- Arrest van 6 september 2013

06/09/2013 - C.12.0360.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het arrest is naar recht verantwoord, wanneer het beslist dat uit artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 januari 1984 tot vaststelling van de minimumgarantievoorwaarden van de verzekeringsovereenkomsten tot dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst met betrekking tot het privéleven volgt dat het verzekerde risico bestaat in de mogelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst van de verzekerde buiten de uitoefening van zijn beroepsactiviteit en dat het privéleven, dat in ruime zin moet worden verstaan, binnen het eigenlijke kader van de beroepsactiviteiten kan passen, aangezien de onderzochte feiten niet voortvloeien uit de eigenlijke beroepsactiviteit; het feit dat een gebouw met lucifers en papier in brand wordt gestoken, kan niet worden beschouwd als een feit dat voortvloeit uit de beroepsactiviteit (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2013, nr. … .

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0360.F

AG INSURANCE nv,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. AXA BELGIUM nv,

2. MERCATOR VERZEKERINGEN, partij die in de rechten treedt van Avero Belgium Insurance nv,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 29 maart 2012.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 22 juli 2013 een conclusie neergelegd ter griffie.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert de volgende vier middelen aan.

(...)

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1, 2 en 6, 1°, van het koninklijk besluit van 12 januari 1984 (gewijzigd bij het koninklijk besluit van 24 december 1992) tot vaststelling van de minimumgarantievoorwaarden van de verzekeringsovereenkomsten tot dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst met betrekking tot het privéleven, artikel 1 zowel vóór als na de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 24 december 1992;

- de artikelen 1134, 1135, 1156, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verwerpt het verweer van de eiseres, volgens hetwelk de litigieuze brand "voortvloeit uit de beroepsactiviteit van J. M.", dat de brand "geen verband houdt met het privéleven" en dus "niet kan worden gedekt door de eiseres, verzekeraar ‘burgerlijke aansprakelijkheid privéleven'", en veroordeelt de eiseres bijgevolg om aan elke verweerster, met name de brandverzekeraars van het slachtoffer (de abdij Scourmont te Chimay) die in de rechten van laatstgenoemde zijn getreden, een bedrag van 434.264,32 euro te betalen, vermeerderd met de moratoire en gerechtelijke interesten, en in de kosten van de twee aanleggen, om de volgende redenen:

"De [eiseres] voert aan dat [de verzekerde van de eiseres] heeft bekend dat hij de brand op 18 april 1997 heeft aangestoken, vóór het beëindigen van zijn beroepsprestaties, en dat de brand, aangezien hij is aangestoken in het kader van het beroepsleven, niet wordt gedekt door haar verzekering ‘privéleven'.

Zij grondt haar argument op de omschrijving van het ‘privéleven', zoals het voorkomt in de woordenlijst, pagina 13 van de algemene voorwaarden van de verzekeringspolis, volgens welke ‘alle feiten, daden of nalatigheden gedekt worden, met uitsluiting van die welke voortvloeien uit een beroepsactiviteit'.

De verzekeringspolis bepaalt het volgende : ‘Deze overeenkomst omvat de wettelijke garantie van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid "privéleven" overeenkomstig de koninklijke besluiten van 12 januari 1984 en 24 december 1992. [De eiseres] vult die wettelijke minimumgarantie gratis aan met uitbreidingen van de garantie'.

Krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit [van 12 januari 1984] geeft de gesloten overeenkomst de verzekerden een dekking die op zijn minst beantwoordt aan de bij dat besluit vastgestelde minimumgarantievoorwaarden.

Artikel 19bis, § 1, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen preciseert dat alle clausules en overeenkomsten die niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van die wet of van de besluiten en verordeningen ter uitvoering ervan worden geacht vanaf het sluiten van de overeenkomst te zijn opgesteld in overeenstemming met die bepalingen.

Uit die bepalingen volgt dat de dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid met betrekking tot het privéleven contractueel niet méér kan worden beperkt dan de wettelijke dekking die bepaald is in het koninklijk besluit van 12 januari 1984.

Bijgevolg moet worden verwezen naar de daarin vastgestelde minimumgarantievoorwaarden.

Artikel 1 in zijn oorspronkelijke versie bepaalde wat volgt : ‘Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder "burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst met betrekking tot het privéleven" de aansprakelijkheid krachtens de artikelen 1382 tot en met 1386bis van het Burgerlijk Wetboek en gelijkaardige bepalingen van buitenlands recht. Uitgesloten is de aansprakelijkheid die voortvloeit uit een beroepsactiviteit, met uitzondering evenwel van die voortspruitend uit beroepsverplaatsingen'.

De laatste zin van die bepaling werd gewoonweg geschrapt door het koninklijk besluit van 24 december 1992. Hieruit kan evenwel niet worden afgeleid dat de Koning het toepassingsgebied ervan heeft willen uitbreiden.

Uit de oorspronkelijke tekst van de betrokken bepaling volgt dat tegenover het privéleven geenszins het beroepsleven maar de uitoefening van een beroepsactiviteit wordt gesteld; die bewoordingen zijn als dusdanig opgenomen in de omschrijving van ‘privéleven' in de algemene voorwaarden van de [eiseres] : ‘alle feiten, daden of nalatigheden, met uitzondering van die welke voortvloeien uit een beroepsactiviteit'.

Uit de bewoordingen zelf van de litigieuze polis kan worden afgeleid dat de uitlegging van het begrip privéleven ruim moet worden opgevat, terwijl de beperkingen van de toepassing ervan slechts ‘de beroepsactiviteiten' en niet het ‘beroepsleven' betreffen. [...]

Betrekkingen in het kader van het beroep hoeven niet noodzakelijkerwijs te worden uitgesloten van het kader van het privéleven. [...]

Uit die talrijke benaderingen volgt dat het privéleven in een ruime zin moet worden begrepen en binnen het kader van de eigenlijke beroepsactiviteiten kan passen, op voorwaarde dat de te onderzoeken feiten niet voortvloeien uit de eigenlijke beroepsactiviteit".

Grieven

De heer E.M., vader van J.M., heeft op 16 februari 1993 bij de eiseres een verzekeringsovereenkomst "Burgerrechtelijke aansprakelijkheid gezin" gesloten.

Volgens artikel 1 van de algemene voorwaarden van die overeenkomst is de eiseres de volgende dekking verschuldigd :

"Wij verzekeren u wanneer u schade moet vergoeden die aan een derde, buiten overeenkomst is toegebracht :

- hetzij omdat u zelf aansprakelijk bent wegens een fout, nalatigheid of onvoorzichtigheid (artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek);

- hetzij omdat u aansprakelijk wordt gesteld voor de schade die is veroorzaakt door personen voor wie u aansprakelijk bent, zoals uw kinderen... (artikel 1384, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek) ;

(...)

- hetzij omdat een verzekerde aansprakelijk wordt gesteld, al bevindt hij zich in een staat van ernstige geestesstoornis of zwakzinnigheid (artikel 1386bis van het Burgerlijk Wetboek).

Volgens artikel 2 van de algemene voorwaarden zijn "alle personen die in het gezin van de verzekeringnemer wonen" verzekerd.

Het wordt niet betwist dat J.M. in 1997, op het ogenblik dat hij gebouwen van de abdij van Scourmont, brasserij Chimay, in brand heeft gestoken, bij zijn vader leefde en dus was verzekerd overeenkomstig de door zijn vader ondertekende polis burgerrechtelijke aansprakelijkheid gezin "Privéleven".

Evenmin wordt betwist dat die polis in overeenstemming is met de wettelijke garantie van burgerrechtelijke aansprakelijkheid "Privéleven", zoals die garantie is vastge-legd in het koninklijk besluit van 12 januari 1984 tot vaststelling van de minimumgarantievoorwaarden van de verzekeringsovereenkomsten tot dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst met betrekking tot het privéleven (zie wat dat betreft het hoofdstuk "Inleiding" van de algemene polisvoorwaarden).

Artikel 2 van het koninklijk besluit van 12 januari 1984 bepaalt wat volgt : "het verzekeringscontract dat is gesloten tot dekking van (...) de burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst met betrekking tot het privéleven, geeft aan de verzekerden ten minste een dekking overeenkomstig de minimumgarantievoorwaarden bij dit besluit vastgelegd".

Vóór de wijziging ervan bij koninklijk besluit van 24 december 1992, bepaalde artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 januari 1984 dat de aansprakelijkheid voortvloeiend uit een beroepsactiviteit moest worden uitgesloten van het begrip "burgerrechtelijke aansprakelijkheid met betrekking tot het privéleven". Het arrest erkent dat uit de schrapping van die verduidelijking niet kan worden afgeleid dat de Koning het toepassingsgebied van het koninklijk besluit van 12 januari 1984 inzake de dekking van de aansprakelijkheid "met betrekking tot het privéleven" heeft willen uitbreiden. Het blijft dus zeker dat de litigieuze polis, die bij onderstelling in overeenstemming is met de bepalingen van het koninklijk besluit van 12 januari 1984, de aansprakelijkheid voortvloeiend uit een beroepsactiviteit niet dekt.

Dat wordt nogmaals bevestigd door de omschrijving van de woorden "privéleven" in de algemene polisvoorwaarden (cfr. het hoofdstuk "Woordenlijst", p. 13) : "onder ‘privéleven' moet worden verstaan ‘alle feiten, daden of nalatigheden, met uitzondering van die welke voortvloeien uit de uitoefening van een be-roepsactiviteit".

De uitsluiting van alle daden die voortvloeien uit de uitoefening van een beroepsactiviteit in ruime zin, wordt onrechtstreeks bevestigd in artikel 6, 1°, van het voormelde koninklijk besluit van 12 januari 1984, luidens hetwelk "de schade voortvloeiend uit de burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst die onderworpen is aan een wettelijk verplicht gestelde verzekering van de dekking kan worden uitgesloten", alsook door artikel 15, 6, van de litigieuze verzekeringspolis, krachtens welke de eiseres geen dekking verleent voor "de schade voortvloeiend uit de burgerrechtelijke aansprakelijkheid die onderworpen is aan een wettelijk verplicht gestelde verzekering".

In zoverre de werknemer, volgens artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, met uitzondering van een kennelijke fout, niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de schade die hij tijdens de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst aan de werkgever of aan derden toebrengt, wordt zijn burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor een onrechtmatige daad die werd gepleegd tijdens de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst geacht te zijn gedekt door een andere verzekering dan de bij de eiseres gesloten verzekering "privéleven".

Hoewel het arrest te dezen erkent dat J.M. de brand van 18 april 1997 heeft aangestoken vóór het beëindigen van zijn "beroepsprestaties" in dienst van de vereniging zonder winstoogmerk "Abbaye de Scourmont", beslist het dat het voormelde feit niet viel onder "de uitoefening van de beroepsactiviteit", zodat het geacht moest worden tot het privéleven te behoren.

"Uit de oorspronkelijke tekst van [artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 januari 1984] volgt dat tegenover het privéleven geenszins het beroepsleven maar de uitoefening van een beroepsactiviteit wordt gesteld; die bewoordingen zijn als dusdanig opgenomen in de omschrijving van ‘privéleven' in de algemene voorwaarden van de [eiseres] : ‘alle feiten, daden of nalatigheden, met uitzondering van die welke voortvloeien uit een beroepsactiviteit'".

In tegenstelling tot wat het arrest beweert, heeft het feit dat werd gepleegd "tijdens de uitoefening van de beroepsactiviteit van de verzekerde" of dat, volgens de bewoordingen van het arrest, "voortvloeit uit de eigenlijke beroepsactiviteit", niet dezelfde betekenis als de bewoordingen die "de feiten die voortvloeien (uit de uitoefening) van een beroepsactiviteit" of een aansprakelijkheid "die is onderworpen aan een wettelijk verplicht gestelde verzekering" uitsluiten van de betrokken omschrijving van het privéleven in het koninklijk besluit van 12 januari 1984 en in de algemene voorwaarden van de litigieuze polis.

Uit de omstandigheid dat een feit niet valt onder de uitoefening van de eigenlijke be-roepsactiviteit van de verzekerde, kan met andere woorden niet worden afgeleid dat het voormelde feit "betrekking heeft op het privéleven" in de zin van het koninklijk besluit van 12 januari 1984 of dat het, volgens de oorspronkelijke tekst van artikel 1 van dat besluit, niet voortvloeit uit de beroepsactiviteit van de verzekerde.

In dezelfde zin is een daad die niet is gesteld tijdens de uitoefening van de eigenlijke beroepsactiviteit van de verzekerde daarom nog geen daad die is gesteld "in het kader van het privéleven" in de zin van artikel 1 van de algemene voorwaarden van de door E.M. ondertekende polis en evenmin een daad die "niet voortvloeit uit de uitoefening van een beroepsactiviteit", zoals omschreven op pagina 13 van de algemene polisvoorwaarden of een daad die niet is gedekt door een wettelijk verplicht gestelde verzekering (artikel 15, 6, van de polis).

Luidens de bewoordingen van de polis wordt alleen de schade gedekt die is veroorzaakt "in het kader van het privéleven" en "buiten elke overeenkomst".

Krachtens artikel 1156 van het Burgerlijk Wetboek moet men in de overeenkomsten nagaan welke de gemeenschappelijke bedoeling van de contracterende partijen is geweest, veeleer dan zich aan de letterlijke zin van de woorden te houden.

In concreto heeft J.M. volgens het arrest de brand of branden bij zijn werkgever ge-sticht in het kader van zijn "beroepsleven", maar niet tijdens de uitoefening van de eigenlijke beroepsactiviteit, en zijn het dus geen daden en kunnen ze ook geen daden zijn die betrekking hebben op het "privéleven" in de zin van het koninklijk besluit van 12 januari 1984 of die zijn gepleegd in het kader van het privéleven buiten elke overeenkomst (artikel 1 van de algemene polisvoorwaarden).

Die daden vloeien immers voort uit de beroepsactiviteit van J.M., aangezien ze zijn gepleegd bij en in het nadeel van zijn werkgever, tijdens de uren waarin J.M. in dienst van de werkgever werkte, nog afgezien van het feit dat ze verband houden met de contractuele verhouding tussen J.M. en zijn werkgever (cfr. in dat verband de syntheseconclusie in hoger beroep van de eiseres, bladzijde 6: "Verhoor van de heer J.M. op 4 juni 1997 om 9.52 uur: ‘Ik heb brand gesticht omdat ik gevraagd had om voltijds te mogen werken maar dat werd me, ondanks verschillende aanvragen, steeds geweigerd").

Eerste onderdeel

Het arrest, dat beslist dat de eiseres de verweersters krachtens het voormelde koninklijk besluit van 12 januari 1984 moet vergoeden voor de schade voortvloeiend uit de door de heer J.M. gestichte branden, schendt derhalve het koninklijk besluit van 12 januari 1984, meer bepaald de artikelen 1, 2 en 6, 1°, waarin de toepassingsvoorwaarden van de verzekeringsovereenkomsten burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst "betreffende het privéleven" zijn vastgelegd en die de schade "voortvloeiend uit een beroepsac-tiviteit" (artikel 1 in zijn oorspronkelijke vorm) of die onderworpen is aan een wettelijk verplicht gestelde verzekering (artikel 6, 1°) van de dekking "privéleven" uitsluiten.

(...)

Derde middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- Artikel 18, eerste en tweede lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

Aangevochten beslissingen

Hoewel het arrest de toepasselijkheid niet verwerpt van artikel 18 van de wet van 3 juli 1978, volgens hetwelk de werknemer niet aansprakelijk is voor aan de werkgever toegebrachte schade, stelt het de heer J.M. niettemin aansprakelijk en veroordeelt het de eiseres om aan de verweersters een bedrag van 434.264,32 euro te storten, dit zijn de vergoedingen die zij voor die schade aan de werkgever van J.M. hebben betaald, om de volgende redenen:

"Gesteld dat artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten wegens het bestaan van een arbeidsovereenkomst te dezen van toepassing is, rijst inzonderheid de vraag of die burgerrechtelijke vrijstelling van de werknemer (buiten het geval van kennelijke fouten) ook een werknemer dekt van wie wordt erkend dat hij, krachtens artikel 1386bis van het Burgerlijk Wetboek, geen fout heeft kunnen begaan.

Indien hij geen fout heeft kunnen begaan, kan de werkgever, teneinde niet aansprakelijk te worden gesteld, ook niet aantonen dat die werknemer in de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst geen kennelijke fout (dat wil zeggen een zware fout of gewoonlijk voorkomende lichte fouten) heeft begaan.

De heer J.M. heeft geen fout begaan in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, omdat in dit geval het opzettelijk bestanddeel, met name de controle over zijn daden, ontbreekt.

Het staat echter ontegenzeglijk vast dat artikel 1386bis betrekking heeft op de persoonlijke aansprakelijkheid van krankzinnigen en abnormalen, te weten alle gevallen waarin de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek tegen hen konden zijn aangevoerd indien zij oordeelsvermogen hadden bezeten [...].

De daad van de heer J.M. moet dus worden gekwalificeerd als een objectief onrechtmatige daad, d.w.z. een daad die als een fout zou zijn aangemerkt indien de dader oordeelsvermogen had bezeten.

Bijgevolg staat niets eraan in de weg op een soortgelijke manier te onderzoeken of de objectief onrechtmatige daad geen kennelijke objectief onrechtmatige daad is die kan worden aangemerkt als een ‘zware' objectief onrechtmatige daad in de zin van artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

De objectief onrechtmatige daad van de heer J.M. is te dezen dus een ‘zware' objectief onrechtmatige daad waarvoor, overeenkomstig artikel 18 van de wet van 3 juli 1978, de werknemer burgerrechtelijke aansprakelijk kan worden gesteld.

De [eiseres] kan bijgevolg niet op grond van die wetsbepaling weigeren haar dekking te verlenen".

Grieven

Artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 bepaalt, in het eerste lid, dat de werknemer, "ingeval hij bij de uitvoering van zijn overeenkomst de werkgever of derden schade berokkent, enkel aansprakelijk is voor zijn bedrog en zijn zware schuld" en, in het tweede lid, dat "hij voor lichte schuld enkel aansprakelijk is als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt".

Kortom, de werknemer is, zoals het arrest zegt, met uitzondering van kennelijke fouten niet aansprakelijk voor de schade van zijn werkgever.

Het arrest, dat de eiseres veroordeelt om de verweersters te vergoeden voor de door de branden aan de abdij van Scourmont-Chimay toegebrachte schade, hoewel het had vastgesteld dat die branden niet te wijten waren aan kennelijke fouten van de heer J.M. maar aan een zware objectief onrechtmatige daad, schendt bijgevolg het voormelde artikel 18 van de wet van 3 juli 1978.

Vierde middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- De artikelen 1134, 1135, 1319, 1320, 1322 en 1386bis van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart de vorderingen van de verweersters gegrond en veroordeelt de eiseres om hen een bedrag van 434.264,32 euro, vermeerderd met de moratoire interest vanaf 18 april 1997 en de kosten te betalen, om de volgende redenen:

"Het opzettelijk karakter van het schadegeval is een grond tot uitsluiting van de dekking, die door de verzekeraar moet worden aangetoond.

[De eiseres] dient dus aan te tonen dat de heer J.M., op het ogenblik van het schadegeval, uit vrije wil handelde.

Een deel van de rechtspraak heeft geoordeeld dat de geestesstoornis van de dader op het ogenblik van de feiten niet uitsluit dat hij een opzettelijke fout heeft begaan waardoor de dekking van de verzekering geweigerd kan worden in de zin van artikel 8, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst. Hoewel de krankzinnige niet steeds handelt uit vrije wil, kan de dader het voornemen hebben opgevat om een daad te plegen, wat kan blijken uit de omstandigheden waarin de daad is gesteld. Een ernstige geestesstoornis sluit dus niet noodzakelijkerwijs uit dat de dader het voornemen of de wil had om een schadelijke daad te plegen. (...)

Die oplossing lijkt wel erg betwistbaar wanneer ze naast de onderrichtingen uit het strafrecht wordt geplaatst. Ze blijkt immers in één moeite door opzet en vrije wil, bedrog en toerekenbaarheid door elkaar te halen. De opzettelijke fout veronderstelt, net als elke fout, dat ze vrij en bewust is begaan. Dat bestanddeel mag evenwel niet worden verward met het misdadige of strafbare voornemen. Het bestaan van het voornemen om een daad te plegen, neemt niet weg dat er nog steeds een bepaald oordeelsvermogen vereist is, anders is er geen toerekeningsvatbaarheid noch een fout. Indien niet is aangetoond dat de krankzinnige de schadelijke daad heeft gepleegd in een helder moment, kan er dus geen sprake zijn van een opzettelijke fout.

Het Hof van Cassatie heeft dat standpunt bevestigd in een arrest van 12 februari 2008. De omstandigheid dat er voor de strafrechter is aangetoond dat de in-verdenkinggestelde, op het ogenblik van de feiten, in een ernstige staat van geestesstoornis bevond die hem voor de controle van zijn daden ongeschikt maakte, waardoor de rechter hem op grond van de in artikel 71 van het Strafwetboek bepaalde schulduitsluitingsgrond vrijspreekt, sluit onvoorwaardelijk uit dat de vrijgesproken dader het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt in de zin van artikel 8, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landver-zekeringsovereenkomst (B. Dubuisson e.a., 'La responsabilité civile - Chronique de jurisprudence 1996-2007 - Volume I : Le fait générateur et le lien causal', Les dossiers du J.T., nr. 74, p. 79 en 80).

Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen het vrijwillige en het opzettelijke karakter van de gepleegde objectief onrechtmatige daad. Hoewel de dader, die zich op het ogenblik van de feiten in een ernstige staat van geestesstoornis bevond, dergelijke feiten heeft willen plegen en daarvoor bepaalde middelen heeft aangewend, heeft hij die feiten, aangezien hij zich in die staat van ernstige geestesstoornis bevond, niet bewust kunnen plegen: hij was ongeschikt om zijn daden te controleren. Een aanwijzing voor die ongeschiktheid zijn bijvoorbeeld de onzinnige beweegredenen van de dader.

Artikel 1386bis van het Burgerlijk Wetboek bepaalt drie gevallen van vermindering van de verstandelijke vermogens : krankzinnigheid, de staat van ernstige geestesstoornis en zwakzinnigheid, die de betrokkene voor de controle van zijn daden ongeschikt maken".

Grieven

Het arrest herinnert eraan dat artikel 15.1 van de algemene voorwaarden van de door de vader van de heer J.M. ondertekende polis de schade voortvloeiend uit de burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst van de verzekerde, in zijn hoedanigheid van dader van een opzettelijk feit, van dekking uitsluit.

In tegenstelling tot wat het arrest beslist, vereist het opzettelijke feit, dat niet met de opzettelijke fout samenvalt, niet dat het feit vrij en bewust is gepleegd.

Het feit dat gepleegd wordt door een dader die zich in een staat van krankzinnigheid of ernstige geestesstoornis bevindt in de zin van artikel 1386bis van het Burgerlijk Wetboek, sluit immers niet uit dat hij het voornemen of de wil had om dat feit te plegen.

Een dergelijk feit blijft met andere woorden een opzettelijk feit. Hoewel de heer J.M. wegens zijn geestestoestand niet uit vrije wil heeft gehandeld en bijgevolg op geen enkele manier strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld, kan toch niet worden betwist dat de heer J.M. gehandeld heeft met het oogmerk de gebouwen van zijn werkgever in brand te steken en dat hij dus een opzettelijk feit heeft gepleegd in de zin van het voormelde artikel 15.1 van de algemene voorwaarden van de litigieuze verzekeringsovereenkomst.

Het arrest, dat het tegendeel beslist, geeft tegelijkertijd aan het beding dat het opzettelijk feit als bedoeld in artikel 15.1 van de algemene polisvoorwaarden van dekking uitsluit, een betekenis die niet verenigbaar is met de normale betekenis en draagwijdte ervan (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek), miskent de verbindende kracht van dat beding (schending van de artikelen 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek) en past artikel 1386bis van het Burgerlijk Wetboek niet naar recht toe (schending van die bepaling).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Tweede middel

Eerste onderdeel

Artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 januari 1984 tot vaststelling van de mi-nimumgarantievoorwaarden van de verzekeringsovereenkomsten tot dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst met betrekking tot het privéleven, zoals het op de feiten van toepassing is, bepaalt dat voor de toepassing van dat besluit, onder burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst met betrekking tot het privéleven de aansprakelijkheid krachtens de artikelen 1382 tot en met 1386bis van het Burgerlijk Wetboek en gelijkaardige bepalingen van buitenlands recht wordt verstaan.

Uit die bepalingen volgt dat het verzekerde risico bestaat in de mogelijke aanspra-kelijkheid buiten overeenkomst van de verzekerde buiten de uitoefening van zijn beroepsactiviteit.

Het arrest stelt vast dat de algemene voorwaarden van de litigieuze verzekerings-polis de handelingen van het privéleven omschrijven als "alle feiten, daden of na-latigheden, met uitsluiting van die welke voortvloeien uit de uitoefening van een beroepsactiviteit".

Het arrest beslist dat uit de bewoordingen van die omschrijving volgt dat "de uit-legging van het begrip privéleven ruim moet worden opgevat" en dat "de beper-kingen van de toepassing ervan slechts ‘de beroepsactiviteiten' en niet het ‘be-roepsleven' betreffen".

Het arrest beslist dat, bijgevolg, "het privéleven in een ruime zin moet worden be-grepen en binnen het kader van de eigenlijke beroepsactiviteiten kan passen, op voorwaarde dat de te onderzoeken feiten niet voortvloeien uit de eigenlijke be-roepsactiviteit", en dat "elke uitgebreide uitlegging die [de eiseres] aan het begrip ‘beroepsleven' zou willen geven, verworpen moet worden en dat het in brand ste-ken van een gebouw met lucifers en papier niet kan worden beschouwd als een feit dat voortvloeit uit de beroepsactiviteit".

Het arrest heeft op grond van die vermeldingen naar recht kunnen beslissen dat "het aan J. M. verweten feit dus binnen de toepassing van de verzekeringspolis valt".

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

(...)

Derde middel

De aansprakelijkheidsbeperking van artikel 18, eerste lid, Arbeidsovereenkom-stenwet is alleen van toepassing op de schade die de werknemer veroorzaakt tij-dens de uitvoering van zijn overeenkomst.

Het arrest beslist, om de in het tweede middel vergeefs bekritiseerde redenen, dat de door de verzekerde van de eiseres gepleegde feiten niet zijn gepleegd in de uit-oefening van zijn beroepsactiviteit.

Het voormelde artikel 18, eerste lid, is hier derhalve niet van toepassing.

Het middel dat, gesteld dat het gegrond was, niet tot cassatie kan leiden, is niet ontvankelijk.

Vierde middel

Het arrest beslist dat "het opzettelijk karakter van het schadegeval een grond tot uitsluiting van de dekking is, die door de verzekeraar moet worden aangetoond", en dat de eiseres, die "betoogt dat de heer J.M. op het ogenblik van de feiten, en niettegenstaande de beslissing tot internering van de raadkamer van 11 juli 1997, uit vrije wil handelde en over voldoende wil beschikte, zodat zijn daad als opzette-lijk moet worden aangemerkt", moet "aantonen dat de heer J. M. op het ogenblik van het schadegeval uit vrije wil handelde".

Het arrest beslist ook, op grond van een feitelijke beoordeling, dat "uit het onder-zoek duidelijk blijkt dat de heer J.M. eerder lijdt aan zwakzinnigheid, d.w.z. een mentale achterstand, dan aan een pathologische psychische aandoening", dat "de verklaringen van de heer M. duidelijk verwarder zijn [dan wat de deskundige van de eiseres beweert]", dat "hij wel herhaaldelijk spreekt van wraak, maar ook an-dere motieven vermeldt en dat moeilijk kan worden achterhaald welk motief de doorslag heeft gegeven toen hij zijn plan ten uitvoer bracht, als er al een motief de bovenhand heeft gekregen", dat "de heer J.M. kennelijk geen normaal realiteits-besef heeft, dat hij zich niet bewust is van de gevolgen van zijn daden en dat zijn motieven schimmig zijn, daar hij nu eens spreekt van wraak, dan weer van het verschaffen van werk aan iedereen en van een goddelijke missie" en dat "het schadeveroorzakende feit, hoewel vrijwillig, niet kan worden geacht opzettelijk te zijn gepleegd".

Het arrest geeft van het beding van de algemene voorwaarden van de verzeke-ringspolis, volgens welke de schade voortvloeiend uit de burgerrechtelijke aan-sprakelijkheid buiten overeenkomst van de verzekerde, in zijn hoedanigheid van dader van een opzettelijk feit, niet wordt gedekt, een uitlegging die niet onvere-nigbaar is met de bewoordingen ervan en verleent aan dat beding, in die uitleg-ging, de gevolgen die het tussen de partijen naar recht teweegbrengt.

Het middel verwijt het arrest voor het overige te beslissen dat het door de verze-kerde van de eiseres gepleegde feit, wegens de vermindering van zijn verstande-lijke vermogens, geen opzettelijk karakter heeft.

Die grief houdt geen verband met artikel 1386bis Burgerlijk Wetboek, waarvan de schending is aangevoerd.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Michel Lemal en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 6 sep-tember 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezig-heid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst

  • Privé-leven