- Arrest van 4 september 2013

04/09/2013 - P.13.0556.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer een collectief misdrijf bestaat uit strafbare feiten die zowel voor als na het antecedent zijn gepleegd dat als grondslag voor de herhaling dient, kan de rechter beslissen dat er herhaling bestaat voor een gedeelte van de feiten (1). (1) Zie Cass. 12 jan. 2005, AR P.04.1565.F, AC 2005, nr. 18.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0556.F

DE PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE LUIK,

tegen

M. K.,

Mrs. Cédric Vergauwen en Olivia Venet, advocaten bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest dat op 20 februari 2013 door de cor-rectionele kamer van het hof van beroep te Luik op verwijzing is gewezen inge-volge het arrest van het Hof van 7 november 2012.

De eiser voert in de verklaring van cassatieberoep twee middelen aan.

Voor de verweerder werd op 21 augustus 2013 op de griffie een antwoordnota op de conclusie van het openbaar ministerie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die uitspraak doet over de straf

Eerste middel

1. Bij het hof van beroep werden in de zaken met de nummers I, III en V drie groepen misdrijven aanhangig gemaakt die tegen de eiser (lees: verweerder) be-wezen zijn verklaard.

Het hof van beroep, dat uitspraak doet op verwijzing na cassatie, diende alleen nog uitspraak te doen over de straf die de eiser (lees: verweerder) wegens die fei-ten was opgelegd.

Zaak I heeft betrekking op misdrijven van valsheid, gebruik van valse stukken en heling, gepleegd tussen 21 maart en 1 oktober 1998.

Zaak III omvat misdrijven van valsheid, gebruik van valse stukken en heling, ge-pleegd tussen 1 januari en 15 september 1999, zware diefstal in de nacht van 3 op 4 april 2000, vereniging van boosdoeners tussen 1 januari 1999 en 5 april 2000 en namaak van een zegel tussen 3 en 6 april 2000.

Zaak V betreft diefstal met geweld, in staat van wettelijke herhaling, gepleegd in de nacht van 23 op 24 juni 2005.

2. Op pagina 10 vermeldt het bestreden arrest dat het geheel van de bewezen verklaarde misdrijven "in de zaken I, III en V" de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, dat de bij vonnis van 1 oktober 2003 van de correctionele rechtbank te Hasselt uitgesproken gevangenisstraf van drie jaar volstaat voor een juiste bestraffing van het geheel en dat er grond is om naar die straf te verwijzen.

Het arrest beslist vervolgens dat het feit in zaak V uit hetzelfde misdadig opzet voortvloeit als dat voor de feiten die bij het arrest van het hof van beroep te Brus-sel van 13 juni 2006 zijn bestraft, maar dat de aldaar uitgesproken straf niet vol-staat om alle strafbare feiten te bestraffen.

3. Het middel voert een tegenstrijdigheid aan in de redenen van het arrest : het feit in zaak V wordt nu eens geacht door het vonnis reeds voldoende te zijn be-straft, dan weer onvoldoende te zijn bestraft door het hof van beroep.

4. Het feit dat zaak V is opgenomen in de opsomming van de feiten die vol-gens de appelrechters reeds voldoende door de correctionele rechtbank te Hasselt zijn bestraft, ligt evenwel aan een schrijffout die het Hof kan rechtzetten.

Aangezien het aangevoerde vonnis in 2003 is gewezen, speelt het geen rol in de bestraffing van een diefstal met geweld uit 2005.

Dat de door het middel aangeklaagde vergissing slechts een schrijffout is, blijkt uit het dictum van het arrest, op pagina 11. Tot het collectief misdrijf, dat volgens het arrest door het voormelde vonnis reeds op voldoende wijze is bestraft, rekent het hof van beroep alleen de feiten van de zaken I en III. De aanvullende straf op die van het arrest van 13 juni 2006 slaat luidens het dictum alleen op de zware diefstal in zaak V.

In strijd met wat het middel aanvoert, werd die diefstal dus niet tweemaal bestraft en wordt die tegenstrijdigheid opgelost door de verbetering van de foutieve ver-melding die haar leek te veroorzaken.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

5. In zaak V werd de eiser (lees: verweerder) vervolgd wegens een zware dief-stal in de nacht van 23 op 24 juni 2005, met de omstandigheid dat hij het misdrijf heeft gepleegd sinds hij bij vonnis van de correctionele rechtbank te Hasselt van 1 oktober 2003, met kracht van gewijsde op het ogenblik van de feiten, tot drie jaar gevangenisstraf was veroordeeld wegens zware diefstal, waarbij die straf nog niet was ondergaan of verjaard.

Het arrest beslist dat er geen grond is om met de herhaling rekening te houden, op grond dat, enerzijds, die diefstal voortvloeit uit hetzelfde misdadig opzet als dat van de feiten die reeds bij het arrest van het hof van beroep te Brussel van 13 juni 2006 zijn bestraft en dat, anderzijds, rekening moet worden gehouden met de rela-tieve werking van het verzet.

6. Geen van beide redenen verantwoordt de beslissing naar recht.

7. Wanneer een collectief misdrijf bestaat uit strafbare feiten die zowel zijn gepleegd voor als na het antecedent dat als grondslag voor de herhaling dient, kan de rechter beslissen dat er herhaling bestaat voor een gedeelte van de feiten.

De toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek, heeft niet tot gevolg dat de te berechten feiten geacht worden op dezelfde dag te zijn gepleegd als de reeds berechte feiten.

De vaststelling dat een in 2005 gepleegde diefstal uit hetzelfde misdadig opzet voortvloeit als een diefstal uit 2003, belet dus niet dat wordt gewezen op de aan-wezigheid, in het tijdsverval tussen beide feiten, van een gerechtelijk antecedent dat herhaling voor de tweede diefstal kan gronden.

8. Het verzet van de veroordeelde heeft alleen tot doel hem geheel of ten dele te ontlasten van de tegen hem uitgesproken veroordelingen, zodat het niet tot ge-volg kan hebben dat zijn toestand in zijn nadeel wordt gewijzigd.

De rechter die een bij verstek gewezen beslissing bevestigt, miskent de relatieve werking van het verzet dus niet.

Bij verstekarrest van 21 april 2010 nam het hof van beroep de in de dagvaarding vermelde staat van herhaling in aanmerking.

Het hof van beroep dat kennisnam van het verzet van de veroordeelde, was dus bevoegd om die staat van herhaling al dan niet in aanmerking te nemen.

Het gerecht op verwijzing na cassatie beschikt over dezelfde bevoegdheden als het gerecht waarvan de beslissing werd vernietigd en in de plaats waarvan het, door de verwijzing, werd gesteld.

De relatieve werking van het verzet ontnam het hof van beroep op verwijzing bij-gevolg de bevoegdheid niet om de aan de verweerder ten laste gelegde herhaling te beoordelen.

Het middel is gegrond.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is, behoudens de onwettigheid die hierna ongedaan moet worden gemaakt, overeenkomstig de wet gewezen.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen het bevel tot onmiddellijke aanhouding

Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat de eiser (lees: verweerder) op borg-tocht was vrijgelaten op 13 maart 2013 ingevolge een de dag ervoor gewezen ar-rest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling.

Daaruit volgt dat het cassatieberoep geen bestaansreden meer heeft.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de straf die de verweerder is opgelegd wegens de enige telastlegging in zaak V.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 4 september 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Beslissing die de omstandigheid van herhaling verantwoordt

  • Aanvang

  • Collectief misdrijf

  • Feiten gedeeltelijk gepleegd na de datum waarop de beslissing kracht van gewijsde kreeg