- Arrest van 27 mei 2013

27/05/2013 - C.12.0249.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het orgaan van een vennootschap dat optreedt in naam en voor rekening van die laatste zonder zulks uitdrukkelijk of stilzwijgend te laten weten, handelt in eigen naam, en is dus persoonlijk verbonden; wanneer het orgaan aldus in eigen naam een overeenkomst heeft gesloten, kan de vennootschap uit die overeenkomst geen recht putten om van de persoon met wie de overeenkomst is gesloten de uitvoering van diens verbintenis te verkrijgen (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. 319.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0249.F

ASSOCIATION MUTUELLE MEDICALE D'ASSURANCES,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

DIDACTU bvba.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Brussel van 24 oktober 2011.

De eerste voorzitter heeft de zaak bij beschikking van 6 mei 2013 naar de derde kamer verwezen.

Advocaat-generaal Jean Marie Génicot heeft op 10 mei 2013 een schriftelijke conclusie op de griffie neergelegd.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Génicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1134, 1165, 1321, 1984, 1997 en 1998 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 61, §1, 78 en 80 van het Wetboek van Vennootschappen;

- de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart verweersters hoger beroep gegrond, hervormt het vonnis van de eerste rechter, zegt dat de oorspronkelijke vordering van de verweerster ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond is, veroordeelt de eiseres om aan de verweerster de bedragen van 2.500 euro in hoofdsom en 525 euro btw te betalen, vermeerderd met de moratoire intrest tegen de wettelijke rentevoet vanaf 16 oktober 2006, veroordeelt haar in de kosten van beide aanleggen en wijst haar oorspronkelijke tegenvordering af, op grond dat:

"( De eiseres), die niet betwist dat zij in het kader van de akkoorden met Scor Vie het honorarium van het arbitraal college moet betalen, wijst erop dat de opdracht van 20 april 2006 J. ten persoonlijke titel aanwijst en dat hij bovendien dat stuk heeft getekend zonder te vermelden dat hij als zaakvoerder van de (verweerster) optrad.

Bij de onderhandelingen over de betaling van het honorarium van het arbitraal college heeft J. vervolgens gesteld, in een brief die hij op 18 oktober 2006 aan de raadsman van de (eiseres) heeft gestuurd, dat hij de betaling bleef eisen van een bedrag van 3.693 euro , exclusief btw, niettegenstaande zijn collega's akkoord gingen met een bedrag van 2.500 euro , en in een brief van 18 december 2006, dat hij bij ontstentenis van een akkoord over het gevorderde bedrag de verdediging van zijn belangen aan zijn raadsman toevertrouwde.

Hoewel de arbitrageovereenkomst enkel de naam van J. vermeldt en niet die van de (verweerster), en hij twee brieven naar de raadsman van de (eiseres) heeft gestuurd op briefpapier met uitsluitend zijn hoofding, kan daaruit alleen niet worden afgeleid dat J. persoonlijk de titularis is van de door de (verweerster) aangevoerde schuldvordering.

Noch op basis van de arbitrageovereenkomst noch op basis van de daaropvolgende brieven van J. kan het recht van de (verweerster) worden uitgesloten om de prestaties van haar orgaan te factureren, aangezien de facturatie, die vooral een boekhoudkundige verrichting is, te onderscheiden is van de prestaties die in het kader van de uitvoering van de arbitrageovereenkomst persoonlijk worden verricht.

Uit de statuten van de (verweerster), die op 13 oktober 2004 is opgericht, blijkt dat J., die 80 pct van het maatschappelijk kapitaal bezit, als statutair zaakvoerder is aangewezen, zodat die vennootschap blijkbaar terecht aanspraak maakt op het honorarium van de arbitrage, aangezien zij het geheel van de activiteiten van J. omvat.

Hoewel inderdaad een onderscheid hoort te worden gemaakt tussen de fysieke persoon en de rechtspersoon en de arbitrageovereenkomst in beginsel intuitu personae wordt gesloten, doet dit onderscheid hier niet ter zake aangezien J. inderdaad is opgetreden als degene die de prestaties heeft verstrekt zodat het dus ten aanzien van de (eiseres) weinig belang heeft of hij als onderscheiden fysieke persoon, onder het sociaal statuut van zelfstandige, is opgetreden, welke hypothese in dit geval niet staande wordt gehouden, of als representatief orgaan dat wettig gemachtigd is om voor rekening van de (verweerster) op te treden.

J. heeft een vennootschap opgericht voor het uitoefenen van zijn beroepsactiviteiten zodat de prestaties die hij heeft verricht ter uitvoering van de arbitrageovereenkomst, noodzakelijk zijn verricht in het kader van de rechtspersoon waarvan hij het orgaan is en de schuldvordering met betrekking tot het honorarium bijgevolg is ontstaan in het patrimonium van de rechtspersoon, die dan ook de betaling ervan van de (eiseres) kan eisen.

Het feit dat J. bij de ondertekening van de arbitrageovereenkomst niet heeft vermeld dat het honorarium diende te worden betaald aan de (verweerster) is bijgevolg niet relevant (...).

Om die redenen kan evenmin worden betoogd dat de regel "nul ne plaide par procureur" hier toepassing moet vinden.

Grieven

Krachtens de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek kan de rechtsvordering niet worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen en moet het belang een reeds verkregen en dadelijk belang zijn.

Alleen de titularis van een subjectief recht heeft de hoedanigheid om op te treden.

Ook al heeft de persoon wiens subjectief recht wordt betwist maar die beweert titularis van dat recht te zijn, belang en hoedanigheid om een vordering in rechte in te stellen, toch kan zijn vordering niet gegrond worden verklaard als de eiser ten aanzien van de verweerster niet de persoonlijke titularis is van het subjectief recht dat de rechtsvordering wil afdwingen.

De vennootschappen met rechtspersoonlijkheid kunnen enkel via hun organen optreden en hun handelingen worden geacht door de rechtspersoon te zijn verricht. Die organen zijn echter lasthebbers zodat de regels van de lastgeving gelden voor de handelingen die zij verrichten.

De lastgeving houdt in dat de lasthebber voor rekening en in naam van de lastgever optreedt, waarbij eerstgenoemde krachtens artikel 1997 Burgerlijk Wetboek aan de derden met wie hij in die hoedanigheid handelt, voldoende kennis van zijn volmacht moet geven.

Als de lasthebber het bestaan van de lastgeving niet vermeldt, handelt hij in eigen naam: er is dan sprake van lastgeving zonder vertegenwoordiging zodat de lastgever enkel een recht heeft ten aanzien van de lasthebber en niet van de derde. Dat geldt zelfs als de lastgever de handelingen van de lasthebber bekrachtigt, want de derde is niet verplicht de juridische gevolgen van een dergelijke bekrachtiging te erkennen, aangezien die volgens artikel 1998 Burgerlijk Wetboek jegens hem enkel gevolgen heeft als de lasthebber als dusdanig heeft gehandeld maar met overschrijding van de hem verleende macht.

De derde mag zich overeenkomstig artikel 1321 van voormeld wetboek houden aan de schijn aangezien de lastgeving voor hem in ieder geval zonder gevolg blijft als een res inter alios acta.

De regel dat de lasthebber het bestaan en in voorkomend geval de omvang van zijn lastgeving en de identiteit van zijn lastgever kenbaar maakt, behalve bij commandsverklaring, vindt inzake vennootschappen bijkomend steun in het bij artikel 61, §1, Wetboek van Vennootschappen in samenhang gelezen met de artikelen 78 en 80 van dat wetboek, waarbij degene die optreedt als orgaan van een vennootschap zulks moet vermelden en op elke akte van de vennootschap verschillende aanduidingen moet aanbrengen.

Bij ontstentenis daarvan bestaat er enkel een rechtsverhouding tussen de persoon die is opgetreden, zonder te vermelden dat hij als vertegenwoordiger van de vennootschap optrad, en de derde, die niet gebonden is ten aanzien van de vennootschap, die op haar beurt geen recht jegens hem kan doen gelden.

Het arrest beslist dat J. persoonlijk als arbiter is aangeduid maar die opdracht als orgaan van verweerster heeft aanvaard; het steunt die beslissing op de overweging dat aangezien hij de verweerster heeft opgericht om al zijn beroepsactiviteiten in onder te brengen en hij statutair zaakvoerder is, de overeenkomst krachtens welke hij zijn opdracht heeft uitgevoerd en het honorarium is verschuldigd, in die hoedanigheid werd gesloten zodat de honorariumschuldvordering in hoofde van de verweerster is ontstaan, die de betaling ervan van de eiseres kan vorderen.

Het erkent evenwel dat hij noch op het ogenblik waarop hij is aangesteld en zijn opdracht heeft aanvaard, noch tijdens de onderhandeling over het honorarium van de arbiters, heeft vermeld dat hij als lasthebber, orgaan van de vennootschap, optrad.

Aldus verleent het arrest aan laatstgenoemde onwettig de hoedanigheid van titularis van een subjectief recht op het honorarium dat zij niet heeft en legt het aan de eiseres een betalingsverplichting op jegens de verweerster die haar niet mag worden opgelegd. Het verklaart de rechtsvordering van de verweerster ten onrechte ontvankelijk (schending van de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek) en gegrond (schending van alle andere in het middel aangewezen wetsbepalingen).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Naar luid van artikel 61, §1 , Wetboek van Vennootschappen handelen de ven-nootschappen door hun organen waarvan de bevoegdheden worden vastgesteld door dit wetboek, het doel en de statuten. De leden van deze organen zijn niet persoonlijk verbonden voor de verbintenissen van de vennootschap.

Het orgaan van een vennootschap dat optreedt in naam en voor rekening van die laatste zonder zulks uitdrukkelijk of stilzwijgend te laten weten, handelt evenwel in de regel in eigen naam en is dus persoonlijk verbonden.

Wanneer het orgaan aldus in eigen naam een overeenkomst heeft gesloten, kan de vennootschap uit die overeenkomst geen recht putten om van de persoon met wie de overeenkomst is gesloten de uitvoering van diens verbintenis te verkrijgen.

De feitenrechter beoordeelt in functie van de elementen van de zaak op onaantast-bare wijze of een persoon met de hoedanigheid van vennootschapsorgaan in eigen naam of in naam van die vennootschap is opgetreden en of hij in dat geval de me-decontractant hiervan in kennis heeft gesteld.

Het arrest oordeelt, enerzijds, dat "uit de statuten van de [verwerende vennoot-schap], die op 13 oktober 2004 is opgericht, blijkt dat J., die 80 pct van het maat-schappelijk kapitaal bezit, als statutair zaakvoerder is aangewezen, zodat die ven-nootschap gerechtigd blijkt aanspraak te maken op het honorarium van de arbi-trage, aangezien zij het geheel van de activiteiten van J. omvat", en dat, "aangezien J. een vennootschap heeft opgericht voor het uitoefenen van zijn beroepsacti-viteiten, de prestaties die hij heeft verricht ter uitvoering van de arbitrageover-eenkomst, noodzakelijk zijn verricht in het kader van de rechtspersoon waarvan hij het orgaan is en de schuldvordering met betrekking tot het honorarium in het patrimonium van de rechtspersoon is ontstaan, die bijgevolg de betaling ervan van de [eiseres] kan eisen" en, anderzijds, dat de eiseres "de factuur van 25 januari 2005 opgemaakt op naam van de [verweerster] voor de verrichtingen van J. niet heeft betwist en niet aantoont dat in het kader van die verrichtingen zou zijn vermeld dat deze laatste voor de vennootschap optrad".

Het arrest heeft uit die feitelijke overwegingen, waaruit blijkt dat J. in naam van de verweerster met de eiseres een overeenkomst heeft gesloten en dat eiseres daarvan op de hoogte was, kunnen afleiden dat de verweerster houder was van het recht op betaling van de litigieuze honorariumrekening.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum,

Het Hof

Verwerpt de voorziening;

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Martine Regout, Alain Simon, Mireille De-lange et Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 27 mei 2013 uit-gesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Vennootschapsorgaan

  • Overeenkomst

  • Persoonlijke verbintenis van het orgaan

  • Voorwaarden