- Arrest van 3 september 2013

03/09/2013 - P.12.1253.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit artikel 211bis, eerste en tweede zin, Wetboek van Strafvordering volgt niet dat de appelrechters die anders dan de eerste rechter een herstelmaatregel bevelen, desgevallend onder de dreiging van een dwangsom, dit met eenparigheid moeten beslissen; de omstandigheid dat de vordering van de herstelvorderende overheid niet zonder meer gelijk te stellen is met een burgerlijke rechtsvordering en als maatregel van burgerrechtelijke aard toch onder de strafvordering valt, doet daaraan geen afbreuk (1). (1) Zie: Cass. 2 maart 2004, AR P.03.1187.N, AC 2004, nr. 112; Cass. 12 mei 2009, AR P.08.1888.N (onuitgegeven).

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1253.N

A O A A J,

beklaagde,

eiseres,

met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie te Gent,

tegen

GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR bevoegd voor het grondgebied van de provincie Vlaams Brabant, met kantoor te 3000 Leu-ven, Dirk Boutsgebouw, Diestsepoort 6 bus 93,

eiser tot herstel,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 11 juni 2012.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest verklaart het hoger beroep van het openbaar ministerie niet ont-vankelijk.

In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvorde-ring: de appelrechters bevelen anders dan de eerste rechter het herstel in de vorige toestand onder de dreiging van een dwangsom, maar doen dit ten onrechte niet met eenparigheid van stemmen; op het bevelen van de herstelvordering, als maat-regel die niettegenstaande het burgerlijk karakter ervan valt onder de strafvorde-ring en die gelet op het repressief karakter ervan niet kan worden vergeleken met een louter civiele rechtsvordering, is artikel 211bis Wetboek van Strafvordering van toepassing.

3. Artikel 211bis, eerste en tweede zin, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Is er een vrijsprekend vonnis of een beschikking tot buitenvervolgingstelling, dan kan het gerecht in hoger beroep geen veroordeling of verwijzing uitspreken dan met eenparige stemmen van zijn leden. Dezelfde eenstemmigheid is vereist voor het gerecht in hoger beroep om tegen beklaagde uitgesproken straffen te kunnen ver-zwaren."

4. Uit die bepaling volgt niet dat de appelrechters die anders dan de eerste rechter een herstelmaatregel bevelen, desgevallend onder de dreiging van een dwangsom, dit met eenparigheid moeten beslissen. De omstandigheid dat de vor-dering van de herstelvorderende overheid niet zonder meer gelijk te stellen is met een burgerlijke rechtsvordering en als maatregel van burgerrechtelijke aard toch onder de strafvordering valt, doet daaraan geen afbreuk.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede middel

5. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 6.1.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest beveelt ten onrechte het herstel van de plaats in de vori-ge toestand door het afbreken van zes tennisvelden met inbegrip van de omhei-ningen en verlichting; het had immers vastgesteld dat de zes tennisvelden slechts grotendeels gelegen zijn in ruimtelijk kwetsbaar gebied, namelijk agrarisch gebied met ecologische waarde; uit het gebruik van het woord grotendeels volgt dat de tennisvelden slechts gedeeltelijk in ruimtelijk kwetsbaar gebied zijn gelegen; bij-gevolg had het arrest de herstelvordering slechts mogen inwilligen in zoverre ze betrekking had op het gedeelte van de tennisvelden die gelegen waren in het ruim-telijk kwetsbaar gebied; bovendien preciseert het arrest niet op welk gedeelte van de kwestieuze gronden de herstelvordering betrekking heeft en is het bijgevolg niet naar recht gemotiveerd.

6. Artikel 6.1.1, derde en vierde lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening be-paalt:

"De strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken, vermeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3°, 6° en 7°, geldt niet voor zover de handelingen, werken, wijzigingen of het strijdige gebruik niet gelegen zijn in de ruimtelijk kwetsbare gebieden. Voor de strafbare instandhouding is uitsluitend vereist dat de wederrechtelijke handelingen op het ogenblik van de instandhouding gelegen zijn in ruimtelijk kwetsbaar gebied.

Een herstelvordering die door de stedenbouwkundige inspecteur of het college van burgemeester en schepenen is ingesteld op grond van de instandhouding van handelingen, kan vanaf 1 september 2009 niet langer worden ingewilligd indien deze instandhouding op het ogenblik van de uitspraak niet meer strafbaar is ge-steld."

7. Indien de instandhouding van een door artikel 6.1.1, derde lid, Vlaamse Co-dex Ruimtelijke Ordening bedoelde handeling deels gelegen is in een ruimtelijk kwetsbaar gebied en deels in een ander gebied, kan de rechter de herstelvordering in de regel slechts inwilligen voor zover ze betrekking heeft op de in het ruimtelijk kwetsbaar gebied gelegen handelingen en dus niet voor die welke in het andere gebied gelegen zijn.

Indien evenwel de in het ruimtelijk kwetsbaar gebied en in een ander gebied gele-gen handeling één geheel vormt en een gedeeltelijke inwilliging van de herstel-vordering onmogelijk kan leiden tot het herstel van de door het misdrijf veroor-zaakte onwettige toestand, dient de rechter de herstelvordering ook in te willigen voor het in het niet ruimtelijk kwetsbaar gebied gelegen gedeelte.

8. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of een zowel in een ruimtelijk kwetsbaar als in een ander gebied gelegen handeling één geheel vormt en of een gedeeltelijke inwilliging van de herstelvordering onmogelijk kan leiden tot het herstel van de door het misdrijf veroorzaakte onwettige toestand.

9. Met het oordeel dat de zes tennisvelden grotendeels gelegen zijn in agrarisch gebied met ecologische waarde geven de appelrechters te kennen dat de niet-vergunde handeling één geheel vormt en het herstel van de door het misdrijf ver-oorzaakte onwettige toestand het afbreken noodzakelijk maakt van de zes tennis-velden met inbegrip van de omheiningen en verlichting op de nader gepreciseerde percelen. Die beslissing is naar recht verantwoord.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

10. Het middel voert schending aan van de artikelen 187, 188, 202 en 203 Wet-boek van Strafvordering: het arrest beveelt het herstel in de vorige toestand ten onrechte onder de dreiging van een dwangsom; tegen het verstekvonnis van de eerste rechter waarbij het opleggen van een dwangsom werd afgewezen, heeft de verweerder geen hoger beroep aangetekend; de appelrechters die moeten oordelen over het hoger beroep tegen de op verzet gewezen beslissing kunnen de toestand van de beklaagde ten opzichte van datgene wat werd beslist met het verstekvonnis niet verzwaren.

11. Artikel 1385bis, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de dwangsom ook voor het eerst in verzet of in hoger beroep kan worden gevorderd.

Uit die bepaling volgt dat de rechter op verzet die anders dan de rechter op verstek veroordeelt tot een dwangsom de toestand van de betrokkene niet verzwaart.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 76,73 euro

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openba-re rechtszitting van 3 september 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

P. Hoet A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Eenparigheid

  • Stedenbouw

  • Geen herstelmaatregel bevolen door de eerste rechter

  • Herstelmaatregel bevolen in hoger beroep