- Arrest van 12 september 2013

12/09/2013 - C.13.0045.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit artikel 198, §1, vierde streepje, Wetboek Vennootschappen volgt dat de verjaring begint te lopen van zodra de verrichtingen niet meer verborgen worden gehouden en de benadeelde derhalve in de mogelijkheid verkeert deze te kennen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.13.0045.N

1. EEG SLACHTHUIS VERBIST IZEGEM nv, met zetel te 8870 Izegem, Gentse Heerweg 78,

2. ABATTOIR ET MARCHE DE BASTOGNE nv, met zetel te 6600 Bastogne, rue de Abattoirs 6,

eiseressen,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187, bus 302, waar de eiseressen woon-plaats kiezen,

tegen

1. A D,

2. A D,

3. W D,

4. L D,

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerders woon-plaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 25 juni 2012.

Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseressen voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee mid-delen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Artikel 198, § 1, vierde streepje, Wetboek Vennootschappen bepaalt dat alle rechtsvorderingen tegen zaakvoerders, bestuurders, commissarissen of vereffe-naars wegens verrichtingen in verband met hun taak verjaren door verloop van vijf jaar te rekenen van die verrichtingen of, indien ze met opzet verborgen zijn gehouden, te rekenen van hun ontdekking.

2. Uit die wetsbepaling volgt dat de verjaring begint te lopen van zodra de ver-richtingen niet meer verborgen worden gehouden en de benadeelde derhalve in de mogelijkheid verkeert deze te kennen.

In zoverre het onderdeel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

3. De appelrechters overwegen dat:

- het aan de hand van de gegevens die voorhanden waren op de datum van het faillissement van de vennootschap, voor de deskundige mogelijk was om de aangeklaagde handelingen te onderzoeken, vast te stellen en een verslag op te maken en dat de betrokken daden met andere woorden vanaf de datum van het faillissement niet meer verborgen werden gehouden door de verweerders;

- ook de eisers, als benadeelde schuldeisers, vanaf de datum van het faillissement de mogelijkheid hadden tot kennisname van het cijfermateriaal van hun schuldenaar en in elk geval van zodra de curatoren hun verslag bedoeld in arti-kel 39, 7° en 39 in fine Faillissementswet ter griffie hadden neergelegd, name-lijk op 8 april 2002;

- uit dit verslag de spectaculaire wijziging blijkt van de omzet, de voorraad, de vorderingen op klanten, de leveranciersschulden, het resultaat en het eigen vermogen van de gefailleerde vennootschap, lopende vanaf 31 december 2000, over de prognose van de bedrijfsrevisoren tot de balans opgesteld op 23 augus-tus 2001, waaruit kennelijk de voortzetting van een deficitaire onderneming bleek;

- vanaf het faillissement de deficitaire toestand van de onderneming uiteraard niet meer verborgen was en de eisers uiterlijk dan beseften hoe financieel on-gezond hun debiteur was;

- de beweerde volstorting van het maatschappelijk kapitaal door middel van le-ningen gebeurde in juli 2001 en dus gekend was bij de faillietverklaring, uiter-lijk na het neerleggen van het curatorenverslag op 8 april 2002.

Zij vermelden aldus de redenen op grond waarvan zij oordelen dat de eisers op datum van het faillissement, minstens bij de neerlegging van het verslag van de curatoren op 8 april 2002, kennis konden hebben van de voordien verborgen gehouden verrichtingen en hoefden niet meer te antwoorden op de in het middel aangehaalde, daarmee strijdige argumenten van de eisers, die geen afzonderlijk middel vormen.

4. In zoverre het middel schending van de motiveringsverplichting aanvoert, kan het niet worden aangenomen.

Tweede middel

5. Het middel verduidelijkt niet hoe en waardoor het bestreden arrest artikel 2262bis, § 1, 2°, Burgerlijk Wetboek zou hebben geschonden.

In zoverre is het middel onontvankelijk bij gebrek aan nauwkeurigheid.

6. Met de in randnummer 3 vermelde redenen beantwoorden de appelrechters het verweer van de eisers dat zij op het ogenblik van het faillissement geen rede-nen hadden om aan frauduleuze handelingen in het kader van en/of als oorzaak van het faillissement te denken en dat zij pas in de loop van de door hen ten aan-zien van de gefailleerde gevoerde revindicatieprocedure hebben ontdekt dat er sprake was van een frauduleus faillissement en dat de gefailleerde daarbij boven-dien door de verweerders onvermogend werd gemaakt.

7. Deze redenen stellen het Hof in staat om zijn wettigheidscontrole uit te oe-fenen.

In zoverre het middel schending van de motiveringsverplichting aanvoert, mist het feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eisers op 1005,77 euro en voor de verweerders op 262,22 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 12 september 2013 uitgesproken door afde-lingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche B. Wylleman A. Smetryns

B. Deconinck E. Stassijns E. Dirix

Vrije woorden

  • Rechtsvorderingen en verjaring

  • Termijnen

  • Artikel 198, § 1, vierde streepje, Vennootschappenwet