhalve, een aanspraak kan aannemen, waarvan de grondslag onverenigbaar is met het vroegere gewijsde.

Gelet op de onontvankelijkverklaring, in het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 14 maart 2006, van het gerechtelijk beroep van de verweerders tegen de registratie van hun bedrijfsruimte voor het jaar 2003 en alle voorgaande jaren, vermocht het hof van beroep bijgevolg niet te beslissen, op straffe van schending van het gezag van gewijsde van dat vonnis, dat de verweerders de onregelmatigheid van de registratie van hun bedrijfsruimte voor het jaar 2003 en alle voorgaande jaren konden aanvoeren in het kader van de betwisting van de heffing.

2.3. Het hof van beroep beslist dat het gezag van gewijsde van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 14 maart 2006 (A.R. nr. 2004/6291/A), (waarbij de verweerders de beslissing van de gemachtigde ambtenaar van 10 februari 2004, waarbij hun administratief beroep tegen de registratie voor het jaar 2003 "en eigenlijk tegen alle voorgaande" onontvankelijk werd verklaard, aanvochten, maar waarbij hun vorderingen onontvankelijk werden verklaard) zich ertegen verzet dat de verweerders nogmaals - los van de betwisting van de heffing - de nietigverklaring van de registratieattesten vragen, maar het oordeelt dat de onregelmatigheid van de registratie wel kan worden aangevoerd in het kader van de betwisting van de heffing (blz. 7, van het arrest).

Door aldus aan te nemen dat het gezag van gewijsde van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 14 maart 2006 zich er niet tegen verzet dat de verweerders de onregelmatigheid van de registratie voor het jaar 2003 en alle voorgaande jaren aanvoeren in het kader van de betwisting van de heffing, miskent het hof van beroep het gezag van gewijsde van dat vonnis (schending van de artikelen 23, 24 en 25 Gerechtelijk Wetboek).

Conclusie

Het hof van beroep verklaart het hoger beroep van de verweerders, in zover het betrekking heeft op hun oorspronkelijke vordering met betrekking tot de heffing voor het heffingsjaar 2002, niet wettig gegrond; vernietigt niet wettig de heffing voor het heffingsjaar 2002, gevestigd onder kohier artikel 1020100232, uitvoerbaar verklaard op 20 augustus 2003 en beveelt niet wettig de terugbetaling door de eiser van alle sommen die ten onrechte op de vernietigde heffing werden geïnd, vermeerderd met de moratoire interesten (schending van de artikelen 23, 24 en 25 Gerechtelijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 5 van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, zoals te dezen van toepassing, hierna Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten, betekent de Administratie, na de officiële registratie van een onroerend goed in de inventaris van de leegstaande bedrijfsruimten, aan de eigenaar van het geregi-streerde goed een registratieattest.

Krachtens artikel 7 van dit decreet, kan de eigenaar van de geregistreerde ruimte, binnen de dertig kalenderdagen na de betekening, met een aangetekende brief be-roep aantekenen bij de Vlaamse regering tegen deze registratie.

2. Krachtens artikel 26, § 4, thans § 3, van dit decreet kan de persoon op wiens naam de heffing in het kohier is ingeschreven, binnen een bepaalde termijn, tegen deze heffing een bezwaarschrift indienen bij de ambtenaar van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, daartoe aangewezen door de Vlaamse regering.

Krachtens artikel 26, § 8, thans § 7, van dit decreet worden de vestiging en de in-ning van de hiervoor bedoelde heffing als niet bestaande beschouwd als het be-roep inzake de registratie in de inventaris, bepaald in artikel 7, wordt ingewilligd of als er geen uitspraak over wordt gedaan binnen de termijn.

3. De beslissingen genomen op het beroep tegen de registratie kunnen, evenals deze genomen op het bezwaar tegen de heffing krachtens artikel 569, eerste lid, 32°, Gerechtelijk Wetboek voor de rechtbank van eerste aanleg worden aange-vochten.

Krachtens artikel 1385undecies, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek wordt de vorde-ring inzake die geschillen slechts toegelaten indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld.

4. De mogelijkheid de registratie aan te vechten op grond van artikel 7 Leeg-standsdecreet Bedrijfsruimten en artikel 569, eerste lid, 32°, Gerechtelijk Wetboek sluit uit dat wanneer de heffingsplichtige die mogelijkheid niet heeft benut of ze tevergeefs heeft uitgeput, de rechter die op grond van artikel 26, § 4, Leegstands-decreet Bedrijfsruimten en artikel 569, eerste lid, 32°, Gerechtelijk Wetboek ken-nis neemt van het tegen de heffing ingediende bezwaar, nog uitspraak doet over de wettigheid van de registratie op grond waarvan de heffing is vastgesteld.

5. Het arrest stelt vast dat:

- de verweerders op 4 februari 2004 bezwaar hebben aangetekend tegen de regi-stratieattesten die hen op 21 april 2001, 30 april 2002 en 9 mei 2003 werden betekend voor respectievelijk 2001, 2002 en 2003;

- dit bezwaar bij beslissing van de gemachtigde ambtenaar van 10 februari 2004 onontvankelijk werd verklaard;

- het tegen die beslissing ingestelde beroep onontvankelijk werd verklaard bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 14 maart 2006.

6. De appelrechter die in het kader van de bezwaarprocedure tegen de voor het aanslagjaar 2003 vastgestelde leegstandsheffing uitspraak doet over de regelma-tigheid van de registratie op grond waarvan die heffing is vastgesteld, schendt de artikelen 7 en 26 Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten en de artikelen 569, eerste lid, 32°, en 1385undecies, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

7. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvanke-lijk verklaart en het de uitbreiding van de vordering van de verweerders als onge-grond afwijst.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 17 mei 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

B. Wylleman

F. Van Volsem

K. Mestdagh

A. Smetryns

E. Stassijns

Vrije woorden

  • Vlaams Gewest

  • Leegstandsheffing bedrijfsruimten

  • Inventaris van de leegstaande bedrijfsruimten

  • Registratie van een onroerend goed

  • Beroepsmogelijkheden