- Arrest van 5 september 2013

05/09/2013 - C.12.0476.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De echtgenoot die tijdens het huwelijk inspanningen levert ten voordele van een eigen goed waardoor een meerwaarde werd gerealiseerd, is geen vergoeding verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen wanneer die inspanningen een bijdrage in de lasten van het huwelijk uitmaken; wanneer zij geen bijdrage in de lasten van het huwelijk vormen, geven die inspanningen slechts aanleiding tot vergoeding in zoverre het gemeenschappelijk vermogen hierdoor inkomsten heeft moeten derven (1). (1) Zie gedeeltelijk andersl. concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0476.N

K.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

T.,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 17 april 2012.

Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- de artikelen 221, eerste lid, 1405, 1°, 1432 en 1435 van het Burgerlijk Wetboek;

- het algemeen rechtsbeginsel dat niemand zich zonder oorzaak ten laste van een ander mag verrijken, zoals onder meer bevestigd in de artikelen 1235, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

In het bestreden arrest verklaart het hof van beroep het hoger beroep van de eiser ongegrond en beslist het dat de stelling van de notaris m.b.t. het onroerend goed te Ramsel moet worden bijgetreden en dat de eiser met name een vergoeding verschuldigd is aan de gemeenschap voor de huidige waarde van de constructie, onder aftrek van de facturen die dateren van vóór het huwelijk. Het hof van beroep neemt die beslissing op grond van alle vaststellingen en motieven waarop zij steunt en die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen en in het bijzonder de volgende:

"het onroerend goed te Ramsel, (...)

1. De boedelnotaris stelt dat [de eiser] een vergoeding verschuldigd is aan het gemeenschappelijk vermogen ten bedrage van de waarde van de constructies zoals geschat door landmeter Van Dun op 162.000 euro, maar verminderd met de waarde van de facturen betaald voor het huwelijk, zijnde 5.387,05 euro. [...]

2. [De eiser] heeft op 26 september 1989, d.w.z. vóór het huwelijk de woning aangekocht. Bijgevolg is de woning een eigen goed. Het wordt niet betwist dat de later opgetrokken constructies door natrekking eveneens eigen zijn. Nadien werd de woning nagenoeg volledig afgebroken, op een enkele muur na en werd zij helemaal opnieuw opgebouwd. [...]

Hieruit volgt dat bewezen is dat het grootste deel der werken is uitgevoerd tijdens het huwelijk.

3. De facturen hebben veelal slechts betrekking op de aankoop van bouwmaterialen. De inspanningen van de [eiser], die er kennelijk voor gekozen heeft een groot deel van de werken zelf uit te voeren, dienen vanaf de datum van het huwelijk beschouwd te worden als een bijdrage in de gemeenschappelijke lasten, zodat de vrucht van deze inspanningen gemeenschappelijk is. [...]

5. De met gemeenschapsgelden betaalde facturen, hebben betrekking op werken die alleszins gediend hebben tot verbetering van het onroerend goed. Dit geldt ook voor de werkzaamheden van de klussende echtgenoot die daardoor een meerwaarde realiseert aan een eigen goed.

De meerwaarderegel van artikel 1435 Burgerlijk Wetboek is derhalve wel degelijk van toepassing.

6. Bijgevolg dient de stelling van de notaris te worden bijgetreden, met name dat vergoeding verschuldigd is voor de huidige waarde van de constructie, onder aftrek van de facturen die dateren van vóór het huwelijk."

Grieven

1. Eerste onderdeel

Luidens artikel 1405, 1°, Burgerlijk Wetboek zijn gemeenschappelijk, de inkomsten uit de beroepsbezigheden van elk der echtgenoten, alle inkomsten of vergoedingen die ze vervangen of aanvullen, evenals de inkomsten uit openbare of particuliere mandaten.

Op grond van die bepaling zijn de vruchten van de arbeidskracht van de echtgenoten gemeenschappelijk, ongeacht de verschijningsvorm ervan.

Overeenkomstig artikel 1432 Burgerlijk Wetboek is elk der echtgenoten vergoeding verschuldigd ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen, en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen.

Dat recht op vergoeding is gesteund op de theorie van de vermogensverschuiving zonder oorzaak.

Een vermogensverschuiving is zonder oorzaak wanneer er geen rechtsgrond is voor de verarming van het ene vermogen en de verrijking van het andere.

Krachtens artikel 1435 Burgerlijk Wetboek mag de vergoeding niet kleiner zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen. Hebben de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen bedragen en gelden echter gediend tot het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een goed, dan zal de vergoeding gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed bij de ontbinding van het stelsel indien het zich op dat tijdstip bevindt in het vergoedingsplichtige vermogen.

Naar luid van artikel 221, eerste lid, Burgerlijk Wetboek draagt iedere echtgenoot bij in de lasten van het huwelijk naar zijn vermogen.

Uit de samenlezing van die bepalingen volgt dat de echtgenoot die tijdens het huwelijk aan een eigen goed werken uitvoert en daaraan aldus een meerwaarde realiseert, voor die meerwaarde geen vergoeding verschuldigd is aan het gemeenschappelijk vermogen wanneer zijn inspanningen moeten worden beschouwd als een bijdrage in de lasten van het huwelijk, aangezien in dat geval een oorzaak bestaat voor de vermogensverschuiving tussen het gemeenschappelijk vermogen en zijn eigen vermogen.

Na te hebben overwogen, enerzijds, dat de inspanningen van de eiser, die er kennelijk voor gekozen heeft een groot deel van de werken zelf uit te voeren, vanaf de datum van het huwelijk moeten worden beschouwd als een bijdrage in de gemeenschappelijke lasten, en, anderzijds, dat de klussende echtgenoot door zijn werkzaamheden een meerwaarde realiseert aan een eigen woning, beslist het hof van beroep niet wettig dat de eiser aan de gemeenschap vergoeding verschuldigd is voor de huidige waarde van de constructie, onder aftrek van de facturen die dateren van vóór het huwelijk.

Aldus beslist het hof van beroep niet wettig dat de stelling van de notaris moet worden bijgetreden, met name dat door de eiser aan de gemeenschap vergoeding verschuldigd is voor de huidige waarde van de constructie, onder aftrek van de facturen die dateren van vóór het huwelijk en verklaart het hoger beroep van de eiser niet wettig ongegrond (schending van de artikelen 221, eerste lid, 1405, 1°, 1432 en 1435 Burgerlijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel dat niemand zich zonder oorzaak ten laste van een ander mag verrijken, zoals onder meer bevestigd in de artikelen 1235,1376 en 1377 Burgerlijk Wetboek).

2. Tweede onderdeel

In zijn definitief proces-verbaal van antwoord op beweringen en zwarigheden stelde de boedelnotaris zijn standpunt dat door de eiser een vergoeding verschuldigd is aan de gemeenschap voor de constructies ten belope van 162.000 euro, zoals verwoord in de staat van vereffening, in principe te handhaven, doch akkoord te gaan met een vermindering ten bedrage van de tegenwaarde van de facturen betaald vóór het huwelijk, zijnde 217.313 frank (5.387,05 euro).

Het hof van beroep treedt de stelling van de notaris bij, met name dat vergoeding verschuldigd is voor de huidige waarde van de constructie, onder aftrek van de facturen die dateren van vóór het huwelijk.

Het hof overweegt daarbij dat de met gemeenschapsgelden betaalde facturen betrekking hebben op werken die alleszins gediend hebben tot verbetering van het onroerend goed en dat dit ook geldt voor de werkzaamheden van de klussende echtgenoot die daardoor een meerwaarde realiseert aan een eigen woning, zodat de meerwaarderegel van artikel 1435 Burgerlijk Wetboek wel degelijk van toepassing is.

Noch door die motivering, noch door enige andere motivering beantwoordt het hof van beroep de aanvoering van de eiser, in zijn regelmatig ter griffie neergelegde conclusie van 14 november 2011 dat het niet opgaat de facturen die hij van vóór het huwelijk nog kon bijbrengen aangaande de ruwbouwwerkzaamheden ten bedrage van 5.387,05 euro enkel in rekening te brengen aan nominale waarde, dat die ruwbouwwerken eveneens moeten worden begroot aan de waarde op de datum van de ontbinding en dat het niet opgaat appelen met citroenen te vergelijken.

Conclusie

Het arrest is aldus niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 Grondwet).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 1432 Burgerlijk Wetboek is elk van de echtgenoten ver-goeding verschuldigd ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappe-lijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen en, in het alge-meen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappe-lijk vermogen.

Artikel 221, eerste lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat iedere echtgenoot bijdraagt in de lasten van het huwelijk naar zijn vermogen.

2. Hieruit volgt dat de echtgenoot die tijdens het huwelijk inspanningen levert ten voordele van een eigen goed waardoor een meerwaarde werd gerealiseerd, geen vergoeding verschuldigd is aan het gemeenschappelijk vermogen wanneer die inspanningen een bijdrage in de lasten van het huwelijk uitmaken.

Wanneer zij geen bijdrage in de lasten van het huwelijk vormen, geven die in-spanningen slechts aanleiding tot vergoeding in zoverre het gemeenschappelijk vermogen hierdoor inkomsten heeft moeten derven.

3. De appelrechter stelt vast dat:

- de eiser voor het huwelijk een woning heeft aangekocht, die bijgevolg zijn eigen goed is;

- deze woning nagenoeg volledig werd afgebroken en nadien heropgebouwd;

- het grootste deel van de werken aan die woning is uitgevoerd tijdens het huwe-lijk.

Hij oordeelt dat de inspanningen die de eiser heeft gedaan door een groot deel van de werken aan de woning zelf uit te voeren, vanaf de datum van het huwelijk beschouwd moeten worden als een bijdrage in de gemeenschappelijke lasten.

4. Door te oordelen dat de meerwaarde die de eiser door zijn inspanningen ge-realiseerd heeft aan de eigen woning gemeenschappelijk is, zodat de eiser vergoe-ding verschuldigd is voor de huidige waarde van de constructie, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht.

Het middel is in zoverre gegrond.

Tweede onderdeel

5. De eiser heeft in zijn appelconclusie van 14 november 2011 aangevoerd dat het niet opgaat om de facturen met betrekking tot werken uitgevoerd voor het hu-welijk enkel in rekening te brengen aan de nominale waarde en dat de ruwbouw-werken eveneens moeten worden begroot aan de waarde op de datum van de ont-binding.

Het arrest beantwoordt dit verweer niet.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het heeft geoordeeld over de vergoeding verschuldigd met betrekking tot het onroerend goed te Ramsel.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de afdelingsvoorzitters Eric Stassijns en Albert Fettweis, en de raadsheren Beatrijs Deconinck en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 5 september 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols B. Wylleman B. Deconinck

A. Fettweis E. Stassijns E. Dirix

Vrije woorden

  • Echtgenoot

  • Eigen vermogen

  • Eigen woning

  • Inspanningen

  • Meerwaarde

  • Vergoeding aan het gemeenschappelijk vermogen