- Arrest van 16 september 2013

16/09/2013 - C.11.0511.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De verbintenissen van de borg, in het geval bepaald bij artikel 3, §6, vijfde lid, van de regels betreffende de huurovereenkomsten met betrekking tot de hoofdverblijfplaats in het bijzonder, vervat in artikel 2 van de wet van 20 februari 1991, dekken, behoudens een beperking van duur bepaald in de borgtocht, de verplichtingen van de huur van de hoofdverblijfplaats voor het geheel van de volle negen jaar; de verplichtingen van de borg blijven aldus beperkt tot diegene die volgen uit de huurovereenkomst waarvoor zij zijn aangegaan, conform artikel 2015 van het Burgerlijk Wetboek (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0511.F

C. S.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

A. R.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel van 9 maart 2011.

Bij beschikking van de eerste voorzitter van 28 augustus 2013 werd de zaak ver-wezen naar de derde kamer.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 28 augustus 2013 een schriftelij-ke conclusie neergelegd.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1738, 1740, 2013 en 2015 van het Burgerlijk Wetboek ;

- artikel 3, § 6, vervat in artikel 2 van de wet van 20 februari 1991 houdende wijzi-ging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake huishuur en houden-de de regels betreffende de huurovereenkomsten met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de huurder;

- de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aangevochten beslissing

Het bestreden vonnis stelt vast dat op 17 juni 2004 een huurovereenkomst van korte duur (drie jaar) werd gesloten met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de huurder tussen, enerzijds, de verweerster, verhuurster en, anderzijds, P. C., huurster, en de eiser, in de hoedanigheid van borg van P. C.; dat bij het verstrijken van de huurovereenkomst geen enkele opzegging werd gegeven binnen de wettelijke termijn bepaald in artikel 3, § 6, van de Woninghuurwet en dat de huurster in het goed is gebleven zonder dat de verweerster zich daar tegen verzette; dat de huurster de huur van de maanden juli, augustus en september 2008, en het saldo van de lasten van de jaren 2006 en 2007 niet heeft betaald; dat bij door P. C. niet beroepen vonnis, de vrederechter de huurovereenkomst ten laste en ten nadele van deze huurster heeft beëindigd en haar veroordeeld heeft tot het betalen van 4.235,01 euro achterstallige huur en 1.885,77 euro wederverhuringsvergoeding. Vervolgens willigt het bestreden vonnis de vordering van de verweerster in en veroordeelt het de eiser als borg tot het betalen van de som van 6.120,78 euro, vermeerderd met de gerechtelijke interest en de kosten.

Deze beslissing steunt op alle motieven van het vonnis die hier als volledig weer-gegeven worden beschouwd en in het bijzonder op de volgende motieven:

"II.2 Wat betreft de toepassing van artikel 1740 van het Burgerlijk Wetboek op de verplichting van de borg.

1. De eerste rechter heeft geoordeeld artikel 1740 van het Burgerlijk Wetboek te moeten toepassen dat bepaalt dat ‘in het geval van de artikelen 1738 en 1739, de verplichtingen van de borgtocht zich niet uitstrekken tot de verplichtingen die uit de wederinhuring ontstaan'.

Uitgaande van de vaststelling dat de wanuitvoering door P. C. na de vermoedelijke wederinhuring is gebeurd, wijst de eerste rechter de vordering van de verweerster tegen de eiser af op grond van die bepaling.

2.1. Overeenkomstig dat artikel is de borg niet gehouden tot de verplichtingen van de huurder in het geval van een stilzwijgende wederinhuring (artikel 1738 van het Burgerlijk Wetboek) of, wat hier niet het geval is, indien de huurder zonder titel noch recht in het genot gebleven is na het verstrijken van de huurovereenkomst, niettegenstaande het bestaan van een opzegging die door de verhuurder betekend is, waardoor elke stilzwijgende wederinhuring uitgesloten wordt (artikel 1739 van het Burgerlijk Wetboek).

De stilzwijgende wederinhuring is het ‘mechanisme waardoor een nieuwe huurovereenkomst tot stand komt wanneer, bij het verstrijken van een schriftelijke huurovereenkomst van een uitdrukkelijk bepaalde duur, de huurder het goed nog betrekt zonder dat de verhuurder zich verzet'. Per definitie is er dus slechts sprake van een stilzwijgende wederinhuring wanneer het gaat om een huurovereenkomst van uitdrukkelijk bepaalde duur die automatisch eindigt bij het verstrijken van de termijn, onafgezien van enige opzegging.

Indien de huurder het goed verder betrekt zonder dat de verhuurder zich verzet, komt een nieuwe huurovereenkomst tot stand onder de voorwaarden van de vorige huurovereenkomst, met inbegrip van de duur. De wederinhuring staat niet gelijk aan het voortzetten van een vorige huurovereenkomst, maar heeft integendeel als kenmerk dat de vorige huurovereenkomst wordt beëindigd en een nieuwe huurovereenkomst stilzwijgend wordt gesloten.

2.2 Dit bijzonder lot van de borgtocht dat kadert in het algemeen stelsel van de huurovereenkomsten van gemeen recht, moet niettemin wijken voor bijzondere aanpassingen waarin de wetgever, zoals in dit geval, voor sommige welbepaalde soorten huurovereenkomsten heeft voorzien, zoals artikel 3, § 6, van de Woninghuurwet dat aan het ontbreken van een opzegging of aan het blijven bewonen van het goed door de huurder na het verstrijken van de termijn zonder verzet van de verhuurder niet de sanctie van stilzwijgende wederinhuring verbindt, maar integendeel voorziet in een omzetting van de oorspronkelijke huurovereenkomst, die wordt ‘geacht te zijn aangegaan voor een duur van negen jaar te rekenen van de datum waarop de aanvankelijke huurovereenkomst van korte duur in werking is getreden'.

Dat soort huurovereenkomst wordt derhalve nooit verlengd of hernieuwd als een nieuwe huurovereenkomst die dezelfde is als de vorige, maar blijft integendeel be-staan en wordt door de wet omgezet in een huurovereenkomst van gemeen recht van negen jaar. De wet bewerkstelligt niet het uitdoven van de eerste huurovereenkomst van korte duur, maar zijn behoud in een andere vorm.

Ten overvloede gaat het hier evenmin om een loutere verlenging waarbij enkel de vervaldag opgeschoven wordt zonder andere wijziging, vermits het stelsel van de huurovereenkomsten van negen jaar in de plaats treedt van de bijzondere regels die van toepassing zijn op de huurovereenkomst van korte duur.

2.3 Hoe dan ook kan er geen stilzwijgende wederinhuring worden ingeroepen aangezien de oorspronkelijke huurovereenkomst niet is beëindigd en artikel 1740 van het Burgerlijk Wetboek bijgevolg niet kan worden toegepast.

II.3 Draagwijdte van de verbintenis van de borg

1. Artikel 2015 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat borgtocht niet wordt ver-moed; hij moet uitdrukkelijk zijn aangegaan, en men mag hem niet verder uit-strekken dan de perken waarbinnen hij is aangegaan.

Het is dus van belang om het borgtochtbeding strikt uit te leggen, zonder de duidelijke verplichtingen die aangegaan zijn door de borg verder uit te strekken.

Te dezen vermeldt de huurovereenkomst onder de naam van de borg dat hij ‘verklaart zich hoofdelijk en ondeelbaar borg te stellen voor alle verbintenissen van de huurster die uit deze huurovereenkomst voortvloeien en hun gevolgen, waarvan hij verklaart kennisgenomen te hebben'.

Een analyse van de huurovereenkomst zal de grenzen van de verplichting van de borg helpen afbakenen. (...)

4. Er moet dus worden aangenomen dat de borg zich verbonden heeft op basis van een exemplaar met doorhaling van de vermelding van de omzetting van de huurovereenkomst van korte duur in een huurovereenkomst van negen jaar bij ontstentenis van een opzegging binnen de termijn bepaald bij de wet. Hij voert aan dat die schrapping aantoont dat zijn verbintenis strikt beperkt was tot de oor-spronkelijke drie jaar.

Er moet nochtans worden vastgesteld dat de schrapping van die vermelding, die erop neerkomt dat ze uit de overeenkomst verdwijnt, op zich geen enkel juridisch gevolg heeft voor de verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst, vermits de geschrapte tekst bijna letterlijk een artikel van de Woninghuurwet herneemt, waarvan de bepalingen dwingend zijn krachtens haar artikel 12.

Deze doorhaling bij het ondertekenen van de overeenkomst kon dus niet als doel hebben om de verhuurster vrij te stellen van haar wettelijke verplichting een op-zegging te geven drie maanden voor het verstrijken van de termijn, in zoverre geen van de partijen kon afwijken van deze bepaling bij het ondertekenen van de overeenkomst. De omzetting van de huurovereenkomst die aanvankelijk van korte duur was in een huurovereenkomst van negen jaar bleef dus, onder de in de wet bepaalde voorwaarden, een automatisch en verplicht gevolg.

Het doet er dus niet toe of die tekst al dan niet in de overeenkomst staat die door de borg ondertekend is om toepasselijk te zijn, zoals hij overigens te dezen toegepast is, aangezien de huurovereenkomst inderdaad omgezet is bij het verstrijken van zijn oorspronkelijke termijn.

De eiser die zich algemeen borg heeft gesteld voor de verplichtingen van de huurster die uit de huurovereenkomst voortvloeien ‘en voor hun gevolgen', zonder de contractuele, gerechtelijke of wettelijke gevolgen te onderscheiden, kan niet legitiem de schrapping als voorwendsel gebruiken om zijn verbintenis te beperken tot de enkele termijn van drie jaar die oorspronkelijk was aangegaan, terwijl de omzetting van de huurovereenkomst van drie jaar in een huurovereenkomst van gemeen recht van negen jaar, bij ontstentenis van een geldige opzegging, een wettelijk en verplicht gevolg is van een dergelijke overeenkomst, dat overigens voorzienbaar en gangbaar is, indien niet zeker".

Grieven

In zijn appelconclusie voerde de eiser aan dat krachtens artikel 2015 van het Burgerlijk Wetboek de toestemming van de borg uitdrukkelijk moet zijn gegeven en niet verder mag worden uitgestrekt dan de perken waarbinnen hij is aangegaan ; dat "de huurovereenkomst ondertekend was voor een beperkte duur van drie jaar die verviel op 30 juni 2007" en "dat de borg niet ervan op de hoogte is gebracht dat de partijen een wederinhuring overwogen en beslist hebben; een hernieuwing van de verbintenis van de borg dienaangaande is niet gevraagd", om eruit af te leiden dat hij niet gehouden kon zijn tot de verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst na de periode van drie jaar die oorspronkelijk was aangegaan.

Hij voerde ook aan dat krachtens artikel 1740 van het Burgerlijk Wetboek, de verplichtingen van de borg zich niet uitstrekken tot de verplichtingen die uit de wederinhuring ontstaan, om eruit af te leiden dat de verplichtingen die te dezen uit de borgtocht voortvloeien niet de schulden van de huurster konden betreffen die waren ontstaan uit de wederinhuring na de oorspronkelijk overeengekomen vervaldag, de enige termijn die de borg op het ogenblik van het ondertekenen kende.

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 3, § 6, eerste lid, van de Woninghuurwet kan, in afwijking van § 1, een huurovereenkomst met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de huurder schriftelijk worden gesloten voor een duur die korter is dan of gelijk aan drie jaar. Krachtens artikel 3, § 6, vijfde lid, van die wet wordt, indien de huurder het goed blijft bewonen zonder verzet van de verhuurder, bij ontstentenis van een betekende opzegging door een van beide partijen minstens drie maanden voor het verstrijken van de overeengekomen duur of ondanks een dergelijke opzegging, de huurovereenkomst geacht te zijn aangegaan voor een duur van negen jaar te rekenen van de datum waarop de aanvankelijke huurovereenkomst van korte duur in werking is getreden.

Uit dit artikel 3, § 6, volgt dat een huurovereenkomst van korte duur niet kan worden "geacht te zijn aangegaan voor een duur van negen jaar" zonder een handeling van de huurder die het goed blijft bewonen terwijl een opzegging gegeven is of bij ontstentenis ervan.

Artikel 1738 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat als de huurder, na beëindiging van een schriftelijk gesloten overeenkomst voor een bepaalde duur, het goed zonder verzet van de verhuurder verder blijft bewonen, er wederinhuring is tegen dezelfde voorwaarden, ook wat de duur betreft.

Artikel 1740 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat in het geval van artikel 1738, de verplichtingen van de borgtocht zich niet uitstrekken tot de verplichtingen die uit de wederinhuring ontstaan.

Deze bepalingen moeten gelezen worden in overeenstemming met de bijzondere regels die betrekking hebben op de verschillende soorten huurovereenkomsten.

Indien het gaat om een huurovereenkomst die betrekking heeft op de hoofdver-blijfplaats van de huurder, moet artikel 1738 van het Burgerlijk Wetboek aldus begrepen worden in de zin dat het de hypothese omvat waarin artikel 3, § 6, vijfde lid, van de Woninghuurwet wordt toegepast, met dien verstande dat in dat geval de huurovereenkomst een duur heeft van negen jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de aanvankelijke huurovereenkomst in werking is getreden.

Volgens artikel 1740 van het Burgerlijk Wetboek moet men onder "wederinhuring" elke huurovereenkomst verstaan die wordt verlengd na de aanvankelijk voorziene duur, ongeacht het juridisch mechanisme waardoor de huurder kan blijven in het goed onder de gelding van een huurovereenkomst.

Hoe dan ook, in de veronderstelling dat artikel 1740 van het Burgerlijk Wetboek geen betrekking heeft op de hypothese van artikel 3, § 6, vijfde lid, van de Woninghuurwet, kan de borgtocht in ieder geval, krachtens artikelen 2013 en 2015 van het Burgerlijk Wetboek, niet verder gaan dan de perken waarbinnen hij is aangegaan. Deze bepaling is van toepassing op alle verbintenissen, inclusief deze die voortvloeien uit een huurovereenkomst met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de huurder.

De huurder die het goed blijft bewonen, wat leidt tot de toepassing van artikel 3, § 6, vijfde lid, van de Woninghuurwet, strekt de verplichting van de borg verder uit, zodat deze, behoudens hij zijn toestemming geeft, enkel gehouden is tot de oorspronkelijke schuld, zijnde de schuld die is aangegaan tijdens de aanvankelijk overeengekomen duur, met toepassing hetzij van artikel 1740, hetzij van de artikelen 2013 en 2015 van het Burgerlijk Wetboek.

Het bestreden vonnis dat, zonder vast te stellen dat de eiser heeft ingestemd met het behoud van de huurster in het goed bij het verstrijken van de aanvankelijk overeengekomen duur van drie jaar, beslist dat de eiser zich borg moet stellen voor de verplichtingen van de huurster die ontstaan zijn na de omzetting van de aanvankelijke huurovereenkomst met een duur van drie jaar in een huurovereenkomst van gemeen recht van negen jaar, schendt bijgevolg de artikelen 1738, 1740, 2013 en 2015 van het Burgerlijk Wetboek en 3, § 6, van de Woninghuurwet van 20 februari 1991.

Tweede onderdeel

Indien de artikelen 1738, 1740, 2015 van het Burgerlijk Wetboek en 3, § 6, vijfde lid van de Woninghuurwet moeten uitgelegd worden in de zin dat de borg van een huurovereenkomst van korte duur gehouden is tot de verplichtingen van een huurovereenkomst die automatisch omgezet is naar een duur van negen jaar als gevolg van het behoud van de huurder in het goed bij het verstrijken van de aanvankelijk overeengekomen duur, zelfs indien die borg niet verwittigd is en niet heeft toegestemd, dan voeren die bepalingen tussen de personen die zich borg stellen voor de verplichtingen van een huurder van een hoofdverblijfplaats bij een huurovereenkomst van korte duur waarbij de huurder daarna het goed is blijven betrekken, enerzijds, en de personen die zich borg stellen voor alle andere ver-plichtingen, anderzijds, een verschillende behandeling in die noch objectief noch redelijkerwijze gerechtvaardigd is, aangezien in de regel de verplichtingen van de borg niet verder kunnen uitgestrekt worden zonder zijn toestemming. In deze uitlegging zijn deze bepalingen onverenigbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Daaruit volgt dat het bestreden vonnis dat beslist dat 1. artikel 1740 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is op grond dat het slechts de hypothese be-treft waarin "er een stilzwijgende wederinhuring is" en dat het bijzonder lot van de borg te dezen geregeld wordt door artikel 3, § 6, van de Woninghuurwet waarin geen sprake is van "wederinhuring", "maar, integendeel, een omzettingsregeling van de oorspronkelijke huurovereenkomst bepaalt" en dat 2. deze omzetting, aangezien zij een wettelijk, verplicht gevolg is bij ontstentenis van een geldige opzegging, niet leidt tot een uitstrekking van de verbintenis met borgstelling in de zin van artikel 2015 van het Burgerlijk Wetboek, en dat hieruit afleidt dat de eiser gehouden is tot alle verplichtingen uit de huurovereenkomst na het verstrijken van de aanvankelijk aangegane duur van drie jaar, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt.

In dat geval moet aan het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag gesteld worden die is weergegeven in het dictum van het verzoekschrift.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1200 tot 1216 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 19, 23 tot 28, 1020, tweede lid, 1022, vierde lid, en 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd door de wet van 13 mei 1955;

- algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging.

Aangevochten beslissing

Het bestreden vonnis veroordeelt de eiser hoofdelijk met mevrouw C. tot de kosten van eerste aanleg, zijnde de rechtsplegingsvergoeding ten belope van 594,98 euro, op grond van al zijn motieven, die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en in het bijzonder op grond van de volgende motieven:

"De rechtbank stelt vast dat de veroordeling die oorspronkelijk door de eerste rechter is uitgesproken in zijn niet beroepen vonnis van 3 december 2008 betrekking heeft op een bedrag van 4.235,01 euro (huurachterstal en lasten) naast de kosten (594,98 euro) en de gerechtelijke interest, alsook op een bedrag van 1.885,77 euro (wederverhuringsvergoeding).

Hij houdt zijn beslissing aan over het overige deel van de vordering, met name, wat betreft de veroordeling tot een bepaalde geldsom, de veroordeling tot eventuele huurschade.

De rechtbank merkt enerzijds op dat de vordering tegen de eiser beperkt is tot de sommen waartoe mevrouw C. reeds was veroordeeld, zonder dat gevorderd wordt een beslissing aan te houden over de huurschadepost waartoe de borg ook gehouden zou kunnen zijn en, anderzijds, dat de verweerster zich misrekent wanneer zij de hoofdelijke veroordeling van de eiser vraagt tot het bedrag van 6.220,78 euro, vermits de som van 4.235,01 euro en 1.885,77 euro 6.120,78 euro is.

De eerste rechter had de verweerster veroordeeld tot de kosten van de eiser in eerste aanleg, zijnde een rechtsplegingvergoeding ten belope van 650 euro.

Tegen dat deel van het vonnis heeft de verweerster ook hoger beroep ingesteld en zij vordert de hoofdelijke veroordeling (van de eiser en mevrouw C.) tot de kosten, zonder deze te bepalen, zodat de rechtbank ambtshalve moet oordelen en de eiser als volgt veroordelen.

In dit opzicht bepaalt artikel 1020, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek dat de verwijzing in de kosten hoofdelijk wordt uitgesproken indien, zoals te dezen, de voornaamste veroordeling zelf de hoofdelijkheid tussen schuldenaars medebrengt. De wetgever heeft evenwel niets voorzien wanneer de veroordeling tot de kosten mogelijk niet identiek is voor de twee in het ongelijk gestelde partijen, zoals in dit geval, aangezien de eiser aantoont dat hij recht heeft op juridische tweedelijnsbij-stand, maar mevrouw C., immer niet-verschijnend, geen enkel bewijs daarvoor aanbrengt en zij dus, in theorie, zou moeten veroordeeld worden tot de basisvergoedingen bij gebrek aan andere beoordelingselementen.

Uit deze dubbele vaststelling, die in dit geval onvermijdelijk lijkt, met name, ener-zijds, dat de veroordeling tot de kosten hoofdelijk moet worden uitgesproken en, anderzijds, dat de in het ongelijk gestelde partij die recht heeft op juridische tweedelijnsbijstand slechts kan worden veroordeeld tot het minimum van de rechtsplegingsvergoeding (behoudens bijzonder gemotiveerde beslissing in de gevallen van een kennelijk onredelijke situatie - quod non), moet derhalve afgeleid worden dat de rechtsplegingsvergoeding waartoe deze twee partijen hoofdelijk moeten worden veroordeeld identiek moet zijn en derhalve teruggebracht moet worden tot de kleinste som die een van de twee veroordeelde partijen verschuldigd is.

De rechtbank moet echter te dezen vaststellen dat geen van beide partijen hoger beroep heeft ingesteld tegen de eerste beslissing van 3 december 2008 die de kosten bepaalt waartoe mevrouw C. eerst alleen is veroordeeld, zodat het gezag van het rechterlijk gewijsde van deze niet betwiste beslissing ons verplicht de eiser hoofdelijk te veroordelen met mevrouw C. tot dit bedrag van 594,98 euro, niette-genstaande de argumenten die hij uit het voorgaande had kunnen afleiden".

Grieven

De eiser voerde in zijn appelconclusie aan dat "indien de rechtbank overigens subsidiair zou oordelen dat de eiser moet worden veroordeeld en aldus in het ongelijk zou worden gesteld, zij moet aannemen dat hij thans geniet van de juridische tweedelijnsbijstand (in het kader van een schuldbemiddelingsprocedure zoals, overigens, mevrouw C.) en dat hij zodoende slechts gehouden kan zijn tot de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het minimum (artikel 1022, vierde lid van het Gerechtelijk Wetboek)".

Krachtens artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek heeft het vonnis van de vrederechter van het kanton Nijvel van 3 december 2008 enkel de rechtsvordering van de verweerster tegen mevrouw C. onttrokken aan deze rechter. Het gezag van gewijsde van deze beslissing in de zin van de artikelen 19 en 23 tot 28 van het Gerechtelijk Wetboek had slechts betrekking op de veroordelingen die uitgesproken zijn tegen deze partij.

Uit die bepalingen volgt niet, evenmin als uit de artikelen 1200 tot 1216 van het Burgerlijk Wetboek die de hoofdelijke veroordelingen regelen of uit artikel 1020, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek dat de kosten in geval van een hoofdelijke hoofdveroordeling regelt, dat de appelrechter bij wie het hoger beroep aanhangig is van de schuldeiser tegen een latere beslissing over de rechtsvordering van de schuldeiser tegen een andere medeschuldenaar, indien een beslissing die niet voorgelegd is aan het appelgerecht een veroordeling uitspreekt in hoofdzaak en tot de kosten tegen één van de partijen die gehouden is tot eenzelfde schuld, de rechtsplegingsvergoeding van eerste aanleg zou moeten begroten op het bedrag dat reeds bepaald was in het eerste vonnis.

Er volgt integendeel, zowel uit artikel 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek als uit artikel 6.1 van het EVRM en uit het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, dat de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel, waarbij het hoger beroep van de verweerster tegen het vonnis van de vrederechter van Nijvel van 24 februari 2010 dat haar rechtsvordering tegen de eiser had afgewezen aanhangig was, moest oordelen over het geschil in zijn geheel tussen deze twee partijen, met inbegrip van de veroordeling tot de kosten en de rechtsplegingsvergoeding en, overeenkomstig artikel 1022, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, aangezien zij vaststelt dat de eiser juridische tweedelijnsbijstand geniet en de situatie niet kennelijk onredelijk is, het bedrag van de door de eiser verschuldigde rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg op het minimum diende te bepalen.

Het beroepen vonnis dat beslist dat het de rechtsplegingsvergoeding niet op het minimum kan vastleggen op grond dat de veroordeling tot de kosten hoofdelijk moet worden uitgesproken en dat het bedrag definitief vastgesteld is door het vonnis van 3 december 2008 tegen mevrouw C. alleen, schendt alle in het middel aangewezen wetsbepalingen en miskent het aangewezen algemeen rechtsbeginsel.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Artikel 3, § 6, vijfde lid, van de bijzondere regels betreffende de huurovereen-komsten met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de huurder, vervat in arti-kel 2 van de wet van 20 februari 1991, bepaalt dat bij ontstentenis van een tijdig berekende opzegging of indien de huurder het goed blijft bewonen zonder verzet van de verhuurder, de huurovereenkomst afgesloten voor een duur die korter is dan of gelijk aan drie jaar, geacht wordt te zijn aangegaan voor een duur van ne-gen jaar te rekenen van de datum waarop de aanvankelijke huurovereenkomst van korte duur in werking is getreden en zij derhalve is onderworpen aan de paragra-fen 1 tot 5. In dat geval blijven de huurprijs en de andere voorwaarden dezelfde als die welke bepaald waren in de aanvankelijk afgesloten huurovereenkomst van korte duur.

Overeenkomstig artikel 2015 Burgerlijk Wetboek mag men borgtocht niet verder uitstrekken dan de perken waarbinnen hij is aangegaan.

Behoudens een beperking van de duur bepaald in de borgtocht, dekken de ver-plichtingen van de borg, in het geval bepaald bij voormeld artikel 3, § 6, vijfde lid, de verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst met betrekking tot de hoofdverblijfplaats voor het geheel van de negenjarige duur.

De verplichtingen van de borg blijven zodoende beperkt tot de verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst waarvoor zij aangegaan zijn, in overeen-stemming met artikel 2015 Burgerlijk Wetboek.

Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiser zich borg gesteld heeft voor de ver-plichtingen van de huurster krachtens een huurovereenkomst met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, aanvankelijk gesloten voor een "korte duur" en "omgezet in een huurovereenkomst van gemeen recht van negen jaar", "[omdat] de huurster het goed bewoonde zonder verzet van de verhuurster" na het verstrijken van de aanvankelijk overeengekomen duur, en dat de huurovereenkomst is geëindigd binnen de negen jaar te rekenen vanaf de datum waarop de aanvankelijke huur-overeenkomst van korte duur in werking is getreden.

Het beslist niet-bekritiseerd dat de eiser "zich algemeen borg heeft gesteld voor de verplichtingen van de huurster uit de huurovereenkomst ‘en voor hun gevolgen', zonder de contractuele, gerechtelijke of wettelijke gevolgen te onderscheiden" en overweegt dat "de omzetting van de huurovereenkomst van drie jaar in een huur-overeenkomst van gemeen recht van negen jaar, bij ontstentenis van een geldige opzegging, een wettelijk en verplicht gevolg is, dat overigens voorzienbaar en gangbaar is, indien niet zeker" van een dergelijke huurovereenkomst.

Het bestreden vonnis verantwoordt met die redenen wettig zijn beslissing de eiser te veroordelen "tot beloop van de door de eerste rechter uitgesproken veroorde-lingen tegen de huurster", niet enkel voor de aanvankelijk overeengekomen korte duur, maar ook voor de gehele duur van de huurovereenkomst.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Uit het antwoord op het eerste onderdeel van dit middel volgt dat, door de eiser te veroordelen borg te staan voor alle verplichtingen van de huurster van de litigieuze huurovereenkomst met betrekking tot de hoofdverblijfplaats voor de gehele duur van die huurovereenkomst, het bestreden vonnis de verplichtingen van de borg niet verder uitstrekt zonder zijn toestemming.

De door de eiser voorgestelde prejudiciële vraag, die het tegendeel veronderstelt, moet niet gesteld worden aan het Grondwettelijk Hof, vermits ze zonder belang is voor de oplossing van het geschil.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Overeenkomstig artikel 1068, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek maakt hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen het geschil zelf aanhangig bij de rechter in hoger beroep.

Krachtens artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, tenzij bijzondere wetten anders bepalen.

Aangezien de veroordeling tot de kosten krachtens deze bepaling een juridisch gevolg is van de veroordeling ten gronde, dient de appelrechter, die het hoger be-roep ontvankelijk en gegrond verklaart en de beslissing van de eerste rechter wij-zigt, tussen de appellant en de geïntimeerde de veroordeling tot de kosten van de eerste aanleg uit te spreken, zoals die uit zijn beslissing over de grond van de zaak volgt.

Wanneer de door zijn beslissing in het ongelijk gestelde partij tweedelijns juridi-sche bijstand geniet, legt de appelrechter de rechtsplegingsvergoeding vast, over-eenkomstig artikel 1022, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek, op het door de Koning vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie.

Het bestreden vonnis verklaart het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk en willigt, met gedeeltelijke wijziging van het vonnis van de eerste rechter, de vordering tegen de eiser helemaal in en veroordeelt hem tot de kosten.

Met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg, stelt het bestre-den vonnis vast dat de verweerder (lees: de eiser) tweedelijns juridische bijstand geniet en dat het verminderen van de vergoeding tot het door de Koning vastge-stelde minimum niet onredelijk is. Desalniettemin gelet op de hoofdelijke veroor-deling van de verweerder (lees: de eiser) en de huurster van een hoofdverblijf-plaats en het feit dat deze laatste dit hoger bedrag verschuldigd is, veroordeelt het de verweerder (lees: de eiser) tot het betalen van een hoger bedrag.

Aldus schendt het de voormelde bepalingen.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiser veroordeelt tot het betalen aan de verweerster van het bedrag van 594,98 euro als kosten voor de eerste aan-leg.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.

Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten.

Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Mireille Delange en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 16 september 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Huishuur

  • Huur van korte duur

  • Verlenging

  • Uitwerking

  • Borg