- Arrest van 20 juni 2013

20/06/2013 - P.13.1085.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Volgens artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek kan iedere rechter worden gewraakt wegens wettige verdenking; er is wettige verdenking indien de aangevoerde feiten bij de verzoeker, partijen en derden de verdenking kunnen wekken dat de magistraat niet langer op onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak kan doen (1). (1) Cass., 29 okt. 2003, AR P.03.1401.F, A.C., 2003, nr. 541.

Arrest - Integrale tekst

P.13.1085.N

B B D B,

beschuldigde, verzoeker tot wraking,

met als raadsman mr. Steven De Canck, advocaat bij de balie te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Brabantdam 86, waar de eiser woonplaats kiest,

in de zaak van

PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

tegen

1. B M J E S V B,

beschuldigde,

2. R W V D,

beschuldigde,

3. D A L D B,

beschuldigde,

mede inzake

1. E V D H,

burgerlijke partij,

2. V V G,

burgerlijke partij,

3. M J,

burgerlijke partij,

4. J D,

burgerlijke partij.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het op 17 juni 2013 ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven neer-gelegde verzoekschrift tot wraking, dat aan dit arrest is gehecht, beoogt de wra-king van Peter Hartoch, raadsheer in het hof van beroep te Brussel, aangewezen als voorzitter van het hof van assisen van de provincie Vlaams-Brabant bij be-schikking van 20 maart 2013.

Op 17 juni 2013 heeft raadsheer Peter Hartoch de bij artikel 836, tweede lid, Ge-rechtelijk Wetboek bedoelde verklaring afgelegd, waarbij hij aangeeft zich niet te willen onthouden van de zaak.

Eerste voorzitter Etienne Goethals heeft op 17 juni 2013 een beschikking gewezen teneinde de zaak te behandelen op de rechtszitting van 20 juni 2013.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Het wrakingsverzoek is gesteund op artikel 828, 1° , Gerechtelijk Wetboek: volgens de verzoeker zou de voorzitter van het hof van assisen op 14 juni 2013, op een ogenblik dat het debat reeds zou zijn gesloten, tijdens een informele verga-dering waarop de assessoren, de griffier, het openbaar ministerie en alle raadslie-den aanwezig waren, maar niet de juryleden, uitlatingen hebben gedaan welke de grenzen te buiten gaan van wat is toegelaten en die bij de verzoeker een ernstige schijn van partijdigheid hebben gewekt en bij hem een gewettigde verdenking hebben doen ontstaan over de geschiktheid van de voorzitter om het debat met de vereiste onpartijdigheid en onafhankelijkheid te leiden.

2. Volgens de verzoeker zou tijdens die vergadering, welke tot doel had de agenda voor het rekwisitoor en de pleidooien vast te leggen, de voorzitter nadat het openbaar ministerie had aangekondigd wat betreft de verzoeker de kwalificatie van schuldig verzuim te handhaven, gezegd hebben dat hij dat steeds een bijzonder "rare" kwalificatie heeft gevonden en dat die kwalificatie onder andere tot gevolg zou kunnen hebben dat er iemand "na maandag naar huis zal mogen gaan", daarmee doelende op de burgerlijke partij en dit met de precisering dat bij de kwalificatie van schuldig verzuim een groot deel van de vordering van de burgerlijke partij, namelijk de schade uit overlijden, niet zou kunnen worden gevorderd. Op 15 juni 2013 zou het openbaar ministerie dan aan de raadsman van de verzoeker telefonisch hebben meegedeeld dat hij zijn vordering zou wijzigen in mededaderschap aan opzettelijke doodslag. Dit zou volgens de verzoeker een ge-volg zijn van de onaanvaardbare uitlatingen van de voorzitter van het hof van as-sisen.

3. In de akte van weigering te berusten in de wraking heeft raadsheer Peter Hartoch het volgende verklaard:

- op 14 juni 2013, na het horen van de laatste getuige op een tijdstip dat het de-bat nog niet was beëindigd, werd met instemming van alle partijen in zijn bu-reau een informele vergadering gehouden met de raadslieden van de partijen en het openbaar ministerie teneinde een vrijblijvende inschatting te maken van de duur van de pleidooien om zo de juryleden op 17 juni 2013 te kunnen informe-ren over de resterende duur van de behandeling;

- tijdens deze informele en voor niemand bindende ontmoeting heeft hij aan de partijen vrijblijvend voorgesteld om reeds tijdens de eerste pleidooien duidelijk te zijn over de vragen die zij aan de jury wensten gesteld te zien en hiermee niet te wachten tot de replieken, iets waarmee partijen hebben ingestemd zonder zich formeel te verbinden;

- tijdens deze informele vergadering heeft hij aan de partijen meegedeeld dat hij overwoog om ten aanzien van alle beschuldigden de vraag te stellen naar hun individuele schuld aan het wanbedrijf omschreven in de artikelen 418 en 419 Strafwetboek;

- het ruim een half uur durend gesprek dat in een zeer serene en aangename sfeer verliep, kan hij niet meer woordelijk reproduceren en ondanks de aanwezigheid van de griffier heeft geen van de partijen op enigerlei wijze te kennen gegeven dat de gebruikte bewoordingen dienden te worden genotuleerd;

- hij heeft de bewoordingen "dat hij dit steeds een bijzonder rare kwalificatie heeft gevonden" en dat "er iemand na maandag naar huis zal mogen gaan" niet woordelijk uitgesproken;

- hij heeft de mogelijkheid om een vraag te stellen naar de schuld van de be-schuldigden aan het door de artikelen 418 en 419 Strafwetboek bedoelde wan-bedrijf met de nodige omzichtigheid aangebracht en in de voorwaardelijke wijs, benadrukkend dat het om hypotheses ging;

- indien hij tijdens het informele gesprek mogelijk zou gezegd hebben dat schul-dig verzuim hem een wat "vreemde" of "rare" telastlegging leek, kon en kan zulks worden gekaderd in het volledige gesprek en dan ook niet anders geïnter-preteerd worden dan dat het hem persoonlijk niet meteen duidelijk was of deze kwalificatie ook toepasselijk kon zijn in het geval het verzuim hulp te bieden, voor zover bewezen en strafrechtelijk beteugelbaar, in oorzakelijk verband staat met het overlijden van de hulpgerechtigde;

- de overweging om mogelijk een bijkomende vraag te stellen werd in de loop van het gesprek op deze wijze ook nadrukkelijk geduid;

- hij heeft op geen enkel ogenblik voorgesteld of zelfs maar gesuggereerd te overwegen ten aanzien van de verzoeker tot wraking een bijkomende vraag te stellen naar de schuld van deze beschuldigde aan doodslag in de zin van de ar-tikelen 392 en 393 Strafwetboek.

4. Volgens artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek kan iedere rechter worden gewraakt wegens wettige verdenking. Er is wettige verdenking indien de aange-voerde feiten bij de verzoeker, partijen en derden de verdenking kunnen wekken dat de magistraat niet langer op onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak kan doen.

5. De verzoeker brengt geen schriftelijk bewijs of geen begin van bewijs bij tot staving van de bewering dat de gewraakte magistraat de in het wrakingsverzoek beschreven uitlatingen zou hebben gedaan. Het Hof acht het bevelen van een ge-tuigenonderzoek niet nuttig voor zijn oordeelsvorming.

Het Hof beoordeelt dan ook het wrakingsverzoek uitgaande van de uitlatingen van de gewraakte magistraat zoals door hem beschreven in de door hem overeenkomstig artikel 836, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek afgelegde verklaring.

6. Het komt krachtens de artikelen 323 tot en met 325 Wetboek van Strafvor-dering de voorzitter van het hof van assisen toe en in geval van betwisting het hof van assisen zelf, onaantastbaar te oordelen welke aan de jury te stellen vragen uit het debat volgen, voor zover geen andere feiten aan de jury worden onderworpen dan die waarvoor de verwijzing is uitgesproken.

7. Uit de omstandigheid dat de voorzitter van het hof van assisen, buiten aan-wezigheid van de juryleden en nadat de getuigen waren gehoord, tijdens een in-formele vergadering met de assessoren, de raadslieden van alle partijen en het openbaar ministerie die tot doel had de duurtijd van de pleidooien in te schatten,

- heeft meegedeeld dat hij overwoog om ten aanzien van alle beschuldigden en dus ook ten aanzien van de verzoeker een vraag te stellen naar de individuele schuld aan het in de artikelen 418 en 419 Strafwetboek bedoelde wanbedrijf, dit alles met de nodige omzichtigheid en in de voorwaardelijke wijs;

- mogelijk omtrent de tegenover de verzoeker voorziene telastlegging van schul-dig verzuim bedenkingen heeft geuit omtrent de gevolgen van het behouden van die telastlegging voor de burgerlijke rechtsvordering,

kan niet worden afgeleid dat deze magistraat in de ogen van de verzoeker, partijen en derden niet langer geschikt zou zijn om onafhankelijk en onpartijdig te oorde-len.

Het verzoek is ongegrond.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het verzoek.

Wijst gerechtsdeurwaarder Ann Verrezen, met kantoor te 1780 Wemmel, Steen-weg op Brussel 181, aan om het arrest, op verzoek van de griffier, binnen de acht-enveertig uur aan de partijen te betekenen.

Veroordeelt de verzoeker tot de kosten.

Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openba-re rechtszitting van 20 juni 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maf-fei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bij-stand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

P. Hoet A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Strafzaken

  • Rechter

  • Wettige verdenking