- Arrest van 23 mei 2013

23/05/2013 - C.12.0435.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0435.F

AXA BELGIUM nv,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. G.I.L. bvba,

2. a) X. B.,

2. b) T. L'H.,

qq faillissement T.M.C. nv.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 10 november 2011.

Raadsheer Sabine Geubel heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 544, 552, 553 en 555 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 1 van de wet van 10 januari 1824 over het recht van opstal;

- de artikelen 6, 23 en 1120 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres ruimschoots niet-gegrond en bevestigt het beroepen vonnis in zoverre dat had beslist dat de vergoeding door de naamloze vennootschap T.M.C., en dus door de eiseres, van de door de eerste verweerster aangevoerde schade kon gebeuren op grond van artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek, dit om al zijn redenen, inzonderheid om de onderstaande redenen:

"Uit de overeenkomst van afstand van de natrekking van 2 juli 2004, die is ondertekend door de (eerste verweerster) en de vennootschap T.M.C., volgt zonder enige twijfel dat laatstgenoemde een promotie heeft gevoerd op het perceel dat aan de (eerste verweerster) toebehoort;

Nochtans wordt niet betwist dat de vennootschap T.M.C. tevens de algemene aannemer was van het gebouw dat op genoemd perceel werd opgetrokken zonder dat de (eerste verweerster), als derde bij de uitgevoerde werkzaamheden, de opdrachtgever ervan is geweest;

Aldus zou de aansprakelijkheid van de vennootschap T.M.C. in het gedrang kunnen worden gebracht, zowel uit het oogpunt van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, in haar hoedanigheid van aannemer, als op grond van artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek, in haar hoedanigheid van houder van een zakelijk gesplitst recht (C. Mostin, ‘Les troubles de voisinage', Kluwer, 1998,75);

(...) B. Betreffende de mogelijke toepassing van artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek in geval van afstand van het recht op natrekking

De (eiseres) betoogt overigens dat artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek niet kan worden toegepast doordat de vennootschap T.M.C. niet de eigenaar zou zijn van de grond waarop zij de afbraakwerkzaamheden heeft uitgevoerd in zoverre de afstand van het recht op natrekking, in het voordeel van laatstgenoemde, slechts uitwerking kon krijgen nadat de gebouwen waren opgetrokken;

Uit de tekst van de overeenkomst van 2 juli 2004 blijkt integendeel dat de afstand van de natrekking terstond ten voordele van de bouwer speelt, ook al zullen de gevolgen zich ontwikkelen met de bouwwerkzaamheden;

De vennootschap T.M.C. is met de voorafgaande afbraakwerkzaamheden begonnen op een perceel dat haar niet toebehoorde, precies omdat afstand van het recht op natrekking werd gedaan;

Er werd evenwel terecht gezegd dat: ‘Le législateur peut certes créer des droits de superficie ou d'emphytéose par une loi spéciale, mais le mode de constitution le plus commun est l'acte juridique (...). Ce contrat constitutif est consensuel mais sera utilement rédigé par écrit puisque, s'agissant en l'espèce d'un acte entre vifs, constitutif d'un droit réel immobilier, il devra prendre la forme authentique afin de pouvoir faire l'objet d'une transcription à la conservation des hypothèques (...). Cette dernière obligation vaut d'ailleurs également si l'acte juridique est intitulé par les parties « convention de renonciation à l'accession » ou, simplement, autorise une personne à bâtir en lui conférant la propriété temporaire de ce qu'elle construit, puisque, depuis un arrêt de la Cour de cassation du 19 mai 1988 (Cass., 19 mai 1988, Pas., 1988, I, 1142), l'on défend généralement que la renonciation à l'accession ne peut engendrer qu'un droit de superficie' (P. Lecocq, Superficie et emphytéose - Chronique de jurisprudence 2001-2008, in CUP, 2008, vol. 104, Chronique de jurisprudence en droit des biens, 343);

Voor het overige preciseert artikel 1 van de wet van 10 januari 1824 over het recht van opstal dat het recht van opstal een zakelijk recht is om gebouwen, werken of beplantingen op eens anders grond te hebben;

Bijgevolg kan niet worden betwist dat de vennootschap T.M.C. een gesplitst zakelijk recht geniet op het perceel waarop zij de afbraakwerkzaamheden heeft aangevat.

In verband daarmee werd evenwel terecht gezegd dat ‘En affirmant de manière générale que la rupture d'équilibre oblige à compensation le propriétaire de l'immeuble mais aussi « celui qui en raison d'un droit réel ou personnel accordé par le propriétaire dispose à l'égard dudit bien d'un des attributs du droit de propriété », la Cour suprême admet de manière certaine que la théorie des troubles de voisinage trouve à s'appliquer à tout titulaire de droit réel même démembré, que ce dernier soit demandeur ou défendeur à l'action en compensation (Cass., 31 octobre 1975, Pas., 1976, I, p 276; 9 juin 1983, Pas., 1983, I, 1145)' (C. Mostin, Les troubles de voisinage, Kluwer, 1998,71);

Ten overvloede: het Hof van Cassatie heeft in een soortgelijk geval van grondwerken zelfs de aansprakelijkheid aanvaard, op grond van artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek, van een vennootschap, die zelfs zonder zakelijk recht op het betrokken perceel, niettemin had ingestemd met de uitgevoerde werkzaamheden (Cass., 5 maart 1981, AC, 1981-82, nr. 393);

In deze zaak wordt echter niet betwist dat de vennootschap T.M.C. niet alleen heeft ingestemd met de werkzaamheden, maar ze ook zelf heeft uitgevoerd;

Bijgevolg staat vast dat (de eerste verweerster) zich, indien nodig, kan beroepen op artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek om van de vennootschap T.M.C. en van haar verzekeraar een billijke compensatie te vorderen, voor zover zij het bewijs levert van een door de vennootschap T.M.C. veroorzaakt buitenmaats evenwichtsgebrek."

Grieven

Eerste onderdeel.

Krachtens artikel 1 van de wet van 10 januari 1824 over het recht van opstal is "het recht van opstal [...] een zakelijk recht om gebouwen, werken of beplantingen op eens anders grond te hebben". Aldus vormt het recht van opstal een afwijking op het beginsel van de natrekking dat neergelegd is in de artikelen 552 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, volgens hetwelk, betreffende onroerende zaken, de eigendom van de grond hetgeen op en onder de grond is, bevat.

Het recht van opstal heeft dus betrekking op gebouwen, werken of beplantingen en kan slechts bestaan als die bestanddelen daadwerkelijk voorhanden zijn.

Het arrest stelt vast dat de eerste verweerster aan de naamloze vennootschap T.M.C. toestemming heeft gegeven om op haar grond bestaande gebouwen af te breken en om er vervolgens opnieuw een pand op te trekken waarbij zij afstand heeft gedaan van haar recht op natrekking op het op te trekken gebouw tot beloop van 6.434/10.000en.

De partijen waren het overigens erover eens dat het op te trekken gebouw, toen de litigieuze schade tot stand kwam, nog niet gebouwd was. De eiseres voerde aldus aan dat de schade aan het gebouw van de eerste verweerster veroorzaakt was door de afbraakwerkzaamheden van het voordien op het perceel bestaande gebouw en de eerste verweerster voerde aan dat de ondermetseling, na de afbraak van de oude gebouwen, haar stoornis had veroorzaakt.

Het op te trekken gebouw waarop de gedeeltelijke afstand van natrekking van de eerste verweerster ten voordele van de vennootschap T.M.C. betrekking had, be-stond bijgevolg nog niet op het tijdstip van de totstandkoming van de litigieuze schade aan het belendende pand van de eerste verweerster. Aangezien het recht van opstal ten voordele van de vennootschap T.M.C., volgens het arrest, voort-vloeide uit de gedeeltelijke afstand door de eerste verweerster van haar recht op natrekking op het op te trekken gebouw, en aangezien het nog niet gebouwd was toen de litigieuze schade zich voordeed, had de vennootschap T.M.C. toen hele-maal geen recht van opstal.

Het arrest dat oordeelt dat de vennootschap T.M.C. een zakelijk recht had op het perceel waarop zij afbraakwerkzaamheden had uitgevoerd, hoewel het recht van opstal een recht is om gebouwen, werken of beplantingen op eens anders grond te hebben en dus niet bestaat als er geen dergelijke gebouwen, werken of beplantin-gen voorhanden zijn, en dat in deze zaak werd aangetoond dat het op te trekken gebouw waarop het toekomstige recht van opstal betrekking had, nog niet gebouwd was, is niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 552, 553 en 555 van het Burgerlijk Wetboek en van artikel 1 van de wet van 10 januari 1824 over het recht van opstal).

Het arrest dat niet naar recht heeft beslist dat de vennootschap T.M.C. een zakelijk recht had op de grond die eventuele nabuurschapsstoornis heeft veroorzaakt, heeft bijgevolg niet naar recht kunnen beslissen dat de eerste verweerster, indien nodig, haar vordering tot schadevergoeding ten aanzien van de vennootschap T.M.C. en van haar verzekeraar kon gronden op artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek (schending van artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek)..

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Luidens artikel 1 van de wet van 10 januari 1824 over het recht van opstal is het recht van opstal een zakelijk recht om gebouwen, werken of beplantingen op eens anders grond te hebben.

Dat recht vormt een tijdelijke afwijking op de artikelen 552 en volgende van het Burgerlijk Wetboek die als regel stellen dat alle gebouwen, werken of beplantin-gen behoren aan de eigenaar van de grond.

Het kan worden toegepast op nog op te trekken gebouwen of op nog uit te voeren werken of beplantingen.

Het onderdeel dat helemaal op een tegengesteld betoog berust, faalt naar recht.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Didier Batselé, Mireille Delange, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 23 mei 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden