- Arrest van 23 mei 2013

23/05/2013 - C.11.0685.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de combinatie van de artikelen 1565, 1575 en 1577, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat onder de niet-ingeschreven schuldeisers enkel de schuldeisers die een beslag of een aan een beslag voorafgaand bevel hebben doen inschrijven op de dag van de vervreemding de niet-tegenwerpelijkheid ervan kunnen aanvoeren; daarbij is zonder belang dat het beslag het voorwerp heeft uitgemaakt van een bericht aan de beslaggriffie, of dat de hypotheekbewaarder met toepassing van artikel 1571 van het Gerechtelijk Wetboek geweigerd heeft het beslag over te schrijven, of nog dat de beslaglegger in de plaats is getreden tijdens een beslag op onroerend goed dat een eerste beslaglegger heeft ingeleid en dat werd overgeschreven vóór de vervreemding (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0685.F

J.-Ph. L.,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

FIRME CHARLES JAMAR & fils bvba,

Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie,

ten overstaan van

1. WINLAY bvba, e.a.

(...)

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 14 juli 2011, in zoverre het in laatste aanleg uitspraak doet.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 26 april 2013 een schriftelijke conclu-sie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- De artikelen 578, 1565,1575, 1577, 1578, 1579, 1582, 1584, 1586, 1609 en 1610 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis zegt dat het derdenverzet dat de vennootschappen Winlay en Carvimmo hebben ingesteld tegen de beschikking van 6 mei 2010 van de beslagrechter te Brussel niet gegrond is; het grondt die beslissing op alle redenen ervan die geacht worden hieronder integraal te zijn weergegeven, en inzonderheid op de onderstaande redenen:

"[...]

3. derdenverzet

De [vennootschappen Winlay en Carvimmo] hadden hoedanigheid en belang om derdenverzet in te stellen tegen de beschikking van 6 mei 2010 aangezien hun vordering tot onttrekking ontvankelijk was verklaard.

Het is echter niet langer gegrond vanaf de beslissing dat de verkoop niet aan [de verweerster] kan worden tegengeworpen en alle stappen die zij heeft gezet, worden bevestigd.

Daarom hoefde [de verweerster] geen melding te maken van de overschrijving van de verkoop zodra zij meende dat die verkoop haar niet kon worden tegengeworpen, zelfs in de onderstelling dat zij van het bestaan van de notariële verkoop op de hoogte was bij de neerlegging van het verzoekschrift, wat zelfs niet bewezen is.

Die vennootschap heeft in haar verzoekschrift de omstandigheden van de zaak in alle eerlijkheid uiteengezet."

Grieven

De verweerster heeft in het verzoekschrift van 29 april 2010 aan de beslagrechter te Brussel gevraagd om haar in de plaats te stellen in de vervolgingen die de mede-eigendom had ingeleid en om notaris G. B. opnieuw te belasten met de verkoop van het in beslag genomen goed en met de verrichtingen van rangregeling.

Bij beschikking van 6 mei 2010 (RR 10/2591/B) is die eis ingewilligd met een kantmelding op 22 juni 2010 op het kantoor der hypotheken.

Het gaat om de beschikking waarvan de vennootschappen Winlay en Carvimmo in derdenverzet subsidiair de intrekking hebben gevorderd.

Het bestreden vonnis heeft echter beslist dat de verkoop van het goed niet aan de verweerster kon worden tegengeworpen, en, bijgevolg, dat het derdenverzet niet gegrond was, zonder verder onderzoek van de middelen die de vennootschappen Winlay en Carvimmo hadden uiteengezet met betrekking tot de geldigheid van de indeplaatsstelling.

Met betrekking tot de omstandigheid dat de handelingen van vervreemding en van vestiging van hypotheek niet tegenwerpelijk zijn, bepaalt artikel 1577 van het Ge-rechtelijk Wetboek: "vanaf de dag van de overschrijving van het beslag of van het bevel, kunnen de handelingen van vervreemding of van vestiging van een hypo-theek, verricht door de schuldenaar op de onroerende goederen waarop beslag is gelegd of die in het bevel zijn aangeduid, niet ingeroepen worden tegen de in artikel 1575 bedoelde derden". Die derden zijn de schuldeisers die met goed gevolg de in artikel 1565 bedoelde overschrijving hebben gedaan, zijnde de overschrijving van het bevel.

Bijgevolg staat vast dat enkel de niet-ingeschreven schuldeisers die, op de dag van de vervreemding, het voorafgaande bevel of het beslagexploot hebben doen overschrijven, zich kunnen beroepen op de in artikel 1577 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde niet-tegenwerpelijkheid. De overige schuldeisers worden niet beschermd en de door de schuldenaar verrichte handelingen kunnen hen worden tegengeworpen.

In deze zaak werden echter noch het aan het beslag van 28 september 2009 voor-afgaand bevel, noch het beslagexploot van de verweerster overgeschreven vóór de verkoop van 12 maart 2010, die werd overgeschreven bij akte van 16 maart 2010. Bijgevolg is het door haar gelegde beslag voor de derden onzichtbaar gebleven.

De omstandigheid dat een eerste exploot van uitvoerend beslag op onroerend goed werd overgeschreven en dat de hypotheekbewaarder, bijgevolg, met toepassing van het adagium "saisie sur saisie ne vaut", geweigerd heeft een tweede beslagexploot over te schrijven, wijzigt geenszins de bovenvermelde beginselen.

Artikel 1571 van het Gerechtelijk Wetboek staat immers slechts één enkele over-schrijving van uitvoerend beslag op onroerend goed toe. De eerste vervolgende partij is meester van de procedure tot aan de melding van de aanmaning om inzage te nemen van de verkoopsvoorwaarden (artikel 1584, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek), maar elk stilzitten dat de belangen van de andere schuldeisers kan schaden kan via indeplaatsstelling worden bestreden (artikel 1610 van het Ge-rechtelijk Wetboek). Het staat de overige schuldeisers vrij een bevel of een exploot van uitvoerend beslag op onroerend goed te doen overschrijven als zij aanspraak willen maken op de gevolgen van de onbeschikbaarheid en betrokkenheid bij de procedure.

De verweerster was geenszins gerechtigd om zich, na de beschikking van inde-plaatsstelling van 6 mei 2010, te beroepen op de bescherming ten gevolge van de overschrijving van het beslag van de Vereniging van mede-eigenaars, noch om, bijgevolg, daaruit te besluiten dat de verkoop van 12 maart 2010 haar niet kon worden tegengeworpen.

Er wordt immers aanvaard dat het mechanisme van indeplaatsstelling, in de zin van de artikelen 1609 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, een beslagle-gende schuldeiser, wiens aan het beslag voorafgaand bevel niet werd overge-schreven vóór de vervreemding of de vestiging van een hypotheek op een goed, niet toestaat zich te beroepen op de niet-tegenwerpelijkheid van de overschrijving, als bedoeld in de wet ten voordele van de schuldeisers die vóór de vervreemding of de vestiging van een hypotheek op het goed het aan het beslag voorafgaand bevel wel hebben doen overschrijven.

Anders gezegd, ongeacht de grondslag waarop de indeplaatsstelling wordt gevor-derd, kan de tweede beslagleggende schuldeiser, die in de plaats is getreden van de door de eerste beslaglegger ingestelde vervolgingen, zich niet beroepen op de niet-tegenwerpelijkheid ten gevolge van de overschrijving van het bevel of van het beslagexploot van de eerste beslaglegger, indien hij zelf zijn aan het beslag voor-afgaand bevel niet heeft doen overschrijven vóór de vervreemding van het goed.

Evenmin kan een schuldeiser wiens voorafgaandelijk beval pas na de verkoop werd overgeschreven, aanvoeren dat die verkoop niet aan hem kan worden tegen-geworpen.

Die oplossing is ingegeven door het feit dat de tweede beslagleggende schuldeiser enkel in de plaats is getreden van de vervolgingen van de eerste beslaglegger, maar niet in diens eigen rechten.

Aldus hoeft de indeplaatsgetreden schuldeiser die de procedure wil voortzetten, niet alle rechtsgeldig verrichte handelingen over te doen en gelden voor hem dezelfde termijnen betreffende die handelingen als voor de eerste beslaglegger.

Nochtans kan hij, aangezien hij uitsluitend op het vlak van de procedure in de plaats is getreden, zich niet beroepen op de rechten van de eerste beslaglegger, noch, in het bijzonder, op de bescherming ten gevolge van die handelingen, waar-van het voordeel, krachtens de wet, slechts ten goede komt aan degenen die ze hebben verricht.

Voor het overige staat evenzeer vast dat de rechten van de tweede beslaglegger slechts kunnen gevrijwaard worden in het kader van de indeplaatsstelling, indien hij zijn bevel heeft overgeschreven. Door toedoen van de overschrijving van een bevel door een schuldeiser kan laatstgenoemde immers worden betrokken bij de procedures van uitvoerend beslag op onroerend goed en van rangregeling die el-ders werden gevoerd. De artikelen 578, 1579, 1582, 1584 en 1586 van het Ge-rechtelijk Wetboek concretiseren die betrokkenheid.

Bijgevolg kon de verweerster zich in deze zaak niet beroepen op haar indeplaats-stelling in de door de Vereniging van mede-eigenaars ingestelde vervolgingen om aan te voeren dat de verkoop van 12 maart 2010, die werd overgeschreven op 16 maart 2010, haar kon worden tegengeworpen, aangezien zij zelf het aan het beslag voorafgaand bevel, dat zij op 18 september 2009 niet heeft doen betekenen, niet voor die datum heeft doen overschrijven.

Uit het bovenstaande volgt dat de door de vennootschappen Winlay en Carvimmo ingestelde rechtsvorderingen gegrond waren en aangenomen moesten worden. De rechtbank van eerste aanleg te Brussel moest noodzakelijkerwijs de herroeping bevelen van de beschikking van 6 mei 2010 van de beslagrechter te Brussel.

In zoverre het bestreden vonnis het niet-gegrond zijn van het derdenverzet van de vennootschappen Winlay en Carvimmo heeft afgeleid uit het feit dat de verkoop van het goed door de beslagen schuldenaar niet aan de verweerster kon worden tegengeworpen, hoewel dat integendeel wel het geval was, schendt het de artikelen 578, 1565, 1575, 1577, 1578, 1579, 1582, 1584, 1586, 1609 en 1610 van het Gerechtelijk Wetboek.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

(...)

Artikel 1577, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat vanaf de dag van de overschrijving van het beslag of van het bevel, de handelingen van vervreemding of van vestiging van een hypotheek, verricht door de schuldenaar op de onroeren-de goederen waarop beslag is gelegd of die in het bevel zijn aangeduid, niet inge-roepen kunnen worden tegen de in artikel 1575 bedoelde derden.

De in artikel 1575 vermelde derden zijn de ingeschreven schuldeisers, elke andere schuldeiser die met goed gevolg de in artikel 1565 bedoelde overschrijving heeft gedaan, de beslagleggers en de koper.

Uit de samenlezing van die bepalingen volgt dat onder de niet-ingeschreven schuldeisers enkel de schuldeisers die een beslag of een aan het beslag vooraf-gaand bevel hebben doen inschrijven op de dag van de vervreemding de niet-tegenwerpelijkheid ervan kunnen aanvoeren.

Daarbij is het zonder belang dat het beslag het voorwerp heeft uitgemaakt van een bericht aan de beslaggriffie, of dat de hypotheekbewaarder met toepassing van ar-tikel 1571 Gerechtelijk Wetboek geweigerd heeft het beslag over te schrijven, of nog dat de beslaglegger in de plaats is getreden tijdens een beslag op onroerend goed dat een eerste beslaglegger heeft ingeleid en dat werd overgeschreven vóór de vervreemding.

Uit het bestreden vonnis blijkt het volgende:

- de vereniging van mede-eigenaars van het pand van de Hallepoort, hierna de mede-eigendom, heeft op 10 juli 2009 aan de vennootschap L.L.D.P. een aan uitvoerend beslag op dat pand voorafgaand bevel doen bezorgen, dat werd overgeschreven op 14 juli 2009 en zij heeft op 11 september 2009 uitvoerend beslag op het pand doen leggen, welk beslag op 14 september werd overge-schreven;

- de verweerster heeft op 28 september 2009 aan de vennootschap L.L.D.P. een aan een uitvoerend beslag op datzelfde pand voorafgaand bevel doen bezorgen, maar dat bevel werd niet overgeschreven, en zij heeft op 15 oktober 2009 uitvoerend beslag op het pand doen leggen, maar de hypotheekbewaarder, heeft met toepassing artikel 1571 Gerechtelijk Wetboek, geweigerd dat tweede uitvoerend beslag over te schrijven omdat er al een eerste beslag was gelegd op verzoek van de mede-eigendom; dat tweede beslag heeft het voorwerp uitgemaakt van een bericht aan de beslaggriffie op 16 oktober 2009;

- bij verzoekschrift van 18 november 2009 heeft de mede-eigendom de aanstel-ling van een notaris gevorderd op grond van de artikel 1580 Gerechtelijk Wet-boek en bij beschikking van 23 november heeft de beslagrechter notaris G. B. aangesteld; op 24 november 2009 heeft de advocaat van de verweerster de me-de-eigendom aangemaand om de tenuitvoerlegging op het onroerend goed voort te zetten, en hij dreigde met een verzoekschrift tot indeplaatsstelling; daardoor werd hij ervan op de hoogte gebracht dat notaris B. pas aangesteld was;

- op 12 januari 2010 heeft de eiser een hypothecair getuigschrift van het in beslag genomen goed gelicht, waaruit duidelijk het bevel en het uitvoerend beslag door de mede-eigendom bleken; tevens heeft hij een hypothecaire inschrijving ten voordele van Dexia gelicht, maar niet het door de verweerster gelegde be-slag, aangezien het niet overgeschreven was;

- doordat de mede-eigendom aanvaard had zijn beslag te lichten tegen betaling van 23.745,55 euro en Dexia aanvaard had haar hypothecaire inschrijving op het pand te lichten na ontvangst van 600.000 euro die werden aangeboden door de vennootschappen Winlay en Carvimmo, na aftrek van het bedrag van 23.745,55 euro voor de mede-eigendom en van 11.112,86 dat voor het ministe-rie van Financiën, heeft L.L.D.P bij een akte die op 12 maart 2010 door de ei-ser en notaris G. I. werd verleden, het in beslag genomen goed verkocht aan de vennootschappen Winlay en Carvimmo en die akte werd overgeschreven op 16 maart 2010;

- bij verzoekschrift van 29 april 2010 heeft de verweerster de beslagrechter ge-vraagd om in de plaats gesteld te worden in de vervolgingen die de mede-eigendom had aangevat en notaris B. opnieuw te belasten met de verkoop van het in beslag genomen goed en met de verrichtingen van rangregeling. Een beschikking van 6 mei 2010 van de beslagrechter heeft dat verzoekschrift toegewezen met een kantmelding op 22 juni 2010 in het kantoor der hypothek-en;

- nadat notaris B. op verzoek van de verweerster de verkoop van het in beslag genomen goed verder had benaarstigd, hebben de vennootschappen Winlay en Carvimmo bij dagvaarding van 30 augustus 2010 voor de beslagrechter een vordering ingesteld om het goed aan het beslag te onttrekken en derdenverzet gedaan tegen de voornoemde beschikking van 6 mei 2010.

Het bestreden vonnis dat zegt dat de verkoop van 12 maart 2010 niet aan de ver-weerster kan worden tegengeworpen op grond dat haar uitvoerend beslag op on-roerend goed het voorwerp heeft uitgemaakt van een bericht aan de beslaggriffie, dat het uitvoerend beslag op onroerend goed door de mede-eigendom werd over-geschreven op 14 juli 2010 en dat "het op grond van een combinatie van de arti-kelen 1577 en 1575 van het Gerechtelijk Wetboek nodig maar voldoende is om een derde en beslaglegger te zijn om de kwestieuze niet-tegenwerpelijkheid te genieten, waarbij [de verweerster] de overschrijving niet hoefde te doen [daar zij] de uitwerking van de overschrijving van het eerste beslag geniet", schendt die be-palingen.

Het middel is gegrond.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis voor zover dat het derdenverzet van de vennootschappen Winlay en Carvimmo tot intrekking van de beschikking van 6 mei 2010, hun vordering om het goed aan het beslag te onttrekken en hun tegen de verweerster ingestelde vordering tot betaling van een vergoeding niet-ontvankelijk verklaart, die beschikkingen bindend verklaart voor de eiser, de opdracht van notaris B. verlengt, beveelt dat het vonnis aan hem wordt medegedeeld, en de vennootschappen Winlay en Carvimmo veroordeelt in de kosten van de verweerster.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Verklaart het arrest bindend voor de partijen die daartoe voor het Hof zijn opgeroepen.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de anders samengestelde beslagkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Didier Batselé, Mireille Delange, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 23 mei 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Beslag op onroerend goed

  • Niet-ingeschreven schuldeisers

  • Niet-tegenwerpelijkheid