- Arrest van 30 juli 2013

30/07/2013 - P.13.1306.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging ontneemt de wetgever niet het recht om de uitoefening van het recht van verdediging in een welbepaalde aangelegenheid, zoals inzake voorlopige hechtenis, aan een bijzondere regeling te onderwerpen; de omstandigheid alleen dat het openbaar ministerie een uitgebreidere toegang heeft tot het strafdossier dan de aangehouden inverdenkinggestelde, belet niet dat hij zich kan verdedigen en vormt geen miskenning van zijn recht van verdediging (1). (1) Cass. 14 juli 2009, AR P.09.1076.N, AC 2009, nr. 457.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1306.N

J.,

inverdenkinggestelde, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Gert Warson en mr. Karel Claes, beiden advocaat bij de ba-lie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 12 juli 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 23, 4°, Voorlopige Hechtenis-wet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsver-plichting: het arrest beantwoordt niet het in conclusie door de eiser aangevoerde verweer dat hij niet voldoende tijd en faciliteiten heeft gehad voorafgaand aan het debat over de voorlopige hechtenis; het vermeldt niet of een inzage van de strafin-formatie gedurende twee dagen, de omstandigheid dat de eiser en zijn raadslieden niet samen de strafinformatie konden inkijken en de weigering een kopie ervan te verschaffen het recht van verdediging miskennen.

2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser in conclusie voor de appelrechters heeft aangevoerd dat de verbalisanten, het open-baar ministerie en de onderzoeksrechter voortdurend en onbeperkt toegang hebben tot de strafinformatie, terwijl deze toegang voor de verdediging beperkt is tot het louter inkijken ervan gedurende twee dagen per maand, zodat het recht van verde-diging miskend wordt.

3. Het arrest oordeelt onder meer dat:

- de omstandigheid dat het openbaar ministerie een uitgebreidere toegang heeft tot het strafdossier dan de eiser geen miskenning van het gelijkheidsbeginsel vormt;

- eisers rechten van verdediging niet werden miskend.

4. Met deze redenen beantwoordt het arrest het bedoelde verweer. Het moet niet antwoorden op de argumenten van de eiser die slechts ter ondersteuning van dit verweer werden aangevoerd, maar zelf geen zelfstandig middel vormen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

5. Het middel voert miskenning aan van het algemeen beginsel van het recht van verdediging: het arrest oordeelt dat het openbaar ministerie een uitgebreidere toegang heeft tot het strafdossier dan de inverdenkinggestelde en dat hierdoor het recht van verdediging niet wordt miskend; nochtans houdt het recht van verdedi-ging in dat er tussen het openbaar ministerie en de inverdenkinggestelde wapenge-lijkheid dient te bestaan.

6. Het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging ontneemt de wetgever niet het recht om de uitoefening van het recht van verdediging in een welbepaalde aangelegenheid, zoals inzake voorlopige hechtenis, aan een bijzonde-re regeling te onderwerpen.

De omstandigheid alleen dat het openbaar ministerie een uitgebreidere toegang heeft tot het strafdossier dan de aangehouden inverdenkinggestelde, belet niet dat hij zich kan verdedigen en vormt geen miskenning van zijn recht van verdediging.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

7. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van het algemeen beginsel van het recht van verdediging: het arrest oordeelt dat geen misbruik werd gemaakt van de voorlopige hechtenis om de eiser tegen zijn wil te laten deelnemen aan de wedersamenstelling en tijdens deze wedersamen-stelling te onderwerpen aan een psychiatrisch onderzoek; het recht van verdedi-ging betekent dat de inverdenkinggestelde niet gedwongen kan worden deel te nemen aan de wedersamenstelling en tijdens deze wedersamenstelling aan een psychiatrisch onderzoek.

8. Artikel 6 EVRM is in de regel niet van toepassing op de onderzoeksgerech-ten die uitspraak doen over de voorlopige hechtenis.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

9. Het arrest oordeelt onder meer dat:

- er geen misbruik werd gemaakt van de voorlopige hechtenis om de eiser tegen zijn wil te laten deelnemen aan de wedersamenstelling van 19 juni 2013 en tijdens deze wedersamenstelling onderwerp te laten zijn van een psychiatrisch onderzoek;

- de voorlopige hechtenis geenszins werd misbruikt als drukkingsmiddel;

- blijkens het proces-verbaal van de wedersamenstelling die aanvatte omstreeks 9.15 uur en eindigde om 11.30 uur, de eiser vóór de wedersamenstelling aan de onderzoeksrechter verklaarde dat hij niet wenste deel te nemen, waarop hij door de politie omstreeks 10.30 uur werd teruggebracht naar de gevangenis;

- de eiser in deze omstandigheden op de wedersamenstelling zijn zwijgrecht en bijgevolg zijn rechten van verdediging uitoefende;

- de gerechtelijke psychiater, aanwezig op de wedersamenstelling, in zijn verslag stelde dat alle betrokkenen goed leken mee te werken behoudens de eiser die stelde dat hij niet wilde meewerken op aanraden van zijn advocaat;

- de eiser aldus niet werd geobserveerd door de gerechtelijke psychiater.

In zoverre het middel ervan uitgaat dat de eiser werd onderworpen aan een psy-chiatrisch onderzoek, berust het op een onvolledige lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.

Voor het overige verantwoorden de appelrechters met deze redenen naar recht hun beslissing dat eisers recht van verdediging niet werd miskend.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot kosten.

Bepaalt de kosten op 57,81 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, sa-mengesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Koen Mestdagh, Alain Simon, Peter Hoet en Marie-Claire Ernotte, en op de openbare rechtszitting van 30 juli 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols

M.-C. Ernotte P. Hoet

A. Simon K. Mestdagh P. Maffei

Vrije woorden

  • Voorlopige hechtenis

  • Bevoegdheid van de wetgever