- Arrest van 11 juni 2013

11/06/2013 - P.12.1362.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 5 Strafwetboek, ingevoegd bij de wet van 4 mei 1999, voert een eigen strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor rechtspersonen in, onderscheiden en autonoom ten opzichte van de natuurlijke personen die voor de rechtspersoon hebben gehandeld of dit hebben nagelaten; deze bepaling heeft voor gevolg dat artikel 67ter Wegverkeerswet impliciet is gewijzigd in die zin dat de erin bepaalde overtreding ten laste kan gelegd worden van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon of beiden (1). (1) GWH, 26 jan. 2005, nr. 24/2005, BS 11 maart 2005.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1362.N

1. W F V,

beklaagde,

2. HORECA TECHNOLOGIES SOLUTIONS bvba, met zetel te 2900 Scho-ten, Gazellendreef 22,

beklaagde en burgerrechtelijk aansprakelijke partij,

eisers,

met als raadsman mr. Jozef Robbroeckx, advocaat bij de balie te Antwerpen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correcti-onele rechtbank te Antwerpen van 21 juni 2012.

De eiser 1 doet afstand van zijn cassatieberoep.

De eiseres 2 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiseres 2 als burgerrechterlijk aansprakelijke partij

1. Het bestreden vonnis stelt de eiseres als burgerrechtelijk aansprakelijke partij buiten zake.

In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van de artikelen 14 en 149 Grondwet, arti-kel 2 Strafwetboek en artikel 67ter Wegverkeerswet: het bestreden vonnis ver-klaart de eiseres schuldig aan een inbreuk op deze laatste bepaling die, minstens impliciet, werd opgeheven door de invoering van artikel 5 Strafwetboek bij de wet van 4 mei 1999.

3. Artikel 5 Strafwetboek, ingevoegd bij de wet van 4 mei 1999, voert een ei-gen strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor rechtspersonen in, onderscheiden en autonoom ten opzichte van de natuurlijke personen die voor de rechtspersoon hebben gehandeld of dit hebben nagelaten. Deze bepaling heeft voor gevolg dat artikel 67ter Wegverkeerswet impliciet is gewijzigd in die zin dat de erin bepaalde overtreding ten laste kan gelegd worden van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon of beiden.

Het middel dat ervan uitgaat dat de impliciete wijziging van artikel 67ter Weg-verkeerswet bij artikel 5 Strafwetboek de onmogelijkheid van vervolging en ver-oordeling van de dader van de overtreding met zich meebrengt, faalt naar recht.

Tweede middel

4. Het middel voert schending aan van de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet, artikel 5 Strafwetboek en artikel 67ter Wegverkeerswet: uit het naast elkaar be-staan van artikel 5 Strafwetboek en artikel 67ter Wegverkeerswet volgt een onge-lijkheid ten aanzien van rechtspersonen, in zoverre wordt aangenomen dat artikel 67ter Wegverkeerswet niet gewijzigd zou zijn door artikel 5 Strafwetboek.

De eiseres verzoekt de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwette-lijk Hof: "Schendt artikel 67ter Wegverkeerswet de artikelen 10 en 11 Grondwet in de interpretatie dat een aparte strafbaarstelling voor rechtspersonen blijft bestaan, terwijl artikel 5 Strafwetboek, ingevoerd bij de Wet van 4 mei 1999 een eigen strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor de rechtspersoon heeft ingevoerd?"

5. Luidens de arresten nr. 24/2005 van 26 januari 2005 en nr. 5/2007 van 11 januari 2007 van het Grondwettelijk Hof, schendt artikel 67ter Wegverkeerswet de artikelen 10 en 11 Grondwet niet.

Het middel faalt naar recht.

6. Er is geen grond de prejudiciële vraag te stellen.

Derde middel

7. Het middel voert schending aan van de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet en artikel 67ter Wegverkeerswet: het vonnis veroordeelt de eiseres onwettig omdat de rechtspersonen ongelijk worden behandeld doordat er geen wettelijk vermoe-den werd ingesteld voor de rechtspersonen, zoals voor de natuurlijke personen met artikel 67bis Wegverkeerswet, en de rechtspersonen steeds onder de straf-baarstelling van artikel 67ter Wegverkeerswet zullen vallen en zwaarder zullen worden gestraft.

De eiseres vordert de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: "Is het verschil in behandeling tussen de natuurlijke en de rechtspersoon in de artikelen 67bis en 67ter van de Wegverkeerswet in overeenstemming met de ar-tikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre dit tot gevolg heeft dat de natuurlijke personen van artikel 67bis Wegverkeerswet steeds vervolgd kunnen worden voor de verkeersinbreuk zelf, terwijl de rechtspersoon in datzelfde geval vervolgd zal worden op grond van artikel 67ter Wegverkeerswet waarbij in hogere geldboeten wordt voorzien?"

8. Zoals blijkt uit het antwoord op het tweede middel, volgt uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof dat artikel 67ter Wegverkeerswet de artikelen 10 en 11 Grondwet niet schendt.

Het middel faalt naar recht.

9. Er is geen grond de prejudiciële vraag te stellen.

Vierde middel

10. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 5 Strafwetboek: het vonnis veroordeelt de eiseres zonder een fout in hoofde van de rechtspersoon vast te stellen.

11. Het bestreden vonnis (p. 5) oordeelt dat artikel 67ter Wegverkeerswet be-oogt de verantwoordelijke personen strafbaar te stellen niet alleen wanneer deze nalaten de identiteit mee te delen van degene die het voertuig bestuurde, maar ook wanneer deze verzuimen de vereiste maatregelen te nemen om die mededeling mogelijk te maken.

Aldus stelt het vonnis vast waaruit de fout van de tweede eiseres bestaat.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verleent aan de eiser 1 akte van de afstand van zijn cassatieberoep.

Verwerpt het cassatieberoep van de eiseres 2.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten op 68,81 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechts-zitting van 11 juni 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bij-stand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

E. Francis A. Lievens

P. Hoet A. Bloch P. Maffei

Vrije woorden