- Arrest van 27 mei 2013

27/05/2013 - S.12.0081.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Luidens artikel 26, §4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moet, wanneer voor een rechtscollege wordt aangevoerd dat een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel een grondrecht schendt dat op geheel of gedeeltelijk analoge wijze is gewaarborgd in een bepaling uit titel II van de Grondwet en in een bepaling van Europees of internationaal recht, dat rechtscollege eerst aan het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag stellen over de verenigbaarheid met de bepaling uit titel II van de Grondwet; hoewel, enerzijds, de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde oordelen over de conformiteit van alle normen van intern recht met een norm van internationaal recht met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde en het Hof, anderzijds, in burgerlijke zaken niet bevoegd is om een middel ambtshalve op te werpen, moet het, alvorens uitspraak te doen over de conformiteit van de bepalingen, waarvan het arrest de toepassing verwerpt, met de artikelen 1 van het eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en 14 van dat verdrag, een prejudiciële vraag stellen aan het Grondwettelijk Hof.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0081.F

RIJKSDIENST VOOR PENSIOENEN, openbare instelling,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

A. R.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 21 maart 2012.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert een middel aan dat luidt als volgt:

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 14 van het EVRM, getekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955;

- artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM, getekend te Parijs op 20 maart 1952 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955;

- de artikelen 10, 11, 142, tweede lid, 2°, en 159 van de Grondwet;

- artikel 26, § 1 en 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof;

- artikel 27 van het koninklijk besluit nr 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, zoals van kracht na de wijziging ervan bij artikel 9 van de wet van 5 juni 1970 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de pensioenregelingen voor werknemers, arbeiders, bedienden, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden en het gewaarborgd inkomen voor bejaarden;

- artikel 65, § 1, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, zoals van kracht na de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot uitvoering van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en tot wijziging van sommige bepalingen inza-ke werknemerspensioenen.

Aangevochten beslissingen

Nadat bij arrest van 17 februari 2011 is vastgesteld dat "de door de verweerder aangevoerde discriminatie haar oorsprong vindt in artikel 27, derde lid, van het koninklijk besluit nr 50 en in artikel 65, § 1, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers dat het volgende stelt: 'De verplichting van in België te verblijven is niet vereist vanwege de Belgische onderdanen, de staatlozen en de erkende vluchtelingen als bedoeld in de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied , het verblijf, de vestiging en de ver-wijdering van vreemdelingen, begunstigd met de prestaties waarin bij het koninklijk besluit nr 50 of bij de wet van 20 juli 1990 is voorzien of bij het koninklijk besluit van 23 december 1996. De verplichting om in België te verblijven is evenmin vereist vanwege de personen, bedoeld in artikel 4, 2°, van het koninklijk besluit van 6 december 1955 betreffende het verblijf in België van zekere bevoorrechte vreemde-lingen, begunstigd met de prestaties waarin bij het koninklijk besluit nr 50 of bij de wet van 20 juli 1990 of bij het koninklijk besluit van 23 december 1996 is voorzien"; "dat koninklijk besluit nr 50 van 24 oktober 1967 genomen is op grond van de wet van 31 maart 1967 tot toekenning van bepaalde machten aan de Koning ten einde de economische heropleving, de bespoediging van de regionale reconversie en de stabilisatie van het begrotingsevenwicht te verzekeren, inzonderheid op artikelen 1, 9°, 3, tweede lid, en 4 van die wet, en dat de bijzondere-machtenbesluit niet als dusdanig is goedgekeurd door de wetgever"; "de wetgever het derde lid van artikel 27, in tegenstelling tot het eerste lid, later niet blijkt te hebben gewijzigd", en "het bijgevolg aan het arbeidshof staat, en niet aan het Grondwettelijk Hof, om uitspraak te doen over de overeenstemming van artikel 27, derde lid, van het koninklijk besluit nr 50 (en van artikel 65 van het algemeen reglement) met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet",

beslist het bestreden arrest de eiser te veroordelen tot het herstellen van het pen-sioen van de verweerder vanaf de schorsing ervan en hem de verschuldigde achterstallen te betalen, en daarom, met toepassing van artikel 159 van de Grondwet, artikel 27, derde lid, van het koninklijk besluit nr 50 van 24 oktober 1967 en artikel 65, § 1, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 niet toe te passen omdat zij een niet gerechtvaardigd verschil in behandeling instellen tussen verschillende categorieën van vreemdelingen en de gewone vreemdelingen, om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en inzonderheid om de volgende redenen :

"6. Zoals aangegeven in het arrest van 17 februari 2011, kent de koning de macht toe te bepalen voor welke gerechtigden van vreemde nationaliteit en in welke gevallen de verplichting om in België te verblijven niet vereist is'. Dat artikel 27, derde lid, ingesteld krachtens een wet van bijzondere volmachtenwet, heeft de wetgever niet goedgekeurd;

Artikel 65, § 1, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers stelt dat:

'De verplichting van in België te verblijven niet vereist is vanwege de Belgische onderdanen, de staatlozen en de erkende vluchtelingen als bedoeld in de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied , het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, begunstigd met de prestaties waarin bij het koninklijk besluit nr 50 of bij de wet van 20 juli 1990 is voorzien of bij het koninklijk besluit van 23 december 1996;

De verplichting om in België te verblijven is evenmin vereist vanwege de personen, als bedoeld in artikel 4, 2°, van het koninklijk besluit van 6 december 1955 betreffende het verblijf in België van zekere bevoorrechte vreemdelingen, begunstigd met de prestaties waarin bij het koninklijk besluit nr 50 of bij de wet van 20 juli 1990 of bij het koninklijk besluit van 23 december 1996 is voorzien';

Die bepaling stelt dus een verschillende behandeling in tussen verschillende categorieën van vreemdelingen begunstigd met een rustpensioen toegekend op grond van een activiteit in dienstverband die in België werd uitgeoefend;

De bevoorrechte vreemdeling, de vluchteling en de staatloze behouden het voorrecht van hun rustpensioen zelfs als zij in het buitenland verblijven (ook wanneer zij in een land verblijven waarmee België geen verdrag betreffende de sociale zekerheid heeft gesloten), terwijl de gewone vreemdeling het voordeel van zijn rustpensioen verliest als hij België verlaat;

7. De categorieën van vreemdelingen getroffen door dat verschil in behandeling zijn vergelijkbaar. Het gaat zonder onderscheid om personen die de Belgische nationaliteit niet hebben, die een activiteit in dienstverband in België hebben uitgeoefend dat hen recht geeft op een rustpensioen en die in het buitenland verblijven;

Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium: de gewone vreemdeling kan onderscheiden worden van de andere categorieën van vreemde-lingen;

Maar het verschil in behandeling is niet redelijk verantwoord;

De eiser heeft zijn doelstelling en de bestaansreden van het verschil in behandeling niet te kennen gegeven;

Hoewel men ervan uitgaat dat de verblijfsvoorwaarde is ingesteld om het toezicht te vergemakkelijken op de naleving van de voorwaarden tot uitbetaling van het rustpensioen, blijkt noch uit de verklaringen van de eiser, noch uit enig ander element waarop het arbeidshof acht vermag te slaan dat het toezicht op de voorwaarden tot uitbetaling van het rustpensioen verschilt al naargelang de vreemdeling die buiten het koninkrijk verblijft (tegen de hierboven vermelde voorwaarden) een bevoorrechte of een gewone vreemdeling is;

Er is redelijkerwijs geen enkel verband tussen het bevoorrecht statuut van sommige categorieën van vreemdelingen en de verblijfsvoorwaarde;

De middelen die zijn aangewend om het doel te bereiken, met name de maatregel om het rustpensioen eenvoudigweg te schorsen, ook wanneer de persoon zoals te dezen alleen leeft en een leeftijd heeft bereikt waarop het hervatten van een beroepsactiviteit geen optie meer is, staan overigens niet in verhouding;

Het koninklijk besluit stelt dus een verschil in behandeling in dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt;

8. Daarenboven schendt het verschil in behandeling artikel 14 van het EVRM;

Het arbeidshof heeft in zijn arrest van 17 februari 2011 gewezen op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, namelijk dat het recht op het rustpensioen een vermogensrecht is in de zin van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag, zodat, zodra een uitkering is vastgesteld, het non-discriminatiebeginsel ingesteld bij artikel 14 van het Verdrag moet worden nageleefd ook als die bepaling de Staten niet verplicht welbepaalde voordelen toe te kennen. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt daaruit dat enkel zeer ernstige overwegingen kunnen verantwoorden dat het toekennen van dat voordeel een verschil in behandeling in functie van de nationaliteit kan opleveren.

In dit geval wordt het bewijs van zeer ernstige overwegingen niet geleverd;

De omstandigheid dat België geen bilateraal verdrag betreffende de sociale zekerheid met Madagascar heeft gesloten, heeft geen weerslag aangezien niets erop wijst dat het toezicht op de naleving van de voorwaarden tot uitbetaling van het rustpensioen verschillend zouden zijn geweest als een dergelijk verdrag was ondertekend. Het feit dat er geen bilateraal verdrag ondertekend werd, is niet van aard om het verschil in behandeling te verantwoorden.

Overigens heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het verleden reeds duidelijk kunnen maken dat de door het verdrag gebonden Staat verplicht is om de rechten en vrijheden bepaald in Titel I van het Verdrag te erkennen, zelfs al is hij niet gebonden door wederkerigheidsovereenkomsten, hetgeen, volgens het Hof, ongetwijfeld het geval is wanneer iemand een sociale uitkering vraagt;

9. De conclusie van de eiser, die het openbaar ministerie bijtreedt, leidt tot de volgende opmerkingen:

In zoverre de verweerder in België gewerkt heeft en recht heeft op een uitkering bepaald bij de Belgische regelgeving op de rustpensioenen voor loontrekkenden, mag hij zich beroepen op de artikelen 10, 11 of 191 van de Grondwet om zich te verzetten tegen de schorsing van de uitbetaling van dat voordeel; het is dus vrij opmerkelijk dat de eiser schrijft dat 'de Grondwet niet van toepassing is op de verweerder';

Krachtens de Belgische regelgeving, ressorteert de verweerder als pensioengerechtigde evenzeer ‘onder de rechtspraak' van de Belgische Staat in de zin van artikel 1 van het EVRM en mag hij de daardoor geboden bescherming opei-sen.

Dat de verblijfsvoorwaarde niet noodzakelijkerwijs strijdig is met sommige door de eiser in zijn conclusie vernoemde internationale instrumenten, volgt niet dat de regelgeving inzake pensioen, wanneer zij die voorwaarde hanteert, verschillen in behandeling mag instellen zonder objectieve en redelijke verantwoording;

De toepasbaarheid van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens beperken tot de pensioenstelsels uitgaand van een kapitalisatiebeginsel, zoals de eiser oppert, stemt niet overeen met de huidige rechtspraak;

Sedert de beslissing over de ontvankelijkheid in de zaak Stec (zaak Stec e.a. t. Verenigd-Koninkrijk, verz. Nr. 65731/01 en nr. 65900/01, beslissing van 6 juli 2005, wordt aangenomen dat zelfs de niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties betrokken zijn (zie A. Simon, 'Les prestations sociales non contributives dans la jurisprudence de la Cour européenne des droits de l'homme', Rev. Trim. dr. h , 2006, 647). Het is a fortiori zonder belang dat er onder op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties een onderscheid wordt gemaakt al naargelang de financiering berust op een kapitalisatie- of verdelingsbeginsel;

Voor zoveel nodig, refereert het arbeidshof aan zeer talrijke arresten die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de laatste jaren heeft uitgesproken inzake rust- of overlevingspensioen en aan de rechtspraak van het Hof van Cassatie van Frankrijk;

10. Ten slotte, mogen artikel 27, derde lid, van het koninklijk besluit nr 50 van 24 oktober 1967 en artikel 65, § 1, van het koninklijk besluit van 21 december 1967, op grond van artikel 159 van de Grondwet, derhalve niet toegepast worden in zoverre ze een ongerechtvaardigd verschil in behandeling instellen tussen sommige categorieën van bevoorrechte vreemdelingen en gewone vreemdelingen;

Bijgevolg moet de verwijzing naar de bevoorrechte vreemdelingen van artikel 654, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 geschrapt worden;

Het tweede lid van die bepaling moet dus zo gelezen worden dat het het uitvoeren van de bij het koninklijk besluit nr 50, bepaalde voordelen, toestaat vooral wanneer de pensioengerechtigde ouder dan 76 jaar is en recht heeft op een pensioen als alleenstaande;

11. De uitbetaling van het rustpensioen mocht dus niet worden geschorst. De eiser moet de uitbetaling van het rustpensioen van de verweerder vergoeden vanaf de datum van de schorsing, namelijk vanaf 13 juli 2007;

Het vonnis moet in die zin worden hervormd".

Grief

(...)

Tweede onderdeel

Luidens artikel 14 van het EVRM, moet het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals nationale of maatschappelijke afkomst. Die bepaling is van toepassing op de rechten erkend door het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM, en inzonderheid door artikel 1, eerste lid, dat bepaalt dat alle natuurlijke of rechtspersonen recht hebben op het ongestoord genot van hun eigendom en dat niemand van zijn eigendom zal worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht.

Uit de combinatie van die bepalingen volgt dat het recht op het ongestoord genot van hun eigendom zonder discriminatie moet worden verzekerd. Een verschil in behandeling is discriminerend als het een negatieve weerslag heeft in soortgelijke of vergelijkbare toestanden en gespeend is van een objectieve en redelijke verantwoording. Hoewel de verdragsluitende staten een zekere beoordelingsmarge hebben om te bepalen of en in welke mate de verschillen tussen bepaalde situaties en andere analoge opzichten een verschil in behandeling kunnen rechtvaardigen dat uitsluitend berust op grond van de nationaliteit.

De grondwettelijke regels van gelijkheid en non-discriminatie, ingesteld bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, sluiten niet uit dat een verschil in behandeling wordt ingesteld tussen categorieën van personen die zich in vergelijkbare situaties bevinden, voor zover dat verschil berust op een objectief criterium en het redelijk verantwoord is.

De bevoorrechte vreemdelingen, de vluchtelingen en staatlozen die vragen dat de Belgische Staat hen een rustpensioen toekent, bevinden zich, in het licht van die vraag, niet in een vergelijkbare situatie als de gewone vreemdelingen die dezelfde sociale voordelen vragen. De eerstgenoemden genieten een bijzonder statuut dat hen is toegekend door normen van internationaal recht die België vrij beslist heeft over te nemen, terwijl de laatstgenoemden zich niet op een dergelijk statuut kunnen beroepen.

Het verschil in behandeling, waar het bestreden arrest op wijst, tussen, enerzijds, de bevoorrechte vreemdelingen, de vluchtelingen en staatlozen, die het voordeel van hun pensioen behouden ook als zij in het buitenland verblijven en, anderzijds, de gewone vreemdelingen, die het voordeel van hun pensioen verliezen als zij België verlaten, steunt niet uitsluitend op de nationaliteit. Het steunt op het al dan niet bestaan van normen van internationaal recht die verplichten om aan die vreemdelingen dezelfde rechten toe te kennen als aan de onderdanen. Voor de vreemdelingen is dat het Internationaal Verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; voor de staatlozen het Verdrag betreffende de status van staatlozen, ondertekend te New York op 28 september 1954; voor de bevoorrechte vreemdelingen, ten slotte de internationale verdragen die België binden en die voorzien in een werkerigheidsovereenkomst inzake sociale zekerheid, als beoogd bij artikel 24 van het koninklijk besluit nr 50 van 24 oktober 1967.

Zelfs in de veronderstelling dat het verschil in behandeling berust op het criterium van de nationaliteit, dan nog vormt het bestaan van een verplichting om de vreemdeling op gelijke wijze te behandelen als de onderdaan, ingesteld door een norm van internationaal recht, gelet op de ruime beoordelingsmarge waarover de verdragsluitende staten moeten beschikken inzake sociale zekerheid, een zeer ernstige overweging die dat verschil in behandeling verantwoordt.

Het arrest dat beslist artikel 27, derde lid, van het koninklijk besluit nr 50 van 24 oktober 1967 en artikel 65, § 1, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 niet toe te passen op grond dat die bepalingen een discriminatie zijn die strijdig is met de artikelen 14 van het EVRM en 1 van het Eerste Aanvullend Protocol en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet tussen sommige categorieën van vreemdelingen en de gewone vreemdelingen, met alle in het middel weergegeven overwegingen, hoewel het aangevoerde verschil in behandeling berust op een objectieve en redelijke verantwoording, die overigens een zeer ernstige overweging vormt, namelijk het bestaan van een verplichting om de vreemdeling te behandelen zoals de onderdaan, vastgelegd door een norm van internationaal recht, schendt artikel 14 van het EVRM, artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede onderdeel

Artikel 27 van het koninklijk besluit nr 50 van 24 oktober 1967 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, als van toe-passing op het geschil, bepaalt in het eerste lid dat, onder voorbehoud van het be-paalde in artikel 24 die de toepassing van de in België geldende bepalingen van de internationale overeenkomsten inzake maatschappelijke zekerheid regelen, de bij dat besluit vastgelegde uitkeringen niet worden verstrekt aan gerechtigden van vreemde nationaliteit die niet werkelijk in België verblijven, behoudens de uitke-ringen toegekend voor een tewerkstelling als mijnwerker; het tweede lid dat de erkende vluchtelingen als bedoeld in de wet van 28 maart 1952 op de vreemdelin-genpolitie, voor de toepassing van voorgaand lid, geacht worden niet van vreemde nationaliteit te zijn en het derde lid dat de Koning bepaalt wat moet verstaan wor-den onder werkelijk verblijf en dat, in afwijking van het eerste lid, hij kan bepalen voor welke gerechtigden van vreemde nationaliteit en in welke gevallen de ver-plichting om in België te verblijven niet vereist is.

Artikel 65, § 1, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers ontslaat de Belgische onderdanen, de staatlozen en de erkende vluch-telingen van de verplichting in België te verblijven als bedoeld in de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vesti-ging en de verwijdering van vreemdelingen, en de personen, als bedoeld in artikel 4, 2°, van het koninklijk besluit van 6 december 1955 betreffende het verblijf in België van zekere bevoorrechte vreemdelingen.

Het betreden arrest dat zonder daarin te worden bekritiseerd, dat het recht op het rustpensioen een recht is dat beschermd wordt door artikel 1 van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fun-damentele vrijheden beslist, met de door het onderdeel bekritiseerde redenen, dat het verschil in behandeling die de voornoemde artikelen 27 en 65 instellen tussen verschillende categorieën van begunstigden van vreemde nationaliteit niet door zeer ernstige overwegingen gerechtvaardigd is zodat de toepassing van die bepa-lingen moet worden opgeheven wegens hun strijdigheid met artikel 14 van Ver-drag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat bepaalt dat het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn ver-meld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op grond van nationale af-komst.

Artikel 26, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bepaalt dat, wanneer voor een rechtscollege wordt opgeworpen dat een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel een grondrecht schendt dat op geheel of gedeeltelijk analoge wijze is gewaarborgd in een bepaling uit titel II van de Grondwet en in een bepaling van Europees of internationaal recht, het rechtscollege eerst aan het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag stellen over de verenigbaarheid met de bepaling uit titel II van de Grondwet.

Hoewel, enerzijds, de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde oordelen over de conformiteit van alle normen van intern recht met een norm van interna-tionaal recht met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde en het Hof, ander-zijds, in burgerlijke zaken niet bevoegd is om een middel ambtshalve op te wer-pen, moet het, alvorens uitspraak te doen over de conformiteit van de bepalingen, waarvan het arrest de toepassing verwerpt, met de artikelen 1 van het eerste Aan-vullend Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en 14 van dat verdrag, een prejudiciële vraag stellen aan het Grondwettelijk Hof.

Dictum

Het Hof,

Houdt zijn beslissing aan tot wanneer het Grondwettelijk Hof de volgende vraag heeft beantwoord:

"Schendt artikel 27 van het koninklijk besluit nr 50 van 24 oktober 1967 betref-fende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, vervangen door artikel 9 van de wet van 5 juni 1970 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de pensioenregelingen voor werknemers, arbeiders, bedienden, mijnwerkers en vrij-willig verzekerden en het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, gewijzigd bij ar-tikel 10 van het koninklijk besluit nr. 415 van 16 juli 1986 tot wijziging van som-mige bepalingen betreffende de pensioensregelingen voor werknemers, arbeiders, bedienden, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden die bepaalde vreemdelingen ontslaat van de in het eerste lid van die bepaling ingestelde verblijfsverplichting met uitzondering van de vreemdelingen die zich kunnen beroepen op een in België van kracht zijnde bepaling, een internationaal verdrag betreffende sociale zekerheid, staatlozen, erkende vluchtelingen en sommige bevoorrechte vreemdelingen en de Koning de macht toekent te bepalen voor welke gerechtigden van vreemde nationaliteit en in welke gevallen de verplichting om in België te verblijven niet vereist is, de artikelen 10, 11, 16 en 191 van de Grondwet?"

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Martine Regout, Alain Simon, Mireille Delange en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 27 mei 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Verblijfsverplichting

  • Vrijstelling

  • Discriminatie

  • Norm van internationaal recht

  • Grondwet

  • Prejudiciële vraag

  • Grondwettelijk Hof

  • Verplichting