- Arrest van 4 juni 2013

04/06/2013 - P.13.0207.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De invrijheidstelling onder borgsom is een beslissing waarbij de handhaving van de voorlopige hechtenis wordt bevolen tot de vereiste zekerheid is betaald en die wordt opgelegd teneinde de betrokkene na zijn invrijheidstelling aan te zetten te verschijnen bij de proceshandelingen of om zich aan te bieden ter tenuitvoerlegging van de beslissing; de betaling van de borgsom is geen voorwaarde in de zin van artikel 35, §1, Voorlopige Hechteniswet en indien de borgsom niet wordt betaald, blijft de betrokkene aangehouden (1). (1) Zie: Cass. 28 sept. 2010, AR P.10.1065.N, AC 2010, nr. 556.

Arrest - Integrale tekst

P.13.0207.N

P D S,

persoon van wie de borgsom aan de Staat werd toegewezen,

eiser,

met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 24 december 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 55 Gerechtelijk Wetboek: het ar-rest beslist ten onrechte tot de toewijzing van de door de eiser betaalde borgsom aan de Staat; de eiser had volgens de op 20 november 2012 ontvangen uitnodiging één maand om zich aan te bieden, maar aangezien de eiser in Frankrijk verbleef werd die termijn bij toepassing van artikel 55 Gerechtelijk Wetboek verlengd, zo-dat het arrest op 24 december 2012 niet vermocht vast te stellen dat de eiser geen gevolg had gegeven aan de uitnodiging.

2. Volgens artikel 35, § 4, vijfde lid, Voorlopige Hechteniswet wordt de borg-som toegewezen aan de Staat, zodra gebleken is dat de verdachte zonder wettige reden van verschoning niet verschenen is ter tenuitvoerlegging van het vonnis. Volgens het zevende lid van deze paragraaf wordt de niet-verschijning van de veroordeelde ter tenuitvoerlegging van het vonnis, op vordering van het openbaar mini¬sterie, vastgesteld door de rechtbank die de veroordeling heeft uitgesproken en verklaart dat vonnis tevens dat de borgsom aan de Staat vervalt.

3. Volgens artikel 55 Gerechtelijk Wetboek worden de termijnen verleend aan een partij, die in België noch woonplaats, noch verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft, verlengd wanneer de wet dat bepaalt.

Artikel 35, § 4, Voorlopige Hechteniswet bepaalt niet dat artikel 55 Gerechtelijk Wetboek op de in dit artikel bedoelde gevallen van toepassing is.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede middel

4. Het middel voert schending aan van artikel 35, § 4, vijfde lid, Voorlopige Hechteniswet en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat het medisch attest van dokter G van 9 november 2012 veel te vaag en veel te algemeen is en dat het niet geloofwaardig maakt dat de eiser niet in staat was te verschijnen ter tenuitvoerlegging van het arrest en uit die verklaring dan ook geen wettige reden van verschoning kan worden afgeleid, miskent het arrest de bewijskracht van dit niet van valsheid betichte stuk; het arrest kon niet zonder nadere verduidelijking te vragen of een tegenonderzoek te bevelen oordelen dat het geschrift, dat attesteerde dat de eiser niet naar België kon reizen en zich dus ook niet kon aanbieden, onwaar is en de erin vervatte informatie onjuist.

5. Het arrest geeft met het in het middel aangehaalde oordeel van het medisch attest geen uitlegging, maar beoordeelt het de bewijswaarde ervan.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Derde middel

6. Het middel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM, de artikelen 10 en 11 Grondwet en artikel 35, § 4, vijfde lid, Voorlopige Hechteniswet: het arrest be-veelt ten onrechte de toewijzing van de borgsom aan de Staat omdat de eiser niet is verschenen ter uitvoering van de straf die hem is opgelegd; het neemt daarbij ten onrechte aan dat de borgsom van civielrechtelijke aard is; de borgsom heeft in-tegendeel feitelijk het karakter van een vervangende geldboete en is een straf in de zin van artikel 6 EVRM; de toewijzing van de borgsom wegens het zich niet aan-bieden met het oog op de tenuitvoerlegging van de straf is discriminerend en dus ongrondwettelijk omdat ze niet geldt voor alle veroordeelden, maar slechts voor hen die door bepaalde omstandigheden een borgsom hebben betaald; bovendien is artikel 35, § 4, vijfde lid, Voorlopige Hechteniswet strijdig met artikel 5.3 EVRM dat bepaalt dat de invrijheidstelling afhankelijk kan worden gesteld van een waar-borg voor de verschijning van de betrokkene ter rechtszitting en niet voor iets an-ders.

De eiser verzoekt het Hof aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:

"Schendt artikel 35, § 4, vijfde lid en zevende lid, Voorlopige Hechteniswet de ar-tikelen 10 en 11 Grondwet (het gelijkheidsbeginsel) doordat het bepaalt dat de borgsom aan de Staat vervalt wanneer de veroordeelde niet verschijnt ter tenuit-voerlegging van het vonnis waarbij hij tot vrijheidsstraf werd veroordeeld, terwijl de veroordeelde ten aanzien van wie eveneens vluchtgevaar bestond maar die geen borgsom betaalde doch in vrijheid werd gesteld onder andere vooraarden, geen gelijkaardige pecuniaire gevolgen draagt van de niet-verschijning ter tenuit-voerlegging van de straf?"

"Schendt artikel 35, § 4, vijfde lid en zevende lid, Voorlopige Hechteniswet de ar-tikelen 10 en 11 Grondwet (het gelijkheidsbeginsel) doordat het bepaalt dat de borgsom aan de Staat vervalt wanneer de veroordeelde niet verschijnt ter tenuit-voerlegging van het vonnis waarbij hij tot vrijheidsstraf werd veroordeeld, terwijl ten aanzien van de veroordeelde die geen borgsom heeft betaald en die zich even-eens onttrekt aan de uitvoering van een door de rechter opgelegde vrijheidsstraf, geen gelijkaardige geldelijke veroordeling kan worden uitgesproken?"

7. De invrijheidstelling onder borgsom is een beslissing waarbij de handhaving van de voorlopige hechtenis wordt bevolen tot de vereiste zekerheid is betaald. Ze wordt opgelegd teneinde de betrokkene na zijn invrijheidstelling aan te zetten te verschijnen bij de proceshandelingen of om zich aan te bieden ter tenuitvoerleg-ging van de beslissing. De betaling van de borgsom is geen voorwaarde in de zin van artikel 35, § 1, Voorlopige Hechteniswet. Indien de borgsom niet wordt be-taald, blijft de betrokkene aangehouden.

8. Volgens artikel 35, § 4, vijfde lid, Voorlopige Hechteniswet wordt de borg-som toegewezen aan de Staat, zodra gebleken is dat de verdachte zonder wettige reden van verschoning niet verschenen is ter tenuitvoerlegging van het vonnis. Volgens het zevende lid van deze paragraaf wordt de niet-verschijning van de veroordeelde ter tenuitvoerlegging van het vonnis, op vordering van het openbaar mini¬sterie, vastgesteld door de rechtbank die de veroordeling heeft uitgesproken en verklaart dat vonnis tevens dat de borgsom aan de Staat vervalt.

Het begrip tenuitvoerlegging in de zin van artikel 35, § 4, vijfde en zevende lid, Voorlopige Hechteniswet slaat uitsluitend op de tenuitvoerlegging van een effec-tieve vrijheidsstraf en niet op de veroordeling tot andere straffen, de kosten of een eventuele burgerlijke schadevergoeding.

9. De beslissing over de bestemming van de borgsom betreft niet de strafvor-dering, die reeds is beëindigd. Ze is van civielrechtelijke aard. De toewijzing van de borgsom aan de Staat houdt geen sanctioneren in van het plegen van een mis-drijf door de betrokkene, maar is slechts een louter gevolg van de niet-verschijning zonder wettige reden van verschoning door een veroordeelde ter tenuitvoerlegging van een effectieve vrijheidsstraf.

Met die beslissing doet de rechter dan ook geen uitspraak over de gegrondheid van een tegen de betrokkene ingestelde strafvervolging in de zin van artikel 6 EVRM.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

10. Artikel 5.3, tweede zin, EVRM bepaalt dat de invrijheidstelling van eenie-der die gearresteerd is of wordt gevangen gehouden op grond van artikel 5.1.c), kan afhankelijk worden gesteld van een waarborg voor de verschijning van de be-trokkene in rechte.

Die bepaling belet niet dat de nationale wetgever voorschrijft dat de borgsom welke werd opgelegd ter waarborging van de verschijning in rechte bij de invrij-heidstelling na arrestatie of gevangenhouding, ook de tenuitvoerlegging van een effectieve vrijheidsstraf zal waarborgen en dat de borgsom aan de Staat dient te worden toegewezen zo de betrokkene zonder wettige reden van verschoning ver-zuimd te verschijnen ter tenuitvoerlegging van die effectieve vrijheidsstraf.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

11. De inverdenkinggestelde die in vrijheid wordt gesteld na de betaling van de borgsom, aanvaardt daardoor de verplichting te verschijnen bij alle proceshande-lingen en voor de tenuitvoerlegging van het vonnis en de toewijzing van de borg-som aan de Staat ingeval van niet-verschijning zonder wettige reden van verscho-ning. De rechtstoestand van een tegen betaling van een borgsom vrijgelatene die zich als veroordeelde zonder wettige reden van verschoning niet aanbiedt ter ten-uitvoerlegging van een effectieve vrijheidsstraf, is niet vergelijkbaar met die van veroordeelden tot een effectieve vrijheidsstraf die geen borgsom hebben betaald of die werden vrijgelaten onder een of meerdere voorwaarden als bedoeld door ar-tikel 35, § 1, Voorlopige Hechteniswet.

De prejudiciële vragen worden niet gesteld.

Vierde middel

12. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: het arrest miskent de verplichting om ook de strafuitvoering binnen een redelijke termijn te laten plaatsvinden; het beslist immers tot de toewijzing van de borgsom aan de Staat wegens het niet verschijnen van de eiser ter uitvoering van een straf die hem reeds bij arrest van 29 januari 2008 was opgelegd, daar waar de eiser pas op 20 novem-ber 2012 werd uitgenodigd zijn straf te ondergaan, dit is vier jaar en tien maanden later.

13. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser dit verweer heeft gevoerd voor het hof van beroep. De omstandigheid dat de ap-pelrechters het door de eiser neergelegde medisch attest als ongeloofwaardig heb-ben verworpen, belette hem niet dit verweer voor de appelrechters te voeren.

Het middel is nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 71,01 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 4 juni 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

A. Lievens P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

Vrije woorden

  • Invrijheidstelling onder borgsom

  • Begrip

  • Doel

  • Betaling van de borgsom

  • Aard

  • Niet-betaling van de borgsom